De community ruimte is een vrije online ruimte (blog) waar vrijwilligers en organisaties hun opinies kunnen publiceren. De standpunten vermeld in deze community reflecteren niet noodzakelijk de redactionele lijn van DeWereldMorgen.be. De verantwoordelijkheid over de inhoud ligt bij de auteur.

Noten 51 t/m 70 bij ”Historicus Piet Emmer en de Westerse slavernij”

Noten 51 t/m 70 bij ”Historicus Piet Emmer en de Westerse slavernij”

dinsdag 29 juni 2021 03:21
Spread the love
[51]
TROUW
WIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM
22 JUNI 2021
ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7
[52]
WIKIPEDIA
SLAVERNIJ
[53]
[54]
HET PAROOL
DIRECTEUR TACO DIBBITS IN DE SLAVERNIJ-EXPO VAN HET
RIJKSMUSEUM: ”MET SCHULD EN SCHAAMTE KOM JE NIET VERDER”
3 JUNI 2021
Sinds hij in 2016 hoofddirecteur werd van het Rijksmuseum heeft Taco Dibbits gewerkt aan een tentoonstelling over het Nederlandse slavernijverleden. Vanaf zaterdag is de tentoonstelling eindelijk open.

Zaterdag opent het Rijks voor het eerst sinds 15 december 2020 weer zijn deuren. Wat betekent dat voor u?

“Het is fantastisch dat we weer open kunnen; dat is prachtig. Maar de 1,5 metermaatregel geldt nog, dus er kunnen helaas minder mensen naar binnen dan we zouden wensen. Dit is een onderwerp waar we juist van willen dat zoveel mogelijk mensen er kennis van nemen. Daarom zijn we ook blij dat we de afgelopen weken al schoolklassen hebben mogen ontvangen – dat liep direct storm, en die scholieren zijn de toekomst, dus dat is heel belangrijk. We hebben daarbij ook al kunnen zien hoe mensen worden geraakt als ze de tentoonstelling zien.”

Amsterdam heeft een belangrijke rol gespeeld in het Nederlandse slavernijverleden; (hoe) komt dat naar voren in de tentoonstelling?

“We hebben ervoor gekozen een tentoonstelling te maken over de levens van tien mensen, van wie een aantal een band heeft met Amsterdam. De stad heeft sowieso een belangrijke rol gespeeld in de koloniale slavernij. Zo is het leven van de tot slaaf gemaakte Wally verbonden met de 17de eeuwse Amsterdamse burgemeester Nicolaas Witsen. En Oopjen is een telg uit een Amsterdamse familie. Na de verwerving van Rembrandts huwelijksportretten van Marten en Oopjen, in 2016, hebben we veel onderzoek ­gedaan, maar als je de portretten vanuit een ander perspectief benadert, komen er weer andere dingen naar boven. Martens vader bleek een suikerraffinaderij te hebben gehad en de tweede man van Oopjen heeft in Brazilië gewoond en daar een tot slaaf gemaakte vrouw verkracht.”

“Er wordt mij wel gevraagd of we dit soort moeilijke ­zaken wel een plek moeten geven in het museum. Het gekke, vind ik, is dat je die vraag nooit hoort bij een boek of een film; daar heb je ook altijd moeilijke of pijnlijke stukken. Het laat op een zeer treffende wijze de spanning zien tussen esthetiek en ethiek: iets kan heel mooi zijn en tegelijkertijd een schaduwzijde hebben. Het zijn nog steeds fantastische portretten; ze zijn ongelooflijk knap geschilderd, maar ze zijn er echter door geworden. In mensenlevens is het niet allemaal rozengeur en maneschijn, mensen doen elkaar ook verschrikkelijke dingen aan. De geschiedenis is niet eendimensionaal, en de ­complexiteit van de geschiedenis is completer gemaakt doordat we ook dit stuk van het verhaal kennen.”

Recensie tentoonstelling Slavernij

De langverwachte tentoonstelling over de slavernij­geschiedenis is indrukwekkend en veelzijdig, schrijft Kees Keijer in zijn recensie. ‘De boodschap is duidelijk, dit wordt geen gezellige tentoonstelling.’ Lees de volledige recensie.

In Ida Does’ documentaire over de totstandkoming van de tentoonstelling zit een prikkelende scène waaruit blijkt dat sommige oudere, veelal witte Vrienden van het Rijksmuseum er nog aan moeten wennen dat termen als ‘slaaf’ en ‘blank’ niet meer in het museum thuishoren. Gaat dat intussen beter?

“Het is een proces. Ik heb dat proces zelf ook doorgemaakt. Toen ik in 2016 hoofddirecteur werd van het Rijksmuseum vond ik slavernij een belangrijk onderwerp om te agenderen en heb ik meteen gezegd dat we er een tentoonstelling over zouden gaan maken. Maar ik ben gaandeweg gaan inzien dat ik zelf ook tal van vooroordelen had. Ik heb er veel van geleerd en het als een heel positief proces ervaren en dat proces is nog lang niet afgelopen, ik blijf nog steeds leren.”

“Vaak wordt me de vraag gesteld: moet ik me dan schuldig voelen, of moet ik me schamen? Ik denk van niet; ik denk dat je met schuld en schaamte niet veel verder komt. Waar het om gaat, is dat we ons rekenschap geven van de geschiedenis. Dat we kennis nemen van de geschiedenis. Daardoor kunnen we onze gemeenschappelijke toekomst op een betere manier vormgeven. Schuldig voelen zorgt er ook voor dat je er liever niks van wilt weten. Ik vind het mooi om te zien bij onze Vrienden; je gaat samen een proces in en daar kom je alleen maar sterker uit. Door er niet bang voor te zijn. Door de geschiedenis te erkennen.”

Het publiek dat al naar Slavernij is geweest, is zeer divers, van koning Willem-Alexander tot Amsterdamse scholieren. Voor wie is de tentoonstelling ­eigenlijk bedoeld?

“Door de tentoonstelling te openen heeft de koning aangegeven dat het niet alleen een tentoonstelling is voor alle Nederlanders, maar dat de tentoonstelling ook buiten Nederland van groot belang is. De trans-Atlantische slavernij is een onderwerp dat de hele wereld aangaat en dat de hele wereld over gaat. Er is enorm veel aandacht voor de tentoonstelling vanuit de hele wereld; in meer dan honderd landen is er al over geschreven.”

“Het is een tentoonstelling voor iedereen. We hebben ook een familiegids gemaakt, want we hopen dat er ook veel kinderen komen. Nee, ik ben niet bang dat dat een traumatische ervaring oplevert. Als je ziet wat kinderen allemaal zien op YouTube en op televisie… Er worden afschuwelijke verhalen verteld in de slavernijtentoonstelling, want er zijn afschuwelijke dingen gebeurd. Mensen is groot onrecht aangedaan. Ik denk dat alleen maar goed is dat je daar op jonge leeftijd al van op de hoogte bent en meer inzicht in krijgt. Het is een tentoonstelling over mensen, voor mensen. En kinderen zijn ook mensen.”

Slavernij, t/m 29 augustus in de Philipsvleugel van het Rijksmuseum. De tentoonstelling is ook elke vrijdagavond geopend. Tijdens de tentoonstelling presenteert Jörgen Raymann maandelijks een talkshow over het thema slavernij en de doorwerking daarvan. Meer ­informatie en kaartverkoop op rijksmuseum.nl. Op de museumsite zijn ook de tien verhalen uit de ­tentoonstelling te horen.

In cijfers

De tentoonstelling is opgebouwd rond 10 persoonlijke en waargebeurde verhalen

Slavevoyages.com becijferde het aantal in Afrika ingescheepte slaven op 12.521.337. Het aantal dat op de plaats van bestemming is ontscheept, wordt berekend op 10.702.653. Voor de Nederlandse slavenhandel zijn de getallen respectievelijk 554.336 ingescheepte slaven en 475.240 slaven die levend op hun bestemming zijn aangekomen.

Rembrandt schilderde de huwelijksportretten van Marten Soolmans en Oopjen Coppit in 1634.

Kralen en een voetblok nemen het op tegen power paintings

De slavernijtentoonstelling in het Rijksmuseum vertelt persoonlijke verhalen met behulp van gebruiksvoorwerpen en kunstwerken, maar ook met kleuren, spiegels, rechte vormen en cirkels. Het is een sterk staaltje museale scenografie, schrijft Edo Dijksterhuis.

Een tentoonstelling maken over slavernij is geen sinecure. Vanwege de beladen geschiedenis van het onderwerp natuurlijk, maar ook vanwege praktische beperkingen. “Want hoe doe je recht aan de geschiedenis van mensen die geen bezit hadden dat kan worden tentoongesteld, mensen die zelf bezit waren?” Dat zegt conservator ­Eveline Sint Nicolaas, die samen met Valika Smeulders, hoofd geschiedenis, en twee andere conservatoren de ­tentoonstelling samenstelde.

In Slavernij zijn de verhalen over tien uiteenlopende ­levens daarom belangrijker dan de voorwerpen, waarvan er ook minder te zien zijn dan in tentoonstellingen van vergelijkbare omvang. Die verhalen worden verteld in zaalteksten, die bewust beperkt zijn gehouden tot maximaal 150 woorden om er geen ‘leestentoonstelling’ van te maken, en die tot leven komen in de audiotour. De voorwerpen die er zijn, worden gepresenteerd in een bijna ­theatrale setting: een scenografie die ook voelbaar maakt wat niet kan worden getoond. “Van de Curaçaose vrijheidsstrijder Tula vonden we teksten in het Nationaal ­Archief, maar een portret van hem ontbreekt,” geeft Sint Nicolaas als voorbeeld. “Dan zou je een hedendaags portret kunnen laten maken, maar het feit dat zo’n portret er niet is, heeft betekenis op zich.”

Van andere mensen die in slavernij naar Nederland ­werden gehaald, bestaan wel afbeeldingen, vaak als figuranten naast witte meesters. “Het imposante portret van Maurits graaf van Nassau la Lecq te paard hebben we ­bewust lager gehangen dan normaal, zodat de kijker op ooghoogte contact maakt met de zwarte jongen links in beeld,” vertelt Smeulders. “Hetzelfde geldt voor de ­halsband die we juist op een extra hoge sokkel hebben geplaatst.”

Passend in de verzameltraditie van het Rijksmuseum, dat ook het pistool waarmee Pim Fortuyn is vermoord in de collectie heeft en het oudst bewaard gebleven vliegtuig van Nederland, spelen gebruiksvoorwerpen een belangrijke rol in de tentoonstelling. Zo staat een tronco, een voetblok dat eigenlijk niets minder is dan een martelwerktuig, pontificaal middenin een zaal. De kunst­historische topstukken hebben juist een bescheidener plekje. Of zoals Afaina de Jong, de architect verantwoordelijk voor het tentoonstellingsontwerp, het zegt: “We hebben de power paintings, die dominante portretten van rijke patriciërs als Oopjen en Marten, zo opgehangen dat je ze niet meteen ziet.”

Architectuur van slavernij

De meeste tentoonstellingen over slavernij zijn te zien op historische locaties als voormalige plantages en West-Afrikaanse forten. Of in nieuwe, speciaal hiervoor ontworpen gebouwen als het National Museum of African American History and Culture in Washington. Het ­Rijksmuseum valt in geen van beide categorieën. De Jong: “Het Rijksmuseum gaat over de nationale identiteit en vertelt de verhalen over de elite die het land heeft gevormd. Ik wilde binnen die context een nieuwe ruimte creëren voor de mensen en verhalen die hier afwezig zijn. Ik heb daarvoor de architectuur van de slavernij gebruikt, waarin hoogteverschillen een belangrijke rol spelen. Plantagehouders woonden in huizen op palen en slavenhandelaren sliepen in vertrekken boven de kerkers. Tot slaaf gemaakten woonden echter in hutjes met lage ingangen, waardoor ze altijd moesten bukken. In de eerste helft van de tentoonstelling heb ik dat gevoel van compressie proberen over te brengen.”

De Jong deed dat met architectonische ingrepen, waarvan gefragmenteerde spiegelwanden het meest in het oog springen. Ze worden soms verticaal onderbroken, waardoor een soort traliewerk ontstaat. En als de spiegelbanen horizontaal lopen, is dat nooit op ooghoogte, waardoor de bezoeker telkens met zichzelf wordt geconfronteerd, maar gezichtsloos blijft, als een tot slaaf gemaakte wiens identiteit is afgepakt.

In de zaal waarin de verhalen van de opstandige ­Surinaamse Wally en de hardvochtige Amsterdamse plantagehouder Jonas Witzen worden gecombineerd, plaatste De Jong een diagonale scheidswand. “Daar heb ik vitrines in gemaakt, zodat je van de ene belevings­wereld naar de andere kijkt. Er liggen bijvoorbeeld kapmessen in, die vanuit Nederland werden geëxporteerd naar de koloniën voor het oogsten van suikerriet.”

De zaal gewijd aan tot slaaf gemaakten uit Bengalen wordt gedomineerd door een half transparante tunnel in het midden. “De schilderijen hangen aan de buitenwanden. Als je die bekijkt, ben je je steeds bewust van de ­bezoekersstroom in die tunnel en voel je de massaliteit die kenmerkend is voor de Aziatische slavenhandel. ­Andere bezoekers worden figuranten in jouw ervaring.”

De laatste helft van de tentoonstelling gaat over vrijheidsstrijders en het einde van de slavernij. Hier verandert ook de vormgeving. Rechte lijnen en korte zichtlijnen maken plaats voor open ruimtes met cirkels in wand of plafond. De Jong: “Cirkels staan voor solidariteit, maar je kunt er ook een raam of doorgang in zien.”

Kroonluchter van kralen

Afgezien van Look at me Now, het publieksparticipatieproject op de benedenverdieping, bevat Slavernij één hedendaags kunstwerk: La Bouche du Roi van Romuald Hazoumé. Het stelt de plattegrond van een slavenschip voor, gemaakt van jerrycans die in hedendaags Benin worden gebruikt voor benzinesmokkel en die door de kunstenaar zijn bewerkt tot maskers. “We kiezen in deze tentoonstelling voor de persoonlijke insteek,” zegt Sint Nicolaas, “maar dit kunstwerk laat zien hoe mensen ­werden gereduceerd tot anonieme handelswaar.”

De zaal van La Bouche du Roi is 6 meter hoog. De Jong bracht op de helft daarvan een lijn aan en schilderde alles daaronder dieprood. “Dat versterkt het idee dat je in het ruim van een schip zit,” licht de architect toe. “In de daaropvolgende zaal is juist het bovenste deel van de wand ­geschilderd, in blauw: het licht en de lucht die de tot slaaf gemaakten zagen na de Atlantische overtocht. Het blauw verwijst ook naar indigo, een kleur die we te danken hebben aan de plantages, of de blues, de muzieksoort die is ontstaan uit de plantagecultuur.”

Een ander theatraal hoogtepunt vormt de op één na laatste zaal. Hier liggen de wetsteksten die een eind maakten aan 250 jaar slavernij. Ze vallen in het niet bij een installatie van kralen die als een kroonluchter middenin de zaal hangt. Smeulders: “Tot slaaf gemaakten werden op Sint Eustatius soms uitbetaald in kralen, zodat ze ­alleen onderling ruilhandel konden bedrijven en niet konden meedoen aan de reguliere economie. Bij de afschaffing van de slavernij zijn die kralen massaal in zee geworpen, een krachtig gebaar van bevrijding. De kralen zijn maar 1 centimeter in doorsnede, maar in deze ­installatie zijn ze voelbaar in de hele zaal. Ze zijn belangrijker dan die stapel papier.”

EINDE ARTIKEL

NU.NL

RIJKSMUSEUM BIEDT SCHOLIEREN PROGRAMMA OVER SLAVERNIJ AAN

23 MAART 2021

https://www.nu.nl/cultuur-overig/6123002/rijksmuseum-biedt-scholieren-lesprogramma-over-slavernij-aan.html

Het Rijksmuseum heeft samen met uitgeverij ThiemeMeulenhoff een digitaal lesprogramma en een magazine over het Nederlandse slavernijverleden ontwikkeld, meldt het best bezochte museum van Nederland dinsdag aan NU.nl.

Zelfs nadat Nederland de slavernij in 1863 officieel afschafte, wist het land de praktijk waaraan het mede de rijkdommen uit de Gouden Eeuw dankt via een wrange en misdadige omweg tien jaar te rekken. Volgens hoofddirecteur van het Rijksmuseum Taco Dibbits in het voorwoord van het magazine Slavernij en nu? voelen mensen het onrecht van de slavernij tegenwoordig nog steeds.

Vanaf dinsdag ontvangen alle scholieren van groep zeven en acht van de basisschool en de onderbouw van het middelbaar onderwijs in Nederland en op Curaçao een van de 250.000 exemplaren van het magazine. Ze krijgen ook de mogelijkheid om via school gratis acht digitale lessen over slavernij en racisme te volgen.

Slavernij en nu? behandelt de geschiedenis van de slavernij in Nederland en legt het verband met hedendaags racisme. “Je weet pas waar je naartoe gaat als je weet waar je vandaan komt”, valt onder meer te lezen in het magazine

‘Leraren kregen zelf geen les over slavernij’

“We vinden het belangrijk dat geschiedenis dichtbij komt”, vertelt Annemiek Spronk, hoofd onderwijs van het Rijksmuseum in gesprek met NU.nl. “De slavernij is onderdeel van onze geschiedenis, maar staat nog niet zo lang in de geschiedenisboeken. Ook de huidige docenten hebben er als scholier zelf geen les over gehad.”

Het Rijksmuseum kreeg reacties vanuit het onderwijs dat slavernij buiten de Randstad niet relevant zou zijn, omdat daar in de klassen minder zwarte leerlingen zitten. Het Amsterdamse museum bestrijdt die gedachte.

“Slavernij is de geschiedenis van ons allemaal”, vindt Spronk. Het hoofd onderwijs van het Rijksmuseum laat weten dat bijvoorbeeld ook in de provincie Drenthe nog sporen van het Nederlandse slavernijverleden te zien zijn.

Spronk hoopt dat kinderen door het lezen van het magazine verder leren kijken dan hun neus lang is. “Natuurlijk draait slavernij om onrecht, maar we vertellen in Slavernij en nu? ook verhalen over verzet. Die laten de kracht van mensen zien.” Het magazine besteedt onder meer aandacht aan vrijheidsstrijder en verzetsheld Anton de Kom, die als eerste Surinamer is opgenomen in de Canon van Nederland.

Lesmateriaal is gebaseerd op magazine en documentaire

Eric Razenberg, algemeen directeur van ThiemeMeulenhoff, laat in gesprek met NU.nl weten dat de educatieve uitgeverij zeker een jaar aan het lesmateriaal heeft gewerkt. “Ons motto is ‘Samen leren vernieuwen’. We willen leraren helpen om lastige onderwerpen zoals slavernij en racisme bespreekbaar te maken in de klas.”

Elk van de acht artikelen in Slavernij en nu? bevat volgens Razenberg uitdagende werkvormen, zoals het schrijven van een spoken-wordzelfportret en het in briefvorm beantwoorden van een van de personen uit het magazine.

Met de makers van de documentaire Nieuw licht: Het Rijksmuseum en de slavernij heeft ThiemeMeulenhoff acht fragmenten uit de documentaire geselecteerd. Ook die zullen volgens de educatieve uitgeverij op termijn onderdeel vormen van gratis lesmateriaal.

In 2021 organiseert het Rijksmuseum voor het eerst sinds de oprichting in 1800 een tentoonstelling over slavernij, die te bezoeken is zodra de geldende coronamaatregelen dat toelaten. Nieuw licht: Het Rijksmuseum en de slavernij van regisseur Ida Does laat de soms pijnlijk confronterende totstandkoming van die tentoonstelling met de naam Slavernij zien.

EINDE ARTIKEL

[55]

TROUW

WIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM

22 JUNI 2021

https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

[56]

WIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM

22 JUNI 2021

https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

[57]

WIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM

22 JUNI 2021

https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

[58]

WIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM

22 JUNI 2021

https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

[59]

TROUW

WIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM

22 JUNI 2021

https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

[60]

TROUW

WIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM

22 JUNI 2021

https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

[61]

WIKIPEDIA

SLAVERNIJ

https://nl.wikipedia.org/wiki/Slavernij

[62]

HEBBEN SLAVEN GELD?
Slaven mogen volgens de wet geen loon ontvangen of geldzaken doen. Toch zijn slaven in Suriname, maar vooral ook op Curaçao, niet helemaal van financiën verstoken. Ze verdienen zelf geld door producten te verkopen of door voor zichzelf te werken met toestemming van de meester. De opbrengsten mogen ze dus gedeeltelijk in hun eigen zak steken. Zelfstandige ambachtsslaven krijgen van hun meester de gelegenheid zelf slaven in dienst te nemen of te kopen. Soms mogen slavinnen een klein handeltje opzetten, wat hun een redelijk inkomen kan verschaffen.
SLAVERNIJ EN JIJ/LEVEN IN SLAVERNIJ/SLAVEN EN GELD

Het staat in de wet

Een wet uit 1684: niemand in Suriname mag goederen van slaven kopen, omdat ze daardoor alleen maar de neiging zouden krijgen om te stelen.

Plakkaat 111, 112 en 185 uit de zeventiende eeuw: witte mensen in Suriname mogen slaven geen drank verkopen, geen handel met hen drijven en geen dobbel- of andere geldspelen met hen doen. Van dat laatste, bijvoorbeeld, zouden slaven alleen maar het idee kunnen krijgen om op verboden manieren aan geld te proberen te komen.

Een wet uit 1771: slaven mogen geen goud en juwelen aan anderen verkopen. Anders zullen ze sieraden stelen van hun meesters.

Een verbod uit 1762: slaven mogen geen ‘negerspijzen’ meer verhandelen. De verrotte vlees- en viswaren die ze te koop aanbieden zouden een gevaar vormen voor de volksgezondheid.

Hebben slaven geld?

Slaven mogen volgens de wet geen loon ontvangen of geldzaken doen. Toch zijn slaven in Suriname, maar vooral ook op Curaçao, niet helemaal van financiën verstoken. Ze verdienen zelf geld door producten te verkopen of door voor zichzelf te werken met toestemming van de meester. De opbrengsten mogen ze dus gedeeltelijk in hun eigen zak steken. Zelfstandige ambachtsslaven krijgen van hun meester de gelegenheid zelf slaven in dienst te nemen of te kopen. Soms mogen slavinnen een klein handeltje opzetten, wat hun een redelijk inkomen kan verschaffen.

Vooral de stadsslaven, die in Suriname twintig procent van de slavengemeenschap uitmaken, hebben meer toegang tot geld. Omdat het eigenlijk niet mag, grijpen koloniale autoriteiten in wanneer zulke economische bezigheden de openbare orde, gezondheid of welzijn in gevaar brengen.

HEBBEN SLAVEN WAARDEVOLLE SPULLEN?

Uit de levenswijze van de slaven blijkt dat ze beschikken over waardevolle spullen. Over ceremoniële dansfeesten zoals de doe staat in getuigenissen van Europeanen te lezen dat de slaven elkaar proberen te overtreffen met ‘bizarre opsmuk’. Verder worden bij zulke gelegenheden kostbare snuisterijen verkocht. De koloniale overheid legt de doe aan banden om de openbare orde te handhaven en om ‘dieveryen’ te voorkomen. Tijdens zulke festijnen worden namelijk dure etenswaren verkocht die de slaven eigenlijk niet kunnen betalen.

KAN EEN SLAAF MET GELD ZICHZELF VRIJKOPEN?

Als een slaaf genoeg geld bijelkaar weet te krijgen, kan hij of zij zichzelf vrijkopen. Dat heet manumissie.

EINDE BERICHT

[63]

‘KAN EEN SLAAF MET GELD ZICH VRIJKOPEN?

Als een slaaf genoeg geld bijelkaar weet te krijgen, kan hij of zij zichzelf vrijkopen. Dat heet manumissie.

SLAVERNIJ EN JIJ/LEVEN IN SLAVERNIJ/SLAVEN EN GELD
ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 62
”King allowed Equiano to buy his freedom, which he achieved in 1766.”
WIKIPEDIA
OLAUDAH EQUIANO/FREEDOM
ORIGINELE BRON
WIKIPEDIA
OLAUDAH EQUIANO
[64]
”Zonder enig bewijs meldt de tentoonstellingsbundel dat slaven geen bezit mochten hebben. Hoe was het dan mogelijk dat sommige slaven zichzelf vrijkochten en waar kwam in het eerste jaar na de vrijverklaring die koopgolf onder de ex-slaven vandaan?”

TROUW

WIE EEN BEPERKTE BLIK OP DE SLAVERNIJ WIL, SPOEDE ZICH NAAR HET RIJKSMUSEUM

22 JUNI 2021

https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-wie-een-beperkte-blik-op-de-slavernij-wil-spoede-zich-naar-het-rijksmuseum~b5f49fd6/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned

ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 7

[65]

”Slaven mogen volgens de wet geen loon ontvangen of geldzaken doen. Toch zijn slaven in Suriname, maar vooral ook op Curaçao, niet helemaal van financiën verstoken. Ze verdienen zelf geld door producten te verkopen of door voor zichzelf te werken met toestemming van de meester.”

SLAVERNIJ EN JIJ/LEVEN IN SLAVERNIJ/SLAVEN EN GELD
ZIE VOOR GEHELE TEKST, NOOT 62
[66]
WIKIPEDIA
SLAVERNIJ
[67]
”Ook beweert de bundel dat slaven niet mochten lezen en schrijven, maar hoe kon de zwarte abolitionist (voorstander afschaffing slavernij, red.) Equiano dan zijn memoires schrijven als hij dat als slaaf niet had geleerd? ”
[68]
””Ik begrijp nu beter wat we aan andere objecten, maar ook aan mondelinge bronnen nodig hebben om een verhaal vanuit verschillende perspectieven te vertellen”, zegt Sint Nicolaas. “Tot slaaf gemaakten mochten niet lezen en schrijven, er zijn dus weinig getuigenissen uit de eerste hand overgebleven, maar er zijn wel verhalen van generatie op generatie doorverteld. Door nieuwe bronnen en objecten toe te voegen aan onze collectie, brengen we de verhalen beter in balans.”
NOS
250 JAAR SLAVERNIJGESCHIEDENIS KOMT
TOT LEVEN IN RIJKSMUSEUM
18 MEI 2021

Koning Willem-Alexander opent vanmiddag de overzichtstentoonstelling over het Nederlandse slavernijverleden in het Rijksmuseum in Amsterdam. Musea zijn vanwege de coronamaatregelen nog dicht, maar de koning geeft voor deze tentoonstelling het startsein voor de opening in fases.

De tentoonstelling, waaraan vier jaar gewerkt is, brengt met tien persoonlijke verhalen vanuit verschillende perspectieven 250 jaar slavernijgeschiedenis tot leven. Het zijn waargebeurde verhalen van mensen die destijds tot slaaf werden gemaakt, mensen die daartegen in verzet kwamen en vluchtten, plantagehouders en regenten. Niet alleen de trans-Atlantische slavernij in Suriname, het Caribisch gebied en Brazilië, waarover in het algemeen meer bekend is, maar ook de slavernij in Azië en Zuid-Afrika komt aan bod.

De verhalen worden verteld aan de hand van schilderijen en archiefstukken, gebruiksvoorwerpen, maar ook mondelinge bronnen, zoals liederen die van generatie op generatie zijn doorgegeven. In de bijbehorende audiotour lichten mensen die elk een connectie hebben met een hoofdpersoon de verhalen toe.

Massaliteit en anonimiteit van de slavenhandel

Een van de eerste zalen is helemaal gewijd aan een hedendaags kunstwerk, ‘La Bouche du Roi’ van de Beninse kunstenaar Romuald Hazoumé. Die installatie laat de massaliteit en anonimiteit van de slavenhandel zien, gebaseerd op de plattegrond van een slavenschip. Hazoumé verbeeldt met jerrycans de gezichten van de mensen wiens naam en bezit werd afgenomen, en die tot slaaf werden gemaakt.

“Naast de persoonlijke verhalen wilden we ook recht doen aan de miljoenen namen en mensen wiens gezichten we niet kennen”, zegt hoofdconservator Eveline Sint Nicolaas. “De grote anonieme massa die vanuit de westkust van Afrika, maar ook uit Azië, werd weggerukt van familie, cultuur en taal. Dat is wat deze installatie laat zien.”

“De ruim 300 jerrycans zijn eigenlijk maskers met unieke kenmerken, waar je gezichten in kunt zien van mannen, vrouwen en kinderen die aan boord van het schip waren. Dat maakt het weer een geschiedenis van mensen. De kunstenaar prikkelt de zintuigen bovendien door ook met stemmen en geuren te werken, waardoor het kunstwerk echt onder je huid gaat zitten.”

“Door het werken aan deze tentoonstelling ben ik me er meer van bewust dat er achter onze collectie nog allerlei verhalen schuilgaan die we niet kenden. Dat er nog een veel completer verhaal te vertellen is. Je ziet hoe verweven de koloniale geschiedenis is met onze nationale geschiedenis. Je vindt het overal in het Rijksmuseum”, zegt Sint Nicolaas.

Oopjen

Een voorbeeld daarvan is het portret van Oopjen Coppit, geschilderd door Rembrandt en samen met het portret van haar echtgenoot Marten Soolmans in 2015 door Frankrijk en Nederland gezamenlijk aangekocht. Oopjen is nu een van de tien hoofdpersonen in de expositie. Bij nader onderzoek bleek zij veel verbindingen te hebben met de geschiedenis van de slavernij.

Oopjes schoonfamilie is bijvoorbeeld rijk geworden door de verwerking van suikerriet dat door tot slaaf gemaakten op de plantages in Brazilië was geteeld en geoogst. Haar tweede man Maerten Daey vocht in Brazilië en maakte van dichtbij mee hoe het er op de plantages aan toeging.

“Ik begrijp nu beter wat we aan andere objecten, maar ook aan mondelinge bronnen nodig hebben om een verhaal vanuit verschillende perspectieven te vertellen”, zegt Sint Nicolaas. “Tot slaaf gemaakten mochten niet lezen en schrijven, er zijn dus weinig getuigenissen uit de eerste hand overgebleven, maar er zijn wel verhalen van generatie op generatie doorverteld. Door nieuwe bronnen en objecten toe te voegen aan onze collectie, brengen we de verhalen beter in balans.”

EINDE ARTIKEL

[69]

”Tot het midden van de negentiende eeuw, dus tot vlak voor de afschaffing van de slavernij in de Nederlandse koloniën in 1863, werd er bijna geen aandacht besteed aan missie of onderwijs; er was zelfs een verbod om te leren lezen of schrijven”
WERKGROEP CARAIBISCHE LETTEREN
SLAVENKINDEREN EN KINDSLAVEN
Kind aan de ketting, opgroeien in slavernij toen en nu is van groot formaat, kleurig, prachtig geïllustreerd, met uitvoerige verwijzingen in voetnoten en naar bronnen, luxe uitgegeven en naar verhouding goedkoop. Na de verantwoording en de inleiding van de redactrice bevat het negen artikelen over kinderen van de trans-Atlantische slavenhandel en drie over kinderen in op slavernij lijkende omstandigheden tegenwoordig.

Het gedwongen transport van arbeidskrachten van Afrika naar de Amerika’s speelde van de zeventiende tot het begin van de negentiende eeuw. Tijdens het vervoer naar Suriname stierf een op de zeven van het kwart miljoen aangevoerde slaven. Bij deze vroege barbaarse vorm van mondialisering waren meer kinderen betrokken dan tot dusver werd aangenomen. Het waren niet alleen veel kinderen maar hun aandeel nam in de loop der tijden ook nog toe, tot ongeveer een derde. De prijs van jongeren was lager, ze namen minder ruimte in tijdens het transport, hadden ook minder voeding nodig en waren minder opstandig, gemakkelijker te beheersen. Na aankomst, verzwakt, moesten de slaven zware arbeid verrichten, ze kregen slechte voeding en weinig nachtrust. Tegen veel tropische ziekten bestonden geen effectieve geneesmiddelen. Bovendien kregen slavinnen op de Surinaamse plantages weinig kinderen en was er – zoals destijds trouwens bijna overal – een hoge kindersterfte. Dus was er in Suriname een voortdurend sterfte-overschot, vooral op de suikerrietplantages, waardoor er steeds nieuwe slaven moesten worden aangevoerd.

Tussen Suriname en de Nederlandse Antillen waren wel verschillen. Op de Antillen bestond geen plantage-economie en daarmee was het zwarte deel van de bevolking veel kleiner dan in Suriname. Er is op de eilanden een veel droger klimaat en er was daar in de tijd van de slavernij wél een natuurlijke bevolkingsaanwas. Bovendien valt dit pijnlijk verleden op de Antillen, en zeker op Aruba, nog steeds moeilijk te bespreken.

Bronnen
Over de situatie en omstandigheden van de kindslaven en slavenkinderen bestaan weinig bronnen. En de wel bestaande bronnen zijn zeer onevenwichtig; ze stammen eenzijdig van Europese mannen. Verslagen van slavenhalers, van plantagebazen, van rechtbanken, van reizigers, en schilderijen. In historische romans, zowel als in hedendaagse Antilliaanse romans, komen trouwens ook zeer zelden slavenkinderen voor. Een uitzondering vormt het bekende kinderboek Marijn bij de Lorredraaiers uit 1965, van Miep Diekmann die haar jeugd op Curacao doorbracht. In het verhaal verliest Marijn in 1861 in Willemstad zijn ouders tijdens een orkaan. Om zijn onmogelijke liefde voor het zwarte meisje Knikkertje -zo genoemd vanwege haar grote ronde ogen- te verbergen, gaat hij als chirurgijn (dokter) varen. Op weg naar Afrika wordt hij gevangen genomen en komt als blanke slaaf op een eenzaam eiland terecht. Hij weet te ontsnappen met de lorrendraaier (smokkelaar). Knikkertje is inmiddels gekidnapt en verkocht naar Berbice, een streek in het tegenwoordige Guyana, buurland van Suriname. Daar was het lot van slaven spreekwoordelijk slecht, getuige de nog bestaande uitdrukking ‘naar de barrebiesjes gaan’. Marijn gaat Knikkertje redden. Ze is verkracht en heeft een kind gekregen. Ze keren samen naar Curaçao terug maar onderweg breekt op het schip muiterij uit. Geboeid springt Knikkertje met haar kind in zee; ze verkiest de dood boven de (seksuele) slavernij.

Twee werelden
De slavenkinderen leefden in twee werelden, die van hun bazen en die van hun moeders. De bazen waren de planters, de eigenaars, de bestuurlijke autoriteiten en later wat zendelingen. Voordat kinderen tien werden moesten ze niet echt werken, maar vernederingen en lijfstraffen waren aan de orde van de dag. Kinderen kregen – afhankelijk van hun leeftijd – wel minder slaag met de zweep, de kat, de bullepees, de garde of de roede, dan volwassenen. Tot het midden van de negentiende eeuw, dus tot vlak voor de afschaffing van de slavernij in de Nederlandse koloniën in 1863, werd er bijna geen aandacht besteed aan missie of onderwijs; er was zelfs een verbod om te leren lezen of schrijven. Gezaghebbers zagen dat als een gevaar voor de rust en orde, want door “de beschaving van het verstand zou de slaaf een eigenwaarde krijgen en moeilijker zijn juk willen dragen.” Voorzover de Christelijke kerken zich er tenslotte mee gingen bemoeien leek het hun bedoeling om de slaven van hun oorspronkelijke identiteit te ontdoen.

De autoriteiten erkenden alleen de verwantschap tussen het kind en de moeder, wat niet wegneemt dat moeder en kinderen bij de verkoop van slaven bij aankomst of vererving soms wel van elkaar gescheiden werden. Op Aruba moest nog in 1839 een moeder van haar vier kinderen afscheid nemen. Emotionele banden werden daardoor ernstig verstoord. Afrikaanse moeders gaven hun kinderen twee jaar of langer borstvoeding maar werden kort na de bevalling weer aan het werk gezet. De wereld van de moeders was dan ook de wereld van grootmoeders die op de kinderen pasten als de moeders moesten werken. Het was de wereld van de verhalen na het avondeten, de liederen, de spreekwoorden, de spelletjes, de dansen en van de – gedeeltelijk door de bazen verboden – rituelen. De culturen van de vele volkeren uit de Afrikaanse landen van herkomst mengden zich in de koloniale samenlevingen, ze creoliseerden.

Vaders
Vaders die zelf slaaf waren werkten in Suriname vaak op een andere plantage. De helft van de relaties hield niet langer dan vijf jaar stand, een op de tien mannen hield er trouwens twee of meer vrouwen op na. Er waren in Suriname dus veel eenoudergezinnen. Maar soms bestond er ook een hechte band tussen kinderen en hun vader. Op de Antillen was de vader vaak afwezig, “de rol en positie van de vaders, vrij dan wel slaaf, bij de opvoeding van slavenkinderen (is) vooralsnog onduidelijk”, wordt opgemerkt in het slot van het stuk over slavenkinderen op Aruba.

Door een relatie met hun eigenaar hadden slavinnen kansen om hun lot te verbeteren en aan het slavenbestaan te ontsnappen. Op schilderijen uit die tijd staan ook veel lichter gekleurde kinderen wat erop wijst dat ze door witte mannen bij donkerder vrouwen zijn verwekt. Een licht kind kreeg lichter werk en meer kansen. De graad van pigmentatie was deel van de extreme ongelijkheden in deze samenlevingen en laat tot de dag van vandaag nog diepe sporen na. Zwarte vaders wilden wel de eer van hun dochters beschermen maar kwamen in conflict als de slavenhouder andere plannen had. Hun machteloze woede richtte zich soms op hun vrouwen. Dit soort dingen lijken mij tot de grootste triestheden van de tropen te behoren.

Beeldvorming
In de zeventiende-eeuwse Nederlandse schilderkunst komen veel jonge zwarte bedienden voor. Ze serveren meestal iets te eten of te drinken. Bediendes benadrukken op die schilderijen de rijkdom en rang van hun werkgevers. Zowel witte als zwarte jonge bedienden waren een decoratie, een ornament, en verschillen daarin niet veel van elkaar. Zwarte bediendes waren wel een exotisch element dat verwees naar successen op het gebied van de handel. Over deze zwarte jongens in de rol van bedienden bestaan nog veel raadselen.

Tekeningen en schilderijen uit Suriname tussen 1707 en 1871 zijn eerder schilderachtig dan feitelijk. Ze leggen de nadruk op de economische activiteiten. Kinderen spelen op deze afbeeldingen een marginale rol. Terwijl de slaven op één schilderij net van de boot kwamen en er als skeletten moeten hebben uitgezien, worden ze niet somber afgebeeld. Ze zijn naakt maar bevallig, dartel zelfs, de mannen atletisch, de vrouwen met strakke borsten en volle heupen.

Hoewel het grote aandeel van kinderen in de trans-Atlantische slavernij lang onbekend bleef, speelde de zogenaamde kinderlijkheid van negers in de Europese beeldvorming een hardnekkige rol. Ik ga de vooroordelen niet herhalen maar kinderlijkheid was er eeuwenlang een vast onderdeel van. De invloedrijke negentiende-eeuwse Duitse filosoof Hegel vond heel Afrika een kinderland en dat viel toen niemand op. Het toen toch ook al weinig reactionnaire weekblad ‘de Groene Amsterdammer’ raadde in april 1930 zijn lezers nog aan om met zwarte mensen “als met kinderen” om te gaan. “Hitler gave racism a bad name”, zo wordt een cynicus aangehaald. De postkoloniale migratie uit ‘de West’ betekende een ‘doorbraak in de ontmoetingskansen, een impuls voor de beeldvorming en een kans tot correctie van oude stereotiepen’, zo wordt aan het eind van het hoofdstuk over beperkte contacten en hardnekkige beelden opgemerkt. Maar ja, u weet het vast wel, tegenwoordig moet een andere groep het weer ontgelden als zogenaamd minderwaardig, als groot gevaar en algemene zondebok. Het schijnt nu niet meer aan fysieke raskenmerken te liggen, maar aan cultuur en geloof, een enorme vooruitgang natuurlijk

Kinderen nu
Het deel van het boek dat over tegenwoordige kindslaven gaat, neemt het ongeveer een kwart van het geheel in beslag; drie artikelen. Naar aanleiding van een televisiedocumentaire wordt op grond van allerlei rapporten betoogd dat het gebruik van slavenkinderen bij de verbouw van cacao, grondstof voor onze chocola uit Ghana en Ivoorkust, erg meevalt. Er is een stuk over gebonden arbeid in Nepal waarbij kinderen in feite lijfeigenen zijn omdat ze schulden van hun ouders moeten afbetalen.

Het derde artikel bevat een algemeen overzicht van hedendaagse kindslavernij. Afhankelijk van de definitie lopen schattingen over het huidige aantal kindslaven uiteen van 10 tot 100 miljoen. Eén omschrijving is: “slavernij betekent tegenwoordig dat iemand door economische noodzaak werk aanneemt dat zijn of haar vrijheid van keuze of beweging beperkt.” Bij “onaanvaardbaar gevaarlijk werk” wordt een aantal van 74 miljoen kinderen tussen de 5 en 14 jaar genoemd. Bij “ergste vormen van kinderarbeid, gelijk aan slavernij”, wordt gesproken over kinderhandel, gedrogeerde kindsoldaten, gebonden arbeid, gedwongen arbeid, lijfeigenschap en het gebruik van kinderen voor prostitutie, pornografie, of bij de productie van en handel in illegale drugs. Dit soort misstanden komen vooral in Azië, Afrika en Zuid- en Midden-Amerika voor. Of ze ook in Nederland optreden -waar ik toch wel eens wat over hoor- komt niet ter sprake.

Tussen de trans-Atlantische en de hedendaagse slavenkinderen of kindslaven vallen twee verschillen op. Hedendaagse slavernij wordt veel minder gerechtvaardigd met een beroep op raciale stereotiepen. Het andere verschil is pijnlijk en doet me denken aan de politieke econoom Adam Smith. Die merkte in 1776 op dat loonarbeid voor ondernemers goedkoper was dan slavernij omdat je arbeiders kan ontslaan, en slaven niet. In de vroegere slavernij had de slavenhouder er belang bij dat een kind bleef leven, zodat de eigenaar later gebruik kon maken van de arbeidskracht als het kind was opgegroeid. Tegenwoordig worden de kindslaven afgeschaft, gedumpt, weggestuurd, als ze groter worden. Ze komen dan meestal op straat terecht.

Het boek valt me tegen, ook al is het nog zo mooi, zo relevant en zo chicque uitgevoerd. Veel artikelen zijn erg beschrijvend, soms ontbreekt ook een conclusie. Bij de gebruikte literatuur mis ik – zoals wel vaker – Albert Helman en Eric Williams.

 

Gezien de omvang van de hedendaagse (kind)slavernij steekt de aandacht daarvoor mager af bij die voor het kind van onze koloniale rekening. Maar ook de historische verhalen hebben beperkingen. Ze gaan eigenlijk allemaal over Suriname en de Nederlandse Antillen. Dit boek kon volgens mij alleen in deze tijd bij het (Nederlandse) Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT) verschijnen. Over slavenkinderen in het zuiden van de Verenigde Staten of op andere Caraïbische eilanden of kusten lezen we niet veel. Afgezien van één foto, uit 1868 (!), wordt er niets gezegd over de tien eeuwen durende en veel later (officieel) afgeschafte slavenhandel van de Oost-Afrikaanse kust naar Arabische gebieden ten noorden daarvan. Ook wordt er zeer weinig gemeld over de pogingen om slaven te maken van de -vrijwel uitgestorven- inheemse bewoners van de Antillen, ook wel Indianen genoemd.

Kind aan de ketting, opgroeien in slavernij toen en nu
Redactie Aspha Bijnaar
KIT publishers, Amsterdam 2010
29,50 Euro

EINDE ARTIKEL
”Lezen en schrijven was lange tijd aan slaven verboden. De angst voor de kracht van de pen en de macht van het geschreven woord speelden bij het koloniale gezag een grote rol. De slaven konden beter dom worden gehouden, geletterdheid en slavernij gingen niet samen.”
SLAVEN AAN HET WOORD

Slaven en ex-slaven aan het woord; een ander geluid

Teksten uit de zeventiende en achttiende eeuw over slavernij en het leven in de koloniën zijn over het algemeen geschreven door blanke Europeanen. Het merendeel van deze ‘koloniale literatuur’ volstaat ermee ‘de Ander’ of de slaaf weer te geven in racistische stereotypen. Ondanks deze blanke overheersing in de letteren zijn er wel degelijk voorbeelden van geschriften waarin slaven of ex-slaven aan het woord komen. Enkele voormalige slaven uit de Engelse koloniën die de pen ter hand hebben genomen zijn zelfs beroemd geworden, zoals Olaudah Equiano, Phillis Wheatley en Frederick Douglass.

Recentelijk is in het slavernij-onderzoek meer belangstelling ontstaan voor het perspectief van de ‘ander’, mensen die slavernij aan den lijve ondervonden hebben. Want, zoals de naar Canada gevluchte Amerikaanse slaaf John Little zei:

‘Tisn’t he who has stood and looked on, that can tell you what slavery is – ’tis he who has endured.’[1]

De dagelijkse praktijk van de slavernij kan het beste worden beschreven door degene die haar aan den lijve heeft ervaren. In de Verenigde Staten zijn de afgelopen decennia honderden ‘slave narratives’ gepubliceerd. The Library of Congress is in 1936 begonnen met het vastleggen van interviews met voormalige slaven. In dit ‘Federal Writers’ Project’ werden binnen twee jaar meer dan 2300 verslagen vastgelegd van mensen die de slavernij in de Verenigde Staten nog hadden meegemaakt. De ‘oral history’ van een verdwijnende generatie werd op de valreep geregistreerd.

Noord-Amerika: de eerste zwarte stemmen

Het oudst bekende gedicht van Afro-Amerikaanse origine is van Lucy Terry Prince (ca. 1730-1821) en dateert van 1746. Lucy Terry werd als kind gestolen in Afrika en verkocht aan een plantagehouder in Massachusetts. Later werd ze vrijgekocht door een vrije zwarte man die met haar trouwde. In haar jeugd werd het dorp in Massachusets waar ze woonde overvallen door Indianen, wat aan verscheidene inwoners het leven kostte. Ze schreef over die gebeurtenis het gedicht ‘Bars Fight’, dat mondeling werd overgeleverd en pas in 1855 in druk zou verschijnen.

Jupiter Hammon (1711-1806) wordt beschouwd als de eerste zwarte schrijver in de Verenigde Staten. In 1761 werd zijn gedicht ‘An Evening Thought: Salvation by Christ with Penitential Cries’ gepubliceerd – het eerste werk van een zwarte auteur dat in Noord-Amerika werd gedrukt. Naderhand verschenen van zijn hand meer christelijke gedichten en preken. Hammon was voorstander van een geleidelijke afschaffing van de slavernij. Hij was de overtuiging toegedaan dat zwarte slaven aanspraak konden maken op een plaats in de hemel, omdat ze op aarde al zo veel hadden geleden.

Bekender dan Terry en Hammon is de dichteres Phillis Wheatley (1753-1784), die in 1773 de bundel Poems on Various Subjects publiceerde. Wheatley was geboren in Senegal, gevangen genomen en op zevenjarige leeftijd als slavin verkocht aan een rijke koopman in Boston. Zij was de eerste Afro-Amerikaanse vrouw die een boek publiceerde en daarmee bekendheid verwierf in binnen- en buitenland. In 1775 schreef ze het gedicht ‘To His Excellency, George Washington’, opgedragen aan de zojuist benoemde bevelhebber van de Amerikaanse opstandelingen, die in 1789 de eerste president van de Verenigde Staten zou worden. Phillis Wheatley werd in 1776 door Washington bij hem thuis uitgenodigd als dank voor het gedicht.

Omdat blanke kolonisten betwijfelden of een Afrikaanse slavin zulke goede poëzie kon schrijven, moest ze zich in 1772 voor een rechtbank verdedigen. Het literaire tribunaal achtte bewezen dat zij inderdaad de auteur was van de gedichten die op haar naam stonden. In 1773 vergezelde zij de zoon van haar meester John Wheatley naar Londen, waar ze werd gefêteerd in het gezelschapsleven en waar haar dichtbundel werd gepubliceerd. In 1778, na de dood van haar meester, verkreeg Phillis Wheatley haar manumissie en was voortaan een vrije vrouw. Drie maanden later trouwde ze met een eveneens vrije zwarte man, die een winkel dreef. Het echtpaar verloor twee kinderen en raakte tot overmaat van ramp in financiële moeilijkheden. Phillis Wheatley overleed in 1784 op 31-jarige leeftijd in armoedige omstandigheden.

Engeland: ‘Black Britons’

De meest fameuze schrijvende (ex-)slaaf is Olaudah Equiano, die rond 1745 werd geboren in het huidige Nigeria.[2] Op elfjarige leeftijd werd hij gevangen genomen en aan Europese slavenhandelaren verkocht. Via Barbados kwam hij terecht in de toenmalige Britse kolonie Virginia in Noord-Amerika. In 1754 werd hij verkocht aan een kapitein bij de Britse marine, die hem voorzag van de fantasienaam ‘Gustavus Vassa’, naar de gelijknamige Zweedse koning uit de zestiende eeuw. Equiano bekeerde zich op aandringen van zijn meester tot het christendom en leerde lezen en schrijven. Uiteindelijk werd hij verkocht aan Robert King, een koopman uit Philadelphia die tot de Quakers behoorde. King bood Equiano in 1765 de mogelijkheid om voor £ 40 zijn vrijheid te kopen. Equiano vertrok rond 1770 als vrij man naar Londen en raakte daar bevriend met leden van de beginnende abolitionistische beweging.

In het begin van de jaren tachtig voorzag hij abolitionisten zoals Granville Sharp van informatie over de slavenhandel. De drijvende krachten van de beweging tegen slavernij en slavenhandel moedigden hem aan zijn levensverhaal op papier te zetten. Met financiële steun van rijke abolitionisten verscheen in 1789 The Interesting Narrative of the Life of Olaudah Equiano, or Gustavus Vassa, the African. Er volgde verschillende drukken en vertalingen. Reeds in 1790 verscheen een Nederlandse editie bij uitgever P. Holsteyn in Amsterdam: Merkwaardige levensgevallen van Olaudah Equiano of Gustavus Vassa, den Afrikaan. Door hem zelven beschreeven.

Equiano’s levensverhaal is één van de invloedrijkste ‘slave narratives’. Zijn levendige beschrijvingen van de wreedheid jegens slaven in het Caribisch gebied en Virginia leidden tot verontwaardiging en protesten tegen de slavernij. Hij gaf lezingen in Engeland, Schotland en Ierland. Naar verluidt was Equiano’s relaas ook van invloed op de totstandkoming van de ‘Act for the Abolition of the Slave Trade’ (1807), die de slavenhandel verbood.

Ignatius Sancho (± 1729-1780) maakte in Engeland deel uit van de culturele elite van zijn tijd. Hij was niet alleen schrijver, maar ook componist en acteur. Hij was onder meer bevriend met Laurence Sterne, die in een ander artikel in deze Boekenwereld aan de orde komt. Mede dankzij zijn briefwisseling met de beroemde auteur van Tristram Shandy stond Sancho in literaire kringen te boek als de ‘African man of Letters’. Evenals Equiano was hij betrokken bij de abolitionistische beweging in Engeland.

Sancho was geboren aan boord van een slavenschip. Na de dood van zijn moeder en de zelfmoord van zijn vader werd hij op tweejarige leeftijd naar Engeland gebracht. Hij kwam later als bediende terecht in de huishouding van de hertog van Montagu en deze bevoorrechte omgeving stelde hem in staat onderwijs te volgen. Toen de hertogin in 1751 overleed, ontving Sancho een erfenis van £ 70 en een jaarlijkse toelage van £ 30. In 1774 begon hij een kruidenierswinkel in Mayfair in Londen, die een trefpunt werd voor zijn literaire, kunstzinnige en abolitionistische vrienden.

Hij publiceerde een Theory of Music en twee toneelstukken, correspondeerde met de kopstukken van zijn tijd en schreef ingezonden stukken in de kranten. Voor zover bekend is hij de eerste zwarte Engelsman die in parlementsverkiezingen zijn stem uitbracht. In 1782, twee jaar na zijn dood, verscheen een bundeling van 160 van zijn brieven onder de titel The Letters of the Late Ignatius Sancho, an African.

Een andere schrijvende zwarte Engelsman bezocht Nederland halverwege de achttiende eeuw. Ukawsaw Gronniosaw, ook bekend als James Albert, was rond 1705 geboren in het noordoosten van het huidige Nigeria. Naar eigen zeggen was hij de kleinzoon van de koning van Zaara. Op vijftienjarige leeftijd werd hij verkocht aan een Nederlandse scheepskapitein, die hem doorverkocht aan een Amerikaan in Barbados. Deze verkocht hem op zijn beurt aan een dominee in New York. Na diens overlijden raakte Gronniosaw op drift als kok op een kaperschip en soldaat in het Engelse leger. Hij diende op verschillende plaatsen in het Caribisch gebied, maar kreeg genoeg van het soldatenleven en besloot naar Engeland te vertrekken.

Daar publiceerde hij in 1772 zijn Narrative of the Most remarkable Particulars in the Life of James Albert Ukawsaw Gronniosaw, an African Prince. Uit de avontuurlijke autobiografie blijkt dat Gronniosaw rond 1750 enige tijd in Amsterdam heeft gewoond. Hij werkte daar als butler bij een rijke koopman, die hem meer als een vriend dan als een bediende behandelde. De familie probeerde Gronniosaw over te halen langer in Amsterdam te blijven, maar het verlangen naar zijn geliefde in Londen was te sterk.

Suriname: brieven van (ex-)slaven

Ook voor de Nederlandse slavernijgeschiedenis geldt dat de meeste schriftelijke bronnen afkomstig zijn van de blanke koloniale elite. Wel vinden we in verslagen van de Evangelische Broedergemeente regelmatig beschrijvingen van individuele slaven of bosnegers.[3] Er zijn echter weinig verhalen bekend van slaven of voormalige slaven die zelf de pen ter hand hebben genomen. De eerste echte aanklacht tegen slavernij door een Afro-Surinamer is Wij Slaven van Surinamevan Anton de Kom (1898-1945). Dit boek werd in 1934 in Nederland uitgegeven, meer dan zeventig jaar na de afschaffing van de slavernij. De Kom was weliswaar een nazaat van slaven, maar had de slavernij niet meer aan den lijve ervaren.

Pas de afgelopen jaren komen dankzij wetenschappelijk onderzoek bronnen aan het licht die zijn geschreven door (ex-)slaven. Een van hen is Boston Band, die rond 1750 vanuit Jamaica naar Suriname kwam en daar in 1766 overleed.[4]Waarschijnlijk kwam hij mee met David Dandiran, die directeur werd van de houtplantage Beerenburg. De slaaf Boston Band moet een geprivilegieerde positie hebben ingenomen in het bedrijf van Dandiran, want hij kon lezen en schrijven. Toch ontvluchte hij in 1757 de plantage en ontwikkelde zich tot een van de aanvoerders van de rebellerende slaven in de grote Tempati-opstand in Oost-Suriname.

Direct na zijn vlucht schreef Boston Band verscheidene Engelstalige brieven aan het gouvernement in Paramaribo. Helaas zijn de originele brieven – minstens achttien stuks – niet bewaard gebleven, maar van elf zijn Nederlandse vertalingen teruggevonden. Bands brieven waren erop gericht om vrede te bewerkstelligen tussen de Marrons en de troepen van het koloniale gezag die jacht op hen maakten.

Hij was niet de enige Marron die via brieven van zich deed horen. Een andere Marronleider die zijn visie op de slavernij aan het papier toevertrouwde was Quakoe van Sara de la Para (zijn achternaam geeft aan dat hij een slaaf was van de joodse Sara de la Para). Quakoe had een goede reden om naar de ‘Boschnegers’ te vluchten – zijn meesteres Sara was van plan hem de neus en oren af te snijden.[5]

Niet alle schrijvende (ex-)slaven in Suriname streefden naar afschaffing van de slavernij of een betere behandeling van slaven. Sommige briefschrijvers kozen (ook) de kant van het koloniale gezag, zoals Quassie van Nieuw Timotibo (met het voorbehoud dat hij wellicht zijn brieven dicteerde omdat hijzelf niet kon schrijven). Quassie werd geboren rond 1692 in West-Afrika,  en als slaaf naar Suriname gebracht. Hij nam deel aan de strijd tegen de weggevluchte slaven en werd als beloning daarvoor in 1755 vrijgemaakt. In 1776 ging hij op audiëntie bij stadhouder Willem V. Het bezoek aan de Republiek leverde de gezagsgetrouwe ex-slaaf vele eerbewijzen op: een rotting met zilveren knop, een ringkraag met het wapen van de Sociëteit, een gepluimde hoed, een degen en een zware vergulde plaat met de toepasselijke inscriptie: ‘Quasje getrouw voor de blanken’.[6]

Er waren ook slaven die zich om religieuze redenen wilden onttrekken aan de slavernij. Kwakoe – niet dezelfde als de eerder genoemde Quakoe – was een slaaf die zich tot het christendom had bekeerd en als kok voor het gouvernement werkte. Dankzij zijn bekering had hij de gelegenheid gehad te leren lezen en schrijven. In 1740 schreef hij drie brieven naar de ‘Edele Grootachtbare heren van de Sociëteit van Suriname’. Hij verzocht daarin om zijn vrijlating, omdat hij het als christen niet verdroeg nog langer tussen de heidense slaven te verkeren. Een jaar later verkreeg hij inderdaad zijn vrijheid en vanaf dat moment ging hij door het leven als Cornelis van Maarssen.

Onlangs kwam een bijzondere brief aan het licht. Op 14 maart 1795 schreef Wilhelmina van Kelderman uit Paramaribo een brief aan Engelbertus Kelderman in Amsterdam. De bejaarde Wilhelmina was vermoedelijk een (voormalige) slavin van Kelderman. Zij schrijft: ‘Mijn meester, ach neemt mijn beede aan, verhoort teevens ook mijn smeeken, verwerpt mij niet […].’ Ze ontvangt een toelage van haar meester en heeft de beschikking over een slavinnetje dat haar moet verzorgen. Kelderman zelf woont in Amsterdam en laat zijn zaken in Suriname beheren door een zekere Wijne.

Wilhelmina heeft het verzoek gekregen de zorg op zich te nemen voor de zuigeling van een nicht van Kelderman, die in het kraambed is gestorven. Zij heeft daarin toegestemd en is ingetrokken bij de weduwnaar, die na verloop van tijd hertrouwt. Dan blijkt Wijne opeens van mening dat zijn zorgplicht voor Wilhelmina is afgelopen: zij heeft zolang bij haar nieuwe meester verkeerd, dat deze maar voor haar moet zorgen. Hij weigert Wilhelmina onderdak te verschaffen en stuurt haar slavinnetje terug naar de plantage. Wilhelmina heeft geen inkomsten meer en staat op straat. In haar brief verzoekt ze Kelderman ervoor te zorgen dat ze haar huisje en toelage terugkrijgt. Haar jammerklacht heeft Amsterdam nooit bereikt, want hij is onlangs gevonden in de Britse National Archives in Kew bij Londen. Hier liggen ca. 38.000 Nederlandse brieven en documenten die in de zeventiende en achttiende eeuw door de Engelsen werden buitgemaakt bij het kapen van Nederlandse schepen.[7]

 Gelaagdheid

Het zoeken naar uitingen van zwarte of halfbloed (ex-)slaven wordt bemoeilijkt doordat – in tegenstelling tot de gangbare opvatting – huidskleur niet in alle opzichten bepalend was voor de koloniale samenleving. Al in de achttiende eeuw kende Suriname vele ‘vrije zwarten en kleurlingen’, die in het onderzoek vaak worden verwaarloosd. In 1811 overstijgen ze de blanke Europese kolonisten in aantal. Van beroep zijn ze kantoorklerk, ambtenaar, koopman, onderwijzer of vervullen ze administratieve functies op de plantages en in het koloniaal bestuur. Van veel mensen die documenten hebben nagelaten in de archieven weten we eenvoudig niet welke huidskleur ze hadden.

Soms kunnen we dat door genealogisch onderzoek vaststellen. Zo is Albertus Craamer een mulat, want zijn moeder wordt omschreven als de ‘christene neegerin’ Albertina Maria.[8] Albertus is een slaaf van de Sociëtiet van Suriname en werkzaam bij de ‘guarnisoenschrijverij’. In 1783 verkrijgt hij zijn vrijheid. Daartoe leent de raad-fiscaal Cornelis Karsseboom hem het geld om twee slaven te kopen, die hij in ruil voor zijn eigen vrijheid aan de Sociëteit overhandigt. Craamer, die in dienst treedt bij Karsseboom, schrijft in een brief aan de directeuren van de Sociëteit dat het een schande is voor het ‘gansch christelijke geslachte’ dat slaven als beesten verkocht worden. Zijn pogingen om zijn eveneens gedoopte broers in 1784 vrij te krijgen mislukken.

Om een juist beeld te krijgen van de slavensamenleving en het slavenleven zijn zulke verhalen van (voormalige) slaven onontbeerlijk. En wat te denken van zwarte of gekleurde plantagedirecteuren? Die waren er in de negentiende eeuw namelijk volop. Een van hen was Egbert Jacobus Bartelink (1834-1919), die bovendien schreef. In 1914, op tachtigjarige leeftijd, publiceerde hij Hoe de tijden veranderen: herinneringen van een ouden planter.[9] Bartelink had de periode vóór de afschaffing van de slavernij meegemaakt. Interessant voor ons is natuurlijk dat hij het leven op de plantage en de slavernij van nabij kende. Hij was, zoals hij zelf zegt, een ‘afstammeling van het zwarte ras’.

Tot voor kort was er weinig belangstelling voor het zwarte perspectief op de slavernij. Lezen en schrijven was lange tijd aan slaven verboden. De angst voor de kracht van de pen en de macht van het geschreven woord speelden bij het koloniale gezag een grote rol. De slaven konden beter dom worden gehouden, geletterdheid en slavernij gingen niet samen. Nu blijkt uit recent onderzoek dat schrijvende (ex-)slaven vaker voorkwamen dan we tot nu toe aannamen. Het maakt nieuwsgierig naar meer. Voor wie de complexiteit en de gelaagdheid van de slavernij wilt begrijpen zijn deze ooggetuigen, die de slavernij aan den lijve ondervonden, van onschatbare waarde.

Carl Haarnack

 

(Dit artikel verscheen eerder onder de titel Schrijvende (ex-) slaven in het Themanummer Slavernij Verbeeld van De Boekenwereld, jaargang 29,  nr 4, 2013)

 

Noten

[1] Library of Congress, Federal Writers´ Project 1936-1938.

[2] Equiano’s geboorteplaats is onderwerp van discussie. Vincent Carretta heeft gesuggereerd dat hij in Carolina geboren is en niet in Afrika. Dan zou het eerste deel van zijn autobiografie gebaseerd zijn op verhalen die hij heeft gehoord of op boeken die hij heeft gelezen. Vanaf 1754 zijn de gebeurtenissen verifieerbaar en kunnen we aannemen dat zijn levensverhaal waar en accuraat is. Mogelijk dat hij zijn strijd voor afschaffing van de slavernij kracht wilde bijzetten door Nigeria te kiezen als geboorteland. Het doet m.i. ook weinig af aan de overtuigende wijze waarop hij de ontberingen en de onmenselijkheid van de slavernij blootlegt. Brycchan Carey gaat in op de discussie rond de geboorteplaats van Equiano: http://www.brycchancarey.com/equiano/nativity.htm.

[3] Johannes King (1830-1898) schreef tussen 1864 en 1895 ruim duizend pagina’s over de geschiedenis van de Marrons, zijn familie en zijn ervaringen als zendeling van de Evangelische Broedergemeente: dagboeken, reisverslagen en verhalen over visioenen die hij kreeg. Hij leerde zichzelf schrijven met behulp van bijbelvertalingen en liedboeken, toen hij ongeveer 32 jaar oud was. King behoorde tot de Matawai (Matoewari) en was de eerste belangrijke schrijver in het Sranan Tongo. Zie: https://bukubooks.wordpress.com/2012/05/27/king.

[4] Frank Dragtenstein, Alles voor de vrede. De brieven van Boston Band tussen 1757 en 1763 (Amsterdam/Den Haag 2010).

[5] Jan Jacob Hartsinck, Beschryving van Guiana, of de Wilde Kust… (Amsterdam 1770), p. 795.

[6] Frank Dragtenstein, ‘Trouw aan de blanken’ Quassie van Nieuw Timotibo, twist en strijd in de 18de eeuw in Suriname (Amsterdam 2004).

[7] Dirk Tang vond deze brief. Zie idem en Jean Jacques Vrij, ‘Mijn meester, ach neemt mijn beede aan….’, in: Geschiedenis Magazine 44/5, juli-augustus 2009. Een transcriptie is te lezen op www.sailingletters.nl.

[8] Jean Jacques Vrij, ‘Suriname. Archiefervaring 9’. In: De Bovenkamer, magazine van het Algemeen Rijksarchief (1998), nr. 2.

[9] Zie https://bukubooks.wordpress.com/2012/01/09/bartelink.

EINDE ARTIKEL

[70]
WIKIPEDIA
PIET EMMER
UNIVERSITEIT VAN LEIDEN
PIET EMMER
PROFESSOR EMERITUS OF HISTORY

Piet Emmer is Professor Emeritus in the History of European expansion and migration at the Leiden University Institute for History (chair from 1991 to 2009). As he is no longer working at the Institute, you can best contact him by email.

Fields of interest

The History of European Expansion; Migration history

Major publications

Bade, K.J., Emmer, P.C., Lucassen, L. en Oltmer, J. (eds.), Enzyklopädie Migration in Europa vom 17. Jahrhundert bis zur Gegenwart (München, 2007)

P.C. Emmer, O. Petre-Grenouilleau, and J.V. Roitman, A Deus ex Machina Revisited: Atlantic Colonial Trade and European Economic Development, (Leiden: Brill, 2006).

  • P.C.Emmer, De Nederlandse slavenhandel 1500-1850 (Amsterdam, 2000)
  • P.C.Emmer (ed), General History of the Caribbean, vol II, New Societies: The Caribbean in the Long Sixteenth Century (Macmillan, 1999).
  • P.C.Emmer, The Dutch in the Atlantic Economy (Aldershot, 1998)
  • P.C. Emmer, “Die Karibische Gebiete”, in: Horst Pietschmann (ed.), Handbuch der Geschichte Lateinamerikas (Stuttgart, 1994), pp. 720-750.
  • P.C. Emmer & Magnus Mörner eds. European Expansion and Migration (Oxford, 1992)
  • P.C. Emmer, Europa’s expansie in het Atlantisch gebied: wandaad of weldaad? (Leiden, 1991)
EINDE BERICHT
Creative Commons

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!