De community ruimte is een vrije online ruimte (blog) waar vrijwilligers en organisaties hun opinies kunnen publiceren. De standpunten vermeld in deze community reflecteren niet noodzakelijk de redactionele lijn van DeWereldMorgen.be. De verantwoordelijkheid over de inhoud ligt bij de auteur.

Noten 1 t/m 40/Eenzame Aanslagpleger/Arnon Grunberg’s gevaarlijke bagatellisering van president Macron’s heksenjacht op moslims

Noten 1 t/m 40/Eenzame Aanslagpleger/Arnon Grunberg’s gevaarlijke bagatellisering van president Macron’s heksenjacht op moslims

vrijdag 18 december 2020 03:54
Spread the love
[1]
WIKIPEDIA
ARNON GRUNBERG
[2]
”Hafid Bouazza is onze favoriete zandneger……”
GEEN STIJL
SENTIMENTELE HARTJES VOOR HAFID
HAFID BOUAZZA VINDT HET HEERLIJK IN NEDERLAND
(MAAR HOUDT NIET VAN KNOTJESMORALISTEN M/V)

Hafid Bouazza is onze favoriete zandneger. Al was het maar omdat hij de Nederlandse taal beter beheerst dan wij zelf (wijzelf?). Glimmende trots gloeit in onze roze hartjes als Hafid zijn begeestering over GeenStijl betuigt, en in een eerbiedig traag tempo spellen wij zijn spaarzame stukken als die opduiken op het internet. Maar genoeg sentimenteel geslijmjurk. Daar houdt Hafid niet van en wij zijn er trouwens ook veuls te boertig voor. Laten we het liever over de inhoud hebben. Over zijn duiding van de moraal van de goede strijd, de strijd vóór het immer subtiel zwarten van de ziel van de polemiek en de satire. Parbleu alsook nou moe, we gaan er zowaar wat pedant van tikken zeg. Dat moet je maar ff negeren – we hebben dus net een verse Hafid gelezen en dan krijg je last van aspiraties die wat te hoog boven onze petjes gaan. Laten we onszelf dus vooral niet overschatten door naast ons toetsenbord te gaan lopen – beter houden we het in gepaste bescheidenheid op een stukje citaat, met een verwijzing naar de bron. Hafid said it better, anyway:

‘Geef de mens vrijheid en je krijgt de volle mens ervoor terug’

“Polemiek en satire moeten per definitie genadeloos zijn. Als deze twee bloedverwanten zich zouden conformeren aan de normen en waarden van wat zij verbaal (of visueel) bestrijden, dan zijn ze het niet waard de namen polemiek en satire te dragen. Buigen voor de regels van wat voor autoriteit je ook bevecht, of zij cultureel, moreel, artistiek, journalistiek van aard is, is beelden met knuffelbeesten proberen te breken. Zo zijn wij en iconoclasme niet getrouwd. Zo zet men sentimentaliteit en huichelarij niet in hun voddige hemd. Men zou ze dan enkel met een brokaten mantel bedekken. Slippendragers zijn iets geheel anders dan ballenknijpers, al gebruiken ze dezelfde ledematen voor beide activiteiten.”

[3]

[VOLKSKRANT STUKJE ARNON GRUNBERG]/EEN SLORDIG

EXCUUS VOOR HAAT

VOLKSKRANT

VOETNOOT ”VERVUILEN”

ARNON GRUNBERG

”Hef een lofzang aan op de vrije vrouw, anders zullen de zandnegers of de opgezwollen scrotumkoppen de lucht en het leven hier alleen maar vervuilen.”Aldus schrijver Hafid Bouazza zaterdag in het NRC Handelsblad.Nog niet zo heel lang geleden dreigde een andere bevolkingsgroep het leven en de lucht in Europa te vervuilen, maar historisch besef is ongewenst.

Het gebruik van het woord ”zandnegers” lijkt me geen toeval.De reacties op de gebeurtenissen in Keulen herinneren aan de duistere tijden in het zuiden van de Verenigde Staten toen vermeend of werkelijk geweld van zwarte mannen tegen blanke vrouwen een excuus was voor lynchpartijen.De hedendaagse morele verontwaardiging heeft niets van doen met empathie voor slachtoffers of de behoefte problemen op te lossen.Pegida en haar aanhangers willen gewoon, dat alles wat niet wit, ziek of anderszins onrein is, uit Europa verdwijnt.Moraal anno 2016? Een slordig excuus voor haat.
Arnon Grunberg”https://www.astridessed.nl/volkskrant-stukje-arnon-grunberg-een-slordig-excuus-voor-haat/

ZIE OOK VOOR INHOUD:

https://twitter.com/oscarvang/status/686454392904675330

Voetnoot van

vandaag: ‘Moraal anno 2016? Een slordig excuus voor haat.’

Image

[4]
4 MEI VOORDRACHT 2020
ARNON GRUNBERG
NEE
ZIE VOOR TEKST OOK:
4 MEI VOORDRACHT 2020 ARNON GRUNBERG
[OVERGENOMEN DOOR ASTRID ESSED]
[5]
”Als we ontkennen dat de ziektes van de vorige eeuw, die van het geïndustrialiseerde totalitarisme, van het tot genocide verworden antisemitisme, van het biologisch racisme, diep in onze cultuur zitten, dan weten we niet wie we zijn. En juist dan zijn wij vatbaar voor verleiders die ons komen vertellen wie wij zijn en wie wij moeten vrezen.”
EN
” Ik had toen niet gedacht dat ik een paar decennia later als columnist voor een Nederlandse krant een reeks onbeschaamd antisemitische e-mails zou ontvangen. Ik dacht toen dat het taboe te groot was. Dat was naïef. En het is ook logisch dat als er gesproken wordt over bepaalde bevolkingsgroepen op een manier die doet denken aan de meest duistere tijd uit de twintigste eeuw, als dat gewoon is geworden, er vroeg of laat op die manier ook weer over Joden gesproken kan worden.

Voor mij was het van begin af aan duidelijk: als ze het over Marokkanen hebben, dan hebben ze het over mij.”

4 MEI VOORDRACHT 2020
ARNON GRUNBERG
NEE
ZIE VOOR TEKST OOK:
4 MEI VOORDRACHT 2020 ARNON GRUNBERG
[OVERGENOMEN DOOR ASTRID ESSED]
[6]
WIKIPEDIA
JAN WIJENBERG
[7]
”In augustus 2020 schreef schrijver en columnist Arnon Grunberg een brief aan Wijenberg, waarin hij hem een antisemiet noemde”
WIKIPEDIA
JAN WIJENBERG
[8]
”Arnon

Grunberg

31 jul. 2020 20:07 (8 dagen
geleden)

aan mij

Geachte heer Wijenberg,
Ik heb uw bijlagen gelezen. De politiek van de staat Israël staat los van de
herdenkingen van de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Elke poging die
twee met elkaar in verband te brengen is gecamoufleerd of minder gecamoufleerd
antisemitisme.”

…..
…..
Op vr 31 jul. 2020 om 20:07 schreef Arnon Grunberg

Arnon
Grunberg
m>

1 aug. 2020 14:01 (7 dagen
geleden)

aan mij

Waarde heer Wijenberg,
De politiek van de staat Israël staat los van de vraag hoe de Tweede Wereldoorlog in
Nederland of elders herdacht moet worden. Zoals ook de beoordeling van de huidige
politiek van de regeringen in Bolivia en Peru volledig losstaat van (onze beoordeling
van) de genocide op de oorspronkelijke bevolking in die en andere landen in die
contreien enkele eeuwen geleden.

…..
…..
”U bent een antisemiet. Het spijt me zeer dat u net iets te laat bent geboren om lid te

worden van de Waffen-SS om eigenhandig Joden in Oost-Europa te fusilleren, dat

spijt u zelf kennelijk ook……” 
 
VERHITTE DISCUSSIE TUSSEN OUD AMBASSADEUR JAN WIJENBERG EN SCHRIJVER ARNON GRUNBERG/AANLEIDING:
BRIEF WIJENBERG OVER 4 MEI HERDENKING
ASTRID ESSED
25 AUGUSTUS 2020
 
[9]

Ik wil u zeker niet reduceren tot uw

antisemitische uitlatingen, u bent veel meer dan uw antisemitische uitlatingen. Misschien kunt u me

een lijstje sturen met wat u nog meer bent. Mens natuurlijk, oud-ambassadeur, beweert u. Wat hebt u

allemaal bereikt als oud-ambassadeur? Behalve wat relletjes? Wat had u willen bereiken? Et cetera.

Misschien kunt u me een lijstje sturen met de mensen die zich om u bekommeren?  Dan kan ik ook

deze mensen interviewen. Allicht zijn uw artsen bereid met uw toestemming ook met mij te spreken,

dat lijkt me nuttig voor het project.

Graag dus ook een lijstje met namen en contactgegevens van uw artsen.

Hoe dan ook heb ik van een

arts een schriftelijke verklaring nodig dat u wilsbekwaam bent anders zou een dergelijk project

immoreel zijn. Het gaat mij erom uw leven en uw opvattingen recht te doen, hoe beperkt en

antisemitisch uw uitlatingen ook moge zijn, ik wil u nogmaals graag recht doen.

…..

…..

”Maar graag eerst even een officiële bevestiging van de arts die u behandelt dat u handelings- en

wilsbekwaam bent en daarna zetten we dit in de steigers.

Ik zie uit naar onze ontmoeting en naar de week of tien dagen die ik bij u zal doorbrengen. En vooral

ook naar de gesprekken met de mensen in uw omgeving.

Maar graag eerst, nogmaals, dit is echt belangrijk, omdat ik voor alle betrokkenen dit project graag

correct wil uitvoeren, een verklaring van de behandelend geneesheer.”

DISCUSSIE TUSSEN JAN WIJENBERG [OUD AMBASSADEUR]

EN ARNON GRUNBERG [SCHRIJVER]/LAATSTE, RONDUIT

MISSELIJKE MAIL VAN GRUNBERG AAN WIJENBERG DD 12

AUGUSTUS

ASTRID ESSED

26 AUGUSTUS 2020

https://www.astridessed.nl/discussie-tussen-jan-wijenberg-oud-ambassadeur-en-arnon-grunberg-schrijver-laatste-ronduit-misselijke-mail-van-grunberg-aan-wijenberg-dd-12-augustus/

[10]

VERHITTE DISCUSSIE TUSSEN OUD AMBASSADEUR JAN WIJENBERG EN SCHRIJVER ARNON GRUNBERG/AANLEIDING:
BRIEF WIJENBERG OVER 4 MEI HERDENKING
ASTRID ESSED
25 AUGUSTUS 2020
 
DISCUSSIE TUSSEN JAN WIJENBERG [OUD AMBASSADEUR] EN
ARNON GRUNBERG [SCHRIJVER]/LAATSTE MAIL
VAN WIJENBERG AAN GRUNBERG, DD 11 AUGUSTUS
ASTRID ESSED
26 AUGUSTUS 2020

DISCUSSIE TUSSEN JAN WIJENBERG [OUD AMBASSADEUR]

EN ARNON GRUNBERG [SCHRIJVER]/LAATSTE, RONDUIT

MISSELIJKE MAIL VAN GRUNBERG AAN WIJENBERG DD 12

AUGUSTUS

ASTRID ESSED

26 AUGUSTUS 2020

https://www.astridessed.nl/discussie-tussen-jan-wijenberg-oud-ambassadeur-en-arnon-grunberg-schrijver-laatste-ronduit-misselijke-mail-van-grunberg-aan-wijenberg-dd-12-augustus/

[11]

”Op vr 31 jul. 2020 om 20:07 schreef Arnon Grunberg

Arnon
Grunberg
m>

1 aug. 2020 14:01 (7 dagen
geleden)

aan mij

Waarde heer Wijenberg,
De politiek van de staat Israël staat los van de vraag hoe de Tweede Wereldoorlog in
Nederland of elders herdacht moet worden. Zoals ook de beoordeling van de huidige
politiek van de regeringen in Bolivia en Peru volledig losstaat van (onze beoordeling
van) de genocide op de oorspronkelijke bevolking in die en andere landen in die
contreien enkele eeuwen geleden.

…..
……
”Uw quasi-juridische formuleringen wijzen noch op intelligentie noch op werkelijke

kennis van het recht, internationaal of niet…..”

 
VERHITTE DISCUSSIE TUSSEN OUD AMBASSADEUR JAN WIJENBERG EN SCHRIJVER ARNON GRUNBERG/AANLEIDING:
BRIEF WIJENBERG OVER 4 MEI HERDENKING
ASTRID ESSED
25 AUGUSTUS 2020
 
[12]
KWAADAARDIGE ”WAFFEN SS” BESCHULDIGING EN MEGALOMAAN
GERAASKAL VAN SCHRIJVER ARNON GRUNBERG/BRIEF AAN NRC HOOFDREDACTEUR OVER GRUNBERG’S MINDERWAARDIGE AANVAL OP
WIJENBERG
ASTRID ESSED
26 AUGUSTUS 2020
KWAADAARDIGE ”WAFFEN SS” BESCHULDIGING EN MEGALOMAAN
GERAASKAL VAN SCHRIJVER ARNON GRUNBERG/BRIEF AAN
VOLKSKRANT HOOFDREDACTEUR OVER GRUNBERG’S MINDERWAARDIGE AANVAL OP WIJENBERG
ASTRID ESSED
26 AUGUSTUS 2020
DE ANDERE KANT VAN ARNON GRUNBERG/BRIEF AAN AMNESTY
INTERNATIONAL MAANDBLAD WORDT VERVOLGD OVER GRUNBERG’S
ONDER DE GORDEL AANVALLEN OP JAN WIJENBERG
ASTRID ESSED
1 SEPTEMBER 2020
DE ANDERE KANT VAN ARNON GRUNBERG/DEEL 2/BRIEF AAN BESTUUR
EN DIRECTIE VAN AMNESTY INTERNATIONAL OVER GRUNBERG’S
AD HOMINEM AANVALLEN OP JAN WIJENBERG
ASTRID ESSED
2 SEPTEMBER 2020
[13]
DE ANDERE KANT VAN ARNON GRUNBERG/DEEL 3/AMNESTY
INTERNATIONAL,SHAME ON YOU!/REACTIE OP ANTWOORD AMNESTY
ASTRID ESSED
19 OCTOBER 2020
[14]
”” Voor mij was het van begin af aan duidelijk: als ze het over Marokkanen hebben, dan hebben ze het over mij.’
4 MEI VOORDRACHT 2020
ARNON GRUNBERG
NEE
ZIE VOOR TEKST OOK:
4 MEI VOORDRACHT 2020 ARNON GRUNBERG
[OVERGENOMEN DOOR ASTRID ESSED]
[15]
”Enkele minuten later werd de vermoedelijke dader, Abdullakh Anzorov, geconfronteerd met de politie op ongeveer 600 meter van de plaats delict in Éragny, en de politie probeerde hem te arresteren.”
WIKIPEDIA
MOORD OP SAMUEL PATY/ONDERZOEK
ORIGINELE BRON
WIKIPEDIA
MOORD OP SAMUEL PATY

DE MORGEN.BE

FRANSE LERAAR OP STRAAT ONTHOOFD: POLITIE VERMOEDT VERBAND MET TONEN SPOTPRENT MOHAMMED16 OCTOBER 2020

https://www.demorgen.be/nieuws/franse-leraar-op-straat-onthoofd-politie-vermoedt-verband-met-tonen-spotprent-mohammed~b92375af/?referrer=https%3A%2F%2Fwww.google.nl%2F

TEKST
In een voorstad van Parijs heeft de politie vrijdagmiddag een man doodgeschoten die een geschiedenisleraar op klaarlichte dag op straat heeft onthoofd met een keukenmes. De Franse politiek is diep geschokt over de aanslag. ‘Een burger is vandaag vermoord omdat hij een leraar was, en les gaf over de vrijheid van meningsuiting, aldus de Franse president Emmanuel Macron

Het slachtoffer is onthoofd als mogelijke wraakactie, omdat hij recent een spotprent met een afbeelding van de profeet Mohammed had laten zien in een les over vrijheid van meningsuiting.

De Franse minister van Binnenlandse Zaken Darmanin heeft zijn werkbezoek aan Marokko onderbroken wegens crisisberaad. De Franse politiek vat deze op als een ‘aanval op de Franse Republiek’. ‘Als deze terrorist een onderwijzer vermoordt, is dat omdat hij onze Republiek wil vernietigen, en de Verlichting, de mogelijkheid onze kinderen tot vrije burgers te maken. Dit is ons gevecht,’ aldus Macron op de plaats van de misdaad, die de Franse president omschreef als een ‘islamitische terroristische aanval’. De onderwijsvakbonden roepen alle scholen op zaterdag een minuut stilte te houden.

De openbare aanklager voor terrorismezaken heeft een onderzoek ingesteld naar een ‘terroristische criminele organisatie’. De vermeende dader is volgens de politie een achttienjarige man, geboren in Moskou, maar waarschijnlijk van Tsjetseense afkomst. Hij gaat om met een groep waar ook bij de politie bekende geradicaliseerde moslims bij horen.

De man zou rond half zes ’s middags ‘Allah Akbar’ – God is Groot – hebben geroepen. Daarna stortte hij zich met een keukenmes op een geschiedenisleraar van een nabijgelegen middelbare school in de plaats Conflans Saint-Honorine, een rustige voorstad in het noordwesten van Parijs.

De schooldirectie had recent klachten gekregen van leerlingen en hun ouders over de spotprent van de profeet Mohammed waarmee de leraar tien dagen geleden in de klas een discussie over persvrijheid en vrijheid van meningsuiting op gang bracht. Afbeeldingen van Mohammed zijn volgens de islam een vorm van godslastering.

VIDEO

Op Twitter staat sinds begin oktober een video waarin een vader van een 13-jarige leerling van de school zich beklaagt over een ‘schurk’ die zijn dochter lesgeeft, de bewuste geschiedenisdocent. De man vertelt dat de docent eerst vroeg welke leerlingen moslim waren. Kinderen die hun hand opstaken kregen de mogelijkheid om de klas even te verlaten, omdat hij iets ging laten zien wat voor hen pijnlijk kon zijn. De dochter van de vader op Twitter weigerde te vertrekken en was geschokt door de spotprent, waar Mohammed naakt met de billen omhoog ligt.

De vader vond de gang van zaken zo beledigend voor moslims dat hij in de video andere ouders oproept om zich bij hem te melden, omdat hij vindt dat deze ‘misdadige’ docent niet meer voor de klas mag staan. Eerder keerde hij zich op sociale media al tegen de leraar, omdat die in de klas had ‘opgeschept’ dat hij meedeed aan de herdenking van de aanslag op het satirische blad Charlie Hebdo, waar vijf jaar geleden terroristen het vuur openden op de redactie als vergelding voor het publiceren van een spotprent van Mohammed. ‘Julie hebben zijn naam en zijn adres om STOP te zeggen,’ aldus de vader op Facebook. Het is onduidelijk of de vader en de dader iets met elkaar te maken hebben.

Volgens geschrokken ouders van leerlingen, die vrijdagavond bij de school met Franse media spraken, discrimineerde de leraar niet, maar wilde hij voorkomen dat moslimkinderen in zijn klas gekwetst zouden worden door de cartoon. De leraar ontving volgens de Franse krant Le Figaro dermate ernstige bedreigingen van ouders dat hij aangifte bij de politie heeft gedaan.

Toen de politie vrijdagmiddag na telefoontjes van getuigen, die een man verdacht rond de school hadden zien rondhangen, het onthoofde slachtoffer vond, bevond zich op tweehonderd meter afstand van het lijk een in het zwart geklede man met een mes, een luchtdrukpistool en mogelijk een gordel met explosieven. Na een vluchtpoging weigerde hij zich over te geven en bedreigde de politie. Daarop ‘neutraliseerden’ de agenten hem met een tiental kogels.

Vlak na de onthoofding zou de vermeende dader de aanslag hebben opgeëist op Twitter. Daar is de account van gebruiker @Tchetchene_270 opgeschort na het plaatsen van een foto van een bloederig afgesneden hoofd. De gebruiker beweert in de naam van ‘Mohammed de Barmhartige’ te hebben gehandeld, waarna hij zich aan de Franse president richt. ‘Aan Marcon (sic! red.), leider van de ongelovigen, ik heb één van je hellehonden geëxecuteerd’.Frankrijk is de afgelopen jaren regelmatig opgeschrikt door grote aanslagen door islamitische militanten. De moord op de geschiedenisleraar is het tweede geweldsincident sinds het begin van de rechtszaak tegen betrokkenen bij de aanslag in januari 2015 op Charlie Hebdo. Vorige maand viel een van oorsprong Pakistaanse immigrant twee mensen met een kapmes aan in de buurt van het voormalige redactiekantoor van het tijdschrift.

EINDE BERICHT

HET PAROOL

VERDACHTE ONTHOOFDING FRANSE LERAAR IS TSJETSJEEN

17 OCTOBER 2020

https://www.parool.nl/wereld/verdachte-onthoofding-franse-leraar-is-tsjetsjeen~bbd4d3f0/

TEKST
De verdachte van de onthoofding van een Franse geschiedenisleraar in een Parijse voorstad is een 18-jarige man van Tsjetsjeense afkomst en geboren in Moskou, meldt een justitiële bron aan persbureau AFP.

Nadat vrijdag al vier mensen werden aangehouden, zijn nog eens vijf mensen opgepakt in verband met de zaak. Onder de arrestanten bevinden zich ook de ouders van een leerling die de school bezocht, waar de vermoorde leraar werkte. Het slachtoffer is volgens de politie Samuel Paty, een 47-jarige leraar geschiedenis en aardrijkskunde.

Nadat vrijdag al vier mensen werden aangehouden – twee broers en de grootouders van de verdachte – zijn zaterdag nog eens vijf mensen opgepakt in verband met de zaak. Onder de arrestanten bevinden zich ook de ouders van een leerling die de school bezocht waar de vermoorde leraar werkte. Enkele arrestanten komen uit de familiekring van de dader, die na zijn daad door de politie werd doodgeschoten.

Karikaturen

De leraar werd op straat voor zijn school in de Parijse voorstad Conflans-Sainte-Honorine de keel afgesneden. Hij zou in lessen over de vrijheid van meningsuiting karikaturen van de profeet Mohammed hebben laten zien.

De politie werd kort daarvoor gealarmeerd omdat iemand zich verdacht ophield bij de school. Zij troffen de vermoorde leraar aan en de verdachte, gewapend met een mes, waarmee hij ook de politiemensen bedreigde toen zij hem wilden arresteren. Zij openden daarop het vuur. De verdachte stierf later aan die verwondingen. De aanvaller zou “Allahu Akbar” hebben geroepen naar de politie.

De politie onderzoekt een post op Twitter waarop een foto van het hoofd van het slachtoffer werd getoond. De tweet is inmiddels verwijderd. Het is nog onduidelijk of het bericht door de aanvaller is gepost. Daarin zou ook een dreigement aan het adres van de Franse president Macron staan, die werd beschreven als “de aanvoerder van de ongelovigen”.

Op de school hebben ouders en leraren met bloemen eer betoond aan het slachtoffer.

“Volgens mijn zoon was hij superaardig en supervriendelijk”, zei een van de ouders, Nordine Chaouadi. Over het tonen van de karikaturen zou de leraar volgens haar zoon tegen de moslimkinderen in de klas hebben gezegd: “Verlaat de klas, ik wil jullie gevoelens niet kwetsen.”

Reactie Macron

De Franse president Emmanuel Macron sprak vrijdagavond over een “islamitische terreuraanslag” bij zijn bezoek aan Conflans-Sainte-Honorine, waar hij de plaats van de moord en de school bezocht. “Een burger is vermoord omdat hij leraar was en vrijheid van meningsuiting doceerde”, aldus Macron. “Het hele land staat achter alle leraren in het land.”

Het kabinet van de president kondigde zaterdag een nationaal eerbetoon aan ter ere van Paty.De vereniging van Tsjetsjenen in Europa zei in een verklaring “dat onze gemeenschap net als alle Fransen geschokt is door dit incident”.

EINDE BERICHT

AANSLAG IN NICE

NOS

DRIE DODEN BIJ TERREURAANSLAG IN KERK IN NICE, VERDACHTE AANGEHOUDEN

https://nos.nl/artikel/2354298-drie-doden-bij-terreuraanslag-in-kerk-in-nice-verdachte-aangehouden.html

In de Franse stad Nice zijn drie mensen gedood bij een aanval met een mes. De slachtoffers zijn twee vrouwen en een man. Van zeker een van hen is de keel doorgesneden. Meerdere mensen raakten gewond.

De dader sloeg rond 09.00 uur toe in de kerk Notre-Dame de l’Assomption in het centrum van Nice. Er was geen dienst in de kerk, maar het gebouw was wel open voor gebed.

Allahoe Akbar

Een verdachte is aangehouden. Hij werd daarbij neergeschoten en is gewond afgevoerd naar het ziekenhuis. De burgemeester van Nice zegt dat de man “Allahoe akbar” (God is groot) schreeuwde, ook nog terwijl hij werd verpleegd door ambulancepersoneel.

Burgemeester Estrosi spreekt van een terroristische daad en zegt dat zijn stad opnieuw slachtoffer is van “islamofascisme”. Vier jaar geleden kwamen in de kustplaats 86 mensen om het leven bij een aanslag met een vrachtwagen op de boulevard.

Priester Gil Florini zegt tegen BFMTV dat de kerk enkele dagen geleden is gewaarschuwd voor het risico op een terroristische aanval in aanloop naar Allerheiligen, komende zondag. “We waren een beetje op onze hoede, maar we dachten niet dat het op deze manier zou gebeuren.”

Kort na de aanslag in Nice schoot de politie bij de Zuid-Franse stad Avignon een man dood die omstanders zou hebben bedreigd met een vuurwapen. En in de Saudische havenstad Djedda stak een man een bewaker neer van het Franse consulaat. De medewerker is buiten levensgevaar.

Macron neemt maatregelen

President Macron kwam halverwege de middag aan in Nice om zelf poolshoogte te nemen en de mensen een hart onder de riem te steken. Hij sprak van een islamitische terreuraanslag en zegde toe de beveiliging van scholen en religieuze gebouwen te vergroten. Daarbij zal hij gebruikmaken van het leger, zei hij.

Eerder zei premier Castex al dat de Franse regering met een “stevige en meedogenloze reactie” zal komen. Het veiligheidsniveau van Frankrijk is naar het hoogste niveau bijgesteld.

De Franse koepel van islamitische organisaties CFCM veroordeelt de aanslag en roept Franse moslims op als teken van rouw alle festiviteiten te annuleren rond het Mawlid-feest, waarbij wordt stilgestaan bij de geboortedag van de profeet Mohammed.

De aanval komt twee weken na de onthoofding van de Franse leraar Samuel Paty in de buurt van Parijs. Dat was een reactie op het vertonen van cartoons van de profeet Mohammed in zijn les. In de nasleep van de aanslag nam de Franse regering maatregelen tegen islamitische scholen en verenigingen. Ook wil president Macron de scheiding tussen kerk en staat verder verstevigen.

Daarop ontstond felle kritiek in islamitische landen. De Turkse president Erdogan zei dat Macron psychische hulp nodig heeft en bezig is met een heksenjacht tegen moslims. Ook werd kritiek geuit op solidariteitsacties in onder meer Montpellier en Toulouse, waarbij spotprenten van profeet Mohammed op overheidsgebouwen werden geprojecteerd.

EINDE BERICHT

”De Franse politie heeft een tweede mogelijke handlanger gearresteerd van de moslimextremist die gisteren een aanslag pleegde op een kerk in Nice, waarbij drie mensen om het leven kwamen.”

RTL NIEUWS

TWEEDE MOGELIJKE VERDACHTE AANSLAG

NICE GEARRESTEERD

30 OCTOBER 2020

https://www.rtlnieuws.nl/nieuws/buitenland/artikel/5193883/nice-aanslag-frankrijk-samuel-paty-terreur

De Franse politie heeft een tweede mogelijke handlanger gearresteerd van de moslimextremist die gisteren een aanslag pleegde op een kerk in Nice, waarbij drie mensen om het leven kwamen.

De gearresteerde persoon (35) stond in contact met de dader. Hij zou in ieder geval een dag voor de aanslag nog contact hebben gehad. De dader van de aanslag werd door de politie neergeschoten en kon worden gearresteerd.

Tweede handlanger

Donderdagavond was al een 47-jarige man aangehouden. Ook hij zou op de dag voor de aanslag samen zijn geweest met de 21-jarige moslimextremist die als migrant uit Tunesië in Frankrijk belandde.

Frankrijk gaat gebukt onder een reeks islamitische aanslagen, nadat twee weken geleden de vlam in de pan sloeg toen een leraar op straat werd onthoofd door een terrorist. Die wilde wraak nemen omdat hij gehoord had dat de leraar in de klas spotprenten van Mohammed had laten zien als onderdeel van een les over vrijheid van meningsuiting.

 

EINDE BERICHT

[16]

‘Enkele minuten later werd de vermoedelijke dader, Abdullakh Anzorov, geconfronteerd met de politie op ongeveer 600 meter van de plaats delict in Éragny, en de politie probeerde hem te arresteren.”
WIKIPEDIA
MOORD OP SAMUEL PATY/ONDERZOEK
ORIGINELE BRON
WIKIPEDIA
MOORD OP SAMUEL PATY
[17]
‘Aangezien de moordenaar, Abdoullakh Anzorov – geboren in Moskou, van Tsjetsjeense afkomst, vanaf zijn 6e woonachtig in Frankrijk – vrijwel meteen na de moord door de politie gedood is, zullen bepaalde zaken nooit helemaal opgehelderd worden.’
WORDT VERVOLGD
EENZAME AANSLAGPLEGER
ARNON GRUNBERG

Mede dankzij het virus werd onze obsessie met terrorisme tijdelijk naar de achtergrond verdrongen, en mede dankzij de 45e president van Amerika kon je vergeten dat er officieel nog altijd een oorlog tegen terrorisme wordt gevoerd.

Het was overigens de Franse president Macron die de meest oorlogszuchtige taal uitsloeg tegen het virus, en dat al op 16 maart, toen hij verklaarde dat we in oorlog waren. Had het virus ons de oorlog verklaard? Vanuit het perspectief van pakweg varkens en koeien hebben wij dan het vee de oorlog verklaard.

De moord op de leraar Samuel Paty in een voorstadje van Parijs op vrijdag 16 oktober veranderde zeker in Frankrijk, maar ook in Nederland, op zijn minst tijdelijk het discours.

Aangezien de moordenaar, Abdoullakh Anzorov – geboren in Moskou, van Tsjetsjeense afkomst, vanaf zijn 6e woonachtig in Frankrijk – vrijwel meteen na de moord door de politie gedood is, zullen bepaalde zaken nooit helemaal opgehelderd worden. Weliswaar is Anzorov de maanden voor de moord aan het radicaliseren geslagen, uit niets blijkt vooralsnog dat Anzorov deel uitmaakte van een terroristisch netwerk.

Een maatschappij die verstandig wenst om te gaan met wat haar dreigt te ontwrichten, moet zich verdiepen in de ontwrichters

Juist bij de eenzame pleger van aanslagen is het moeilijk te zeggen waar het terrorisme begint en de psychiatrische aandoening eindigt. Dat geldt natuurlijk voor veel criminelen – mensen met psychische aandoeningen en mentale handicaps zijn oververtegenwoordigd in gevangenissen. Daarmee wordt niets goedgepraat, maar een maatschappij die verstandig wenst om te gaan met wat haar dreigt te ontwrichten, moet zich verdiepen in de ontwrichters.Een netwerk of niet, verwardheid of niet, Paty werd vermoord omdat hij in een les een karikatuur van de profeet had getoond, onder andere eentje waarop de profeet naakt te zien is. Hoewel Paty zorgvuldig te werk lijkt te zijn gegaan, kwamen er klachten van ouders over de karikaturen.

Macron sloeg na de moord betrekkelijk oorlogszuchtige taal uit, en dit keer begrijpelijk, hij kon het initiatief niet overlaten aan extreemrechts, en de beroemde laïcité, de speciale Franse variant van secularisme, stond onder druk. Niet eens zozeer vanwege de moord, maar omdat het schoolsysteem waar Franse kinderen tot Franse burgers moeten worden opgevoed, het secularisme niet meer echt kon waarborgen. Anders dan bijvoorbeeld Amerika ziet Frankrijk de staat als een verdedigingslinie tegen de kerk en daarmee tegen alle religie.

Hoe om te gaan met religieuze vrijheid is een debat dat nog lang zal worden gevoerd. Zeker is dat kennisoverdracht per definitie kwetsend is.

Een fatsoenlijk schoolsysteem wil leerlingen niet vernederen, maar we zijn misschien iets te veel rekening gaan houden met gevoeligheden. De klacht heeft het gesprek te vaak vervangen.

Een functionerend schoolsysteem leidt leerlingen op om hun ongenoegen verbaal, dat wil zeggen nauwkeurig en met respect, te uiten.

Waar dat gesprek niet meer kan plaatsvinden, vindt geen onderwijs meer plaats en wordt de maatschappij inderdaad uitgehold.

[18]
CAMBRIDGE DICTIONARY
trigger-happy
TRIGGER HAPPY
Someone who is trigger-happy often uses his or her gunshooting with very little reason:
Some have accused the police of being trigger-happy.

TERRORISME/DOOR HET WESTEN GECREEERDE DRAAK/WEG MET SHOOT TO KILL ANTI TERREUREENHEDEN

ASTRID ESSED

16 MEI 2015

https://www.astridessed.nl/terrorismedoor-het-westen-gecreeerde-draakweg-met-shoot-to-kill-anti-terreureenheden/

BOEDDHISTISCH DAGBLADVERDACHTEN WORDEN ”GEKUIST” EN NIEMAND MAAKT ZICH ER DRUK OVER

19 JANUARI 2015

https://boeddhistischdagblad.nl/achtergronden/39384-verdachten-worden-gekuist-en-niemand-maakt-zich-er-druk/

Naar aanleiding van de verschrikkelijke gebeurtenissen in Parijs waar drie extremisten bijna twee weken geleden een bloedbad aanrichtten waarbij zeventien onschuldige mensen en zijzelf om het leven kwamen, is de laatste weken een discussie op gang gekomen over de –grenzen van – vrijheid van meningsuiting. En dat is goed. Vrijheid van meningsuiting betekent in een democratie ook het recht op informatie, je kunt je pas uiten over kwesties als je daar kennis van draagt. Anders leef je het leven van een mens die in een bunker opgesloten zit. Een hersendode. Geen artikelen, geen meningen, geen cartoons. Geen Kalasjnikovs en executies.

Het vreemde is dat die vrijheid van meningsuiting, het recht op informatie, door de Franse en Belgische autoriteiten met voeten getreden wordt waar het gaat om informatie over de wijze van uitschakelen van mannen die er van verdacht worden vreselijke dingen te hebben gedaan, namelijk het in koelen bloede vermoorden van onschuldige mensen. Deze autoriteiten gedragen zich als Big Brother, de almachtige, de alwetende, de alleenheerser en wij nemen genoegen met hun: geen commentaar. Vorige week zag ik op de tv de Belgische minister Jambon die naar aanleiding van de gebeurtenissen in het Belgische Verviers en in antwoord op een vraag van een Nederlandse journalist glimlachend antwoordde dat de zaak daar mooi gekuist was. Schoongemaakt. Zo omschreef hij de dood van twee mannen die in een vuurgevecht met Belgische veiligheidsdiensten werden doodgeschoten. Gekuist. De journalist vroeg niet verder, niemand vroeg verder.

De dag na de moorden in Parijs, op de stagiaire van de Franse politie, de klanten van de Joodse supermarkt en de medewerkers van het satirische blad Charlie Hebdo, werden de broers Kouachi- verdacht van deze vreselijke feiten, door de politie of veiligheidsdiensten doodgeschoten toen ze ‘al schietend de drukkerij verlieten waar ze zich hadden verschanst’. Zestigduizend politiemensen waren er op de been om de twee mannen op te sporen en voor de rechter te brengen. Zoals in een rechtsstaat normaal en gebruikelijk is. Frankrijk en België zijn landen waar nog steeds- in dit geval een jury en een rechter oordelen over iemands schuld. Dat recht hebben we als burgers gedelegeerd om volksgerichten en blinde woede en wraakzucht te voorkomen. Vrouwe Justitia met de blinddoek voor. Niet de rechter maar zwaarbewapende politiemensen en/of militairen velden en voltrokken het vonnis.

Journalisten vroegen niet verder, niemand vroeg verder.

Misschien kon het niet anders. Niemand weet of het doodschieten van de vijf mannen-drie in Parijs, twee in Verviers, te voorkomen was geweest. Omdat er geen informatie over is en alleen maar vragen rijzen. Waarom werden de twee mannen die ‘al schietend’ uit de drukkerij renden niet uitgeschakeld door goed opgeleide scherpschutters? Waarom gebeurde dat ook niet in Verviers? Was de situatie er niet naar. Er waren toch goed geoefende en uitgeruste ‘speciale eenheden’ aanwezig. We weten het niet, er is gekuist. Eenieder zou voor de wet gelijk moeten zijn: ook terroristen. In dit geval verdachten, tot de rechter heeft gesproken. Zo zou het moeten zijn in een Europa waar miljoenen mensen de straat opgaan om  vrijheid van meningsuiting te verdedigen. We zijn aangeland op het niveau van het kuisen van mensen en niemand maakt zich er druk over. Niemand wil weten wat de waarheid is.

EINDE BERICHT

[19]

”Ieder heeft het recht op leven. Dit recht wordt door de wet beschermd. Niemand mag naar willekeur van zijn leven worden beroofd.”

ARTIKEL 6, LID 1

INTERNATIONAAL VERDRAG INZAKE  BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN

https://wetten.overheid.nl/BWBV0001017/1979-03-11#Verdrag_2

ZIE OOK

http://hrlibrary.umn.edu/instree/b3ccpr.htm

[20]

ZIE OOK NOOT 19

[21]

Juist bij de eenzame pleger van aanslagen is het moeilijk te zeggen waar het terrorisme begint en de psychiatrische aandoening eindigt. Dat geldt natuurlijk voor veel criminelen – mensen met psychische aandoeningen en mentale handicaps zijn oververtegenwoordigd in gevangenissen. Daarmee wordt niets goedgepraat, maar een maatschappij die verstandig wenst om te gaan met wat haar dreigt te ontwrichten, moet zich verdiepen in de ontwrichters.’

WORDT VERVOLGD
EENZAME AANSLAGPLEGER
ARNON GRUNBERG
[22]

 

WIKIPEDIA

ARNON GRUNBERG
[23]
”Juist bij de eenzame pleger van aanslagen is het moeilijk te zeggen waar het terrorisme begint en de psychiatrische aandoening eindigt.’
WORDT VERVOLGD
EENZAME AANSLAGPLEGER
ARNON GRUNBERG
[24]

Ik wil u zeker niet reduceren tot uw

antisemitische uitlatingen, u bent veel meer dan uw antisemitische uitlatingen. Misschien kunt u me

een lijstje sturen met wat u nog meer bent. Mens natuurlijk, oud-ambassadeur, beweert u. Wat hebt u

allemaal bereikt als oud-ambassadeur? Behalve wat relletjes? Wat had u willen bereiken? Et cetera.

Misschien kunt u me een lijstje sturen met de mensen die zich om u bekommeren?  Dan kan ik ook

deze mensen interviewen. Allicht zijn uw artsen bereid met uw toestemming ook met mij te spreken,

dat lijkt me nuttig voor het project.

Graag dus ook een lijstje met namen en contactgegevens van uw artsen.

Hoe dan ook heb ik van een

arts een schriftelijke verklaring nodig dat u wilsbekwaam bent anders zou een dergelijk project

immoreel zijn. Het gaat mij erom uw leven en uw opvattingen recht te doen, hoe beperkt en

antisemitisch uw uitlatingen ook moge zijn, ik wil u nogmaals graag recht doen.

…..

…..

”Maar graag eerst even een officiële bevestiging van de arts die u behandelt dat u handelings- en

wilsbekwaam bent en daarna zetten we dit in de steigers.

Ik zie uit naar onze ontmoeting en naar de week of tien dagen die ik bij u zal doorbrengen. En vooral

ook naar de gesprekken met de mensen in uw omgeving.

Maar graag eerst, nogmaals, dit is echt belangrijk, omdat ik voor alle betrokkenen dit project graag

correct wil uitvoeren, een verklaring van de behandelend geneesheer.”

DISCUSSIE TUSSEN JAN WIJENBERG [OUD AMBASSADEUR]

EN ARNON GRUNBERG [SCHRIJVER]/LAATSTE, RONDUIT

MISSELIJKE MAIL VAN GRUNBERG AAN WIJENBERG DD 12

AUGUSTUS

ASTRID ESSED

26 AUGUSTUS 2020

https://www.astridessed.nl/discussie-tussen-jan-wijenberg-oud-ambassadeur-en-arnon-grunberg-schrijver-laatste-ronduit-misselijke-mail-van-grunberg-aan-wijenberg-dd-12-augustus/

[25]

”Ik verwacht in zijn column geen uitgebreide analyse, maar iets ter beantwoording van die vraag mag wel

doorsijpelen, in plaats van zijn onzinnig
gepsychiatriseer”
 
ZIE NOOT 21
 
 
[26]
 
 
[26]
WIKIPEDIA
LIST OF TERRORIST INCIDENTS IN FRANCE/21ST CENTURY
ORIGINELE BRON
WIKIPEDIA
LIST OF TERRORIST INCIDENTS IN FRANCE
NOS
WAAROM WEER EEN AANSLAG IN FRANKRIJK?
15 JULI 2016
REFORMATORISCH DAGBLAD’
WAAROM FRANKRIJK OPNIEUW DOELWIT IS VAN TERREUR
[27]
[27]
”Er lijkt een aantal redenen voor de haat tegen Frankrijk te zijn, waarvan er een aantal ver in het verleden liggen. Veel islamitische groeperingen hebben een afkeer van het land door de koloniale geschiedenis. Zo waren Algerije, Marokko en Tunesië allemaal Franse koloniën. ”
NOS
WAAROM WEER EEN AANSLAG IN FRANKRIJK?
15 JULI 2016

Waarom is Frankrijk weer het doelwit van een aanslag? Het is niet de eerste keer dat deze vraag wordt gesteld. Frankrijk wordt sinds anderhalf jaar geteisterd door aanslagen, maar is dat toeval?

Er lijkt een aantal redenen voor de haat tegen Frankrijk te zijn, waarvan er een aantal ver in het verleden liggen. Veel islamitische groeperingen hebben een afkeer van het land door de koloniale geschiedenis. Zo waren Algerije, Marokko en Tunesië allemaal Franse koloniën.

Nadat de landen in Noord-Afrika onafhankelijk waren geworden, gaf Frankrijk vaak steun aan dictators in die landen. Voorbeeld is Algerije, waar in de jaren 90 een islamitische partij de verkiezingen won. De militaire regering erkende die uitslag niet, waarna een burgeroorlog uitbrak en het land werd overspoeld door aanslagen. Frankrijk steunde de militaire regering en kreeg in 1995 ook te maken met meerdere aanslagen door een Algerijnse islamitische groepering.

Door onder meer de koloniale geschiedenis zien moslimextremisten Frankrijk als een legitiem doelwit.

Terrorisme-expert Quirine Eijkman

 Voedingsbron

“Door die geschiedenis zien moslimextremisten Frankrijk als een legitiem doelwit”, vertelt terrorisme-expert Quirine Eijkman. Ook heeft Frankrijk een van de grootste moslimpopulaties van Europa. “Dat wil niet zeggen dat alle moslims deze aanslagen steunen, maar er is wel een voedingsbron. Een hele kleine groep die zich niet thuis voelt in het land is er wel.”

Volgens haar wordt een kleine groep ook getroffen door islamofobie. “Zo’n dag als 14 juli, waarop onder meer het ‘Fransman zijn’ wordt gevierd, is dan een logisch moment voor een aanslag.”

De derde reden voor de vele aanslagen in het land is de leidende rol van Frankrijk in de strijd tegen Islamitische Staat (IS). “Frankrijk voert veel bombardementen uit op IS”, zegt Eijkman. “Doordat ze bij de leidende landen horen, vormen ze een legitiem doelwit bij IS-gerelateerde aanslagen.” Overigens is nog onduidelijk of dat bij de dader van de aanslag in Nice heeft meegespeeld.

Vorig jaar vonden er vijf aanslagen in Frankrijk plaats. Dit jaar zijn er twee aanslagen gepleegd, waarbij de aanslag in Nice de meeste slachtoffers eiste.

Op 7 januari vorig jaar vielen er twaalf doden bij een terroristische aanslag op de redactie van Charlie Hebdo. Vooral de redactie van het satirische tijdschrift werd getroffen: tien redactieleden en twee politiemannen kwamen om. Kort na de aanslag werd de uitspraak Je suis Charlie populair, als steunbetuiging aan de vrijheid van meningsuiting, maar ook aan de slachtoffers van de aanslag. Kort daarna gijzelden moslimextremisten toen bezoekers in een Joodse supermarkt. Daarbij vielen vijf doden.

Een maand later, op 3 februari, werden in Nice drie militairen aangevallen door een man met een mes. De militairen patrouilleerden voor een Joods gebouw. Ze overleefden het.

Arabische teksten

Op 26 juni vorig jaar werd een onthoofd lichaam gevonden bij een fabriek in Lyon. Bij het lichaam lagen twee vlaggen met Arabische teksten. Ook op het hoofd van het slachtoffer waren Arabische teksten geschreven. De dader had banden met een salafistische organisatie.

Op 21 augustus 2015 werd een aanslag verijdeld in de Thalys van Amsterdam naar Parijs. Een man schoot in de trein met een kalasjnikov, maar werd in Brussel overmeesterd. Drie mensen raakten daarbij gewond.

De bloedigste aanslagen ooit in Frankrijk werden gepleegd op 13 november vorig jaar. Bij zes aanslagen in Parijs kwamen in totaal 129 mensen om het leven. De aanslagen waren in het 10de en 11de arrondissement van Parijs en in de voorstad Saint-Dénis.

Een overzicht van de aanslagen in Frankrijk in 2015: 

– 7-9 januari: Aanslag op satirisch tijdschrift Charlie Hebdo en gijzeling in een drukkerij

– 3-2: Man steekt drie bewakers neer in het Joods centrum in Nice

– 26-6: Terrorist onthoofdt man bij fabriek in Lyon

– 21-8: Een poging tot een aanslag op een Thalys wordt verijdeld

– 13-11: Tientallen doden bij meerdere aanslagen in Parijs, onder meer in theater de Bataclan

In de eerste maanden van dit jaar waren er twee aanslagen in Frankrijk. Op 13 juni viel in een stadje ten westen van Parijs een IS-aanhanger een politiecommissaris en zijn vrouw aan met een mes. Zij kwamen beiden om het leven. De man zond de moorden live uit op Facebook.

En gisteravond laat vielen bij de aanslag in Nice, waarbij een vrachtwagenchauffeur op een menigte inreed, ruim tachtig doden. De dader kwam daarbij om.

Een overzicht van de aanslagen in Frankrijk in 2016:

– 13-6: IS-gezant valt politiecommissaris en vrouw aan in een voorstad bij Parijs. Ze overleven beiden de aanslag niet.

– 14-7: Vrachtwagenchauffeur rijdt in op menigte in Nice. Er vallen ruim tachtig slachtoffers.

Maar Frankrijk is niet de enige plek in het westen waar aanslagen plaatsvinden. Ook in Brussel, Ankara en Istanbul vonden de laatste maanden grote aanslagen plaats.

In februari en maart dit jaar werden er twee grote aanslagen gepleegd in de Turkse stad Ankara. Bij de eerste aanslag, met een autobom, kwamen 28 mensen om het leven. Een maand later vielen door weer een autobom 34 doden.

Op 22 maart dit jaar pleegden terroristen twee aanslagen in Brussel. Bij de aanslagen, die in metrostations en op het vliegveld Zaventem plaatsvonden, vielen dertig doden.

In Istanbul werden de afgelopen maanden zes aanslagen gepleegd. De grootste aanslag werd eind juni gepleegd op het vliegveld in de stad, daarbij vielen 39 doden. Bij de andere vijf aanslagen vielen 51 doden. Na de aanslag eind juni riep president Erdogan de wereld op vastberaden op te treden tegen terrorisme.

EIND NOS BERICHT

”In de zoektocht naar verklaringen waarom juist Frankrijk zo vaak en heftig doelwit is van aanslagen, klinken daarnaast vaak verwijzingen naar de actieve buitenlandse politiek van Parijs en de koloniale geschiedenis.

REFORMATORISCH DAGBLAD

WAAROM FRANKRIJK OPNIEUW DOELWIT IS

VAN TERREUR

https://www.rd.nl/artikel/883307-waarom-frankrijk-opnieuw-doelwit-is-van-terreur

Frankrijk was donderdag voor de derde keer in korte tijd het toneel van een terreuraanslag. De aanvallen hebben als overeenkomst dat ze door enkelingen zijn uitgevoerd. Dat maakt het voor inlichtingendiensten nog moeilijker er de vinger achter te krijgen.

Dat een kerk het doelwit van een aanslag was, verbaast onderzoeker Marc Hecker van het Franse Instituut voor Internationale Betrekkingen niets. „Kerken zijn altijd doelwit geweest van IS”, zei de specialist radicalisering donderdag in de Franse krant La Croix. „Die dreiging is nooit verminderd.”

Le Figaro schrijft dat er sinds zondag al een specifieke dreiging bestond voor kerken. De Franse minister van Binnenlandse Zaken, Gérald Darmanin, waarschuwde de departementen voor een islamistische oproep tot een „individuele jihad” tegen symbolen van het christendom. De veiligheidsdiensten waren daarom al verschillende dagen extra alert.

Duizend wonden

Het heeft de aanslag in Nice duidelijk niet kunnen voorkomen. De mesaanval was voor de autoriteiten reden om naar het hoogste dreigingsniveau op te schalen. De Franse president Emmanuel Macron beloofde donderdag duizenden militairen in te zetten om scholen en kerken extra te bewaken.

Maar de realiteit is dat de dreiging onmogelijk helemaal valt weg te nemen. „De grote moeilijkheid is het enorme aantal kerken in Frankrijk”, zei Hecker in La Croix. „Het is onmogelijk om permanent bij alle gebedshuizen te surveilleren. En dat is waar het terrorisme bij gedijt: het aanwakkeren van de angst dat het altijd en overal kan toeslaan.”

Kerken zijn eerder doelwit geweest. In Niger, in West-Afrika, kregen in reactie op de publicatie van cartoons in het satirische tijdschrift Charlie Hebdo in 2015 72 kerken te maken met brandstichting. In hetzelfde jaar werd een aanslag tijdens een kerkdienst in de Parijse voorstad Villejuif verijdeld. In juli 2016 werd pater Jacques Hamel in het Franse dorp Saint-Étienne-du-Rouvray op het altaar vermoord, officieel uit protest tegen Franse bombardementen in Syrië. Hamel had daar natuurlijk niets mee te maken. De kerk is bovendien wel de laatste instantie die verspreiding van cartoons van de profeet Mohammed zal aanmoedigen. Dat doet er echter niet toe, omdat de kerk bij uitstek symbool staat voor het door jihadisten verachte christelijke westen.

De recente aanslagen hebben als overeenkomst dat er zeer jonge daders in het spel waren, die allen nog niet lang in Frankrijk woonden. Ze opereerden naar het zich laat aanzien alleen, hoewel sommige experts erop wijzen dat hun handelswijze in te passen is in de strategie van ”duizend wonden”, die vooral door IS is gepromoot. Het idee is dat een groot aantal kleine aanslagen de sociale structuur van een samenleving kan ontwrichten. Voor inlichtingendiensten is het bovendien veel moeilijker om zelfstandig opererende cellen op te sporen.

Proces Charlie Hebdo

Sinds de grote aanslagen van 2015 en 2016 is het in Frankrijk op het gebied van terrorisme rustig gebleven – verijdelde aanslagen daargelaten. Het algehele dreigingsniveau steeg echter weer sinds begin september, toen het proces over de aanslag op Charlie Hebdo van start ging. Met name de beslissing van het tijdschrift om cartoons van de profeet Mohammed ter gelegenheid daarvan opnieuw te publiceren, zette in jihadistische kringen kwaad bloed.

Experts Jean-Charles Brisard en Thibault de Montbrial schreven eind september in Le Figaro dat het proces leidde tot een heropleving van vijandigheden bij geradicaliseerde individuen, daartoe aangespoord door de belangrijkste jihadistische groepen. Ze waarschuwden daarom voor „een heropleving van terroristische aanslagen op ons grondgebied.”

De start van het proces viel daarbij min of meer toevallig samen met de aankondiging van de regering om een wet in te voeren tegen „het islamitisch separatisme.” President Macron doelde daarmee op het ontstaan van autonome eilandjes binnen Frankrijk waar niet primair de wetten van het land maar die van de politieke islam bepalend zijn. Daarbij kwam de moord op geschiedenisleraar Samuel Paty op 16 oktober, reden voor Macron om nog eens krachtig te benadrukken dat „wij deze spotprenten nooit zullen laten vallen.”

De Franse president onderstreepte donderdag opnieuw dat de waarden van de Republiek overeind blijven staan. „Wij zijn een familie”, zei hij. „Verbonden in deze beproevingen. Samengekomen om de waarden te verdedigen die de grondslag van onze verbintenis zijn.”

Het is juist dit „universalistische” model dat wel wordt aangewezen als reden voor grote breuklijnen in de Franse maatschappij. Wat in Frankrijk telt, is verbondenheid door de Franse republikeinse waarden; religieuze overtuigingen doen er in de publieke ruimte niet toe. Dat botst met de overtuigingen van met name de islamitische gemeenschap.

In de zoektocht naar verklaringen waarom juist Frankrijk zo vaak en heftig doelwit is van aanslagen, klinken daarnaast vaak verwijzingen naar de actieve buitenlandse politiek van Parijs en de koloniale geschiedenis. Frankrijk was een van de kartrekkers in de coalitie tegen IS en is bovendien prominent aanwezig in de strijd tegen jihadisme in landen als Mali. In de voormalige Noord-Afrikaanse koloniën leeft daarnaast nog veel oud zeer over de moeizame onafhankelijkheidsoorlogen. Het is een van de rechtvaardigingsgronden voor terroristische operaties op Franse bodem.

EINDE BERICHT REFORMATORISCH DAGBLAD

THE CONVERSATION
IT’S TIME FOR FRANCE TO FACE IT’S PAST AND
DEBATE CRIMES AGAINST HUMANITY
26 APRIL 2017

As Emmanuel Macron and Marine Le Pen continue their quest to secure the French presidency, it’s time to ask what they think about France’s troubled past.

French colonialism and related wars of independence and the country’s treatment of Jews and other persecuted peoples during the second world war are still very sensitive topics in modern France.

Macron and Le Pen hold opposing views on many issues, both domestic and foreign. But there’s one thing they share: both provoked outrage, each in their own way, when they tried to invoke certain divisive moments in French history to galvanise their constituencies.

They bumped up against the fact that when it comes to France’s colonial past public opinion remains profoundly divided.

Uncomfortable positions

Le Pen has somewhat distanced herself and her party, the far-right National Front, from some of the views expressed by her father, the party’s founder Jean-Marie Le Pen. He has been accused of torture in the Algerian war (which he has denied) and made revisionist statements about the Holocaust.

Still, Marine Le Pen has maintained a hegemonist, unapologetic stance on French colonies, which included in the mid-20th century not just Algeria but also other northwestern African nations, Tunisia and Morocco.

And on April 10 she was following in her father’s footsteps when she categorically stated that France as a nation was not officially responsible for the July 1942 Vel d’Hiv roundup, in which 13,000 Jews were seized by French authorities and sent to the Nazi gas chambers.

Her remarks outraged Israel, which refuses any contact with her. And Israeli commentators have warned French Jews not to give in to the temptation of seeing the National Front as less antisemitic than it was in her father’s era.

Her opponent has also made controversial statements about France’s past. In February, during a two-day visit to Algeria, Macron stirred up a hornet’s nest when he remarked that France should officially apologise for colonial atrocities committed there.

Macron stated that French colonisation itself was a crime against humanity, an international legal term for acts of violence directed against a specific, identifiable population as part of a widespread and systematic attack.

During the war of Algerian independence (1954-1962), numerous atrocities, including acts of torture, were committed by French soldiers. An estimated 300,000 Algerians died, in contrast to about 25,000 French soldiers.

This topic has only recently entered public debate in France. Over the past decade, several statements have recognised the brutalities of this war, and last year, President François Hollande honoured the memory of native Arab Harkis soldiers, who fought in the Algerian war only to be abandoned by the French army afterwards.

These gestures have done little to lift the taboo surrounding the French-Algerian war and other shameful “details” of French history.

ndividuals charged, but not France

So, Macron caused an uproar by acknowledging French atrocities in the Algerian war, and Le Pen did the same when she denied French crimes during the second world war.

It would be difficult for either candidate, or any single politician for that matter, to reconcile France with its troubled past through such public declarations. The country remains profoundly unwilling to face its demons.

As a state and a nation, France has thus far denied any responsibility for crimes against humanity while, rightly, punishing guilty individuals.

France’s first formal encounter with crimes against humanity came in 1945 with the Nuremberg Tribunal in Germany. As an allied victor, France was on the right side of history and helped ensure that Nazis responsible for the Holocaust on French soil were punished.

The trials of Klaus Barbie, Paul Touvier and Maurice Papon shed light on France’s historical approach to this issue.

The court convicted Klaus Barbie of 177 charges, but it restricted the application of the law to those crimes committed on behalf of a “State practising a hegemonic political ideology”.

According to the Nuremberg judges, only Nazi Germany fit this definition. Barbie, acting on behalf of such a state, was found guilty and sentenced to life in prison.

France, on the other hand, was granted immunity from legal liability. According to the judges, the law applied only to criminal acts committed in association with the Nazis.

On the same grounds, Paul Touvier, a notorious Nazi collaborator and a high-ranking member of the French militia (a kind of Vichy police that helped the Gestapo) in 1992 was acquitted of crimes against humanity. French legislation claimed that an individual acting under the orders of the Nazi regime was not criminally responsible.

The court later reversed its judgement on appeal. In 1994, based on the Nuremberg standards, Touvier was found guilty of perpetrating crimes against humanity in the “interests of the Axis powers”. He was the first French citizen to receive that sentence.

Some years later, he would be joined by Maurice Papon, a high-ranking French civil servant who was convicted in 1998 for his role in deporting Jews in the southwest of France. But the court determined that no deeper investigation into the country’s role was necessary.

France as a nation has been repeatedly absolved of any responsibility in the second world war on the basis that all Europe was plagued by Nazi dominance, notwithstanding Vichy France’s widespread and well-acknowledged country collaboration.

Will France ever own up?

Collective and national responsibility is indeed an uncomfortable topic, for it questions every citizen’s complicity in atrocities.

But it does happen. It happened not just at Nuremberg but also today, as European governments demand that other countries, notably Syria, reckon with the violence they’ve perpetrated against their own people.

Can France ever face its own past?

Marine Le Pen is unlikely to broach the subject. If the National Front ever wins the Elysee Palace, she would not want to see her country answer for its own terrible crimes.

And if Macron were to reopen the debate when in power, he would most certainly be hounded again by the right-wing political establishment.

Still, France is the birthplace of the Enlightenment. If only in the interest of free inquiry and rationality, it’s time for the country to see the dawn of a new era: one of historical responsibility.

EINDE ARTIKEL

WIKIPEDIA

ALGERIAN WAR

https://en.wikipedia.org/wiki/Algerian_War

WIKIPEDIA

TORTURE DURING THE ALGERIAN WAR OF INDEPENDENCE

https://en.wikipedia.org/wiki/Torture_during_the_Algerian_War_of_Independence

THE ATLANTIC

A CHRONOLOGY OF THE ALGERIAN WAR

OF INDEPENDENCE

https://www.theatlantic.com/magazine/archive/2006/11/a-chronology-of-the-algerian-war-of-independence/305277/

Article 7Crimes against humanity1.         For the purpose of this Statute, “crime against humanity” means any of the following acts when committed as part of a widespread or systematic attack directed against any civilian population, with knowledge of the attack:

 Murder;(b)     Extermination;

(c)     Enslavement;

(d)     Deportation or forcible transfer of population;

(e)     Imprisonment or other severe deprivation of physical liberty in violation of fundamental rules of international law;

(f)     Torture;

(g)     Rape, sexual slavery, enforced prostitution, forced pregnancy, enforced sterilization, or any other form of sexual violence of comparable gravity;

(h)     Persecution against any identifiable group or collectivity on political, racial, national, ethnic, cultural, religious, gender as defined in paragraph 3, or other grounds that are universally recognized as impermissible under international law, in connection with any act referred to in this paragraph or any crime within the jurisdiction of the Court;

(i)     Enforced disappearance of persons;

ROME STATUTE OF THE INTERNATIONAL CRIMINAL COURT

https://www.icc-cpi.int/resource-library/Documents/RS-Eng.pdf

[28]

[28]
”Macron stated that French colonisation itself was a crime against humanity, an international legal term for acts of violence directed against a specific, identifiable population as part of a widespread and systematic attack.”
THE CONVERSATION
IT’S TIME FOR FRANCE TO FACE IT’S PAST AND
DEBATE CRIMES AGAINST HUMANITY
26 APRIL 2017
”During his election campaign, Macron created a storm of controversy in France by calling the colonisation of Algeria a “crime against humanity”. In a 2017 TV interview, he said French actions in Algeria, which achieved independence in 1962 after eight years of war, were “genuinely barbaric, and constitute a part of our past that we have to confront by apologising”.”
MACRON CALLS COLONIALISM A ”GRAVE MISTAKE”
DURING VISIT TO IVORY COAST
22 DECEMBER 2019
French President Emmanuel Macron said Saturday that “colonialism was a grave mistake” and called for “turning the page” on the past during a visit to Ivory Coast, a former French colony.

Macron, speaking in Ivory Coast’s main city Abidjan, said France was still often seen as maintaining a “hegemonic view and the trappings of colonialism”, which he said was “a grave mistake – a fault of the Republic”.

“I belong to a generation which was not that of colonisation,” he added.

“The African continent is a young continent,” he said. “Three-fourths of your country never knew colonialism,” he continued, addressing the Ivoirian audience, and called on African youth to “build a new partnership of friendship with France”.

Macron made the comments during a press conference alongside Ivorian President Alassane Ouattara, soon after the announcement that the CFA franc currency used by eight West African countries (almost all of them former French colonies) would be transformed into the “eco” and largely severed from French governance.

The CFA franc has long been criticised as a vestige of French colonialism. It was first pegged to the French franc and later the euro. France also played an important role in governing the currency and required that 50 percent of reserves be held in the French treasury. The eco will reverse these policies but will still be pegged to the euro.

During his election campaign, Macron created a storm of controversy in France by calling the colonisation of Algeria a “crime against humanity”. In a 2017 TV interview, he said French actions in Algeria, which achieved independence in 1962 after eight years of war, were “genuinely barbaric, and constitute a part of our past that we have to confront by apologising”.

Call for greater ‘political clarity’ from G5 Sahel

Macron’s joint press conference with Ouattara came in the context of a West African visit dominated by security concerns. Macron arrived in Ivory Coast on Friday to celebrate Christmas with French soldiers, even as a renewed jihadist insurgency has raised questions about the effectiveness of French and UN troops in the region.

In Abidjan on Saturday, Macron called for greater “political clarity” from Sahel countries hosting French troops fighting Islamist militants. Ivory Coast is not part of the G5 Sahel, the group of countries cooperating in France’s anti-jihadist Operation Barkhane, but hosts a separate French operation.

“We need the political conditions to accompany the military work we do,” Macron told troops from the 900-strong French contingent serving in the country. “I cannot ask our soldiers to take risks to fight against terrorism… and on the other hand have public opinions of these same countries believing in untruths.”

“France is not there with imperial intentions,” Macron said. “It doesn’t have an economic agenda, as is sometimes said.”

The leaders of the anti-jihadist G5 Sahel military alliance are due to attend a summit in France on January 13, when Macron said they would clarify the “political and strategic framework” of the operation after tensions emerged.

Mali’s President Ibrahim Boubacar Keita on Saturday told French television that the G5 leaders – Mali, Burkina Faso, Niger, Mauritania and Chad – will deliver a message demanding a “respectable and respectful” relationship with the former colonial power.

Deadly raid

In a separate speech to the French community in Ivory Coast, Macron said 33 “terrorists” had been “neutralised” in neighbouring Mali. French soldiers also released two Malian gendarmes being held by jihadists, Macron added.

The operation involving teams of commandos and attack helicopters in the flashpoint city of Mopti in central Mali came just weeks after 13 French soldiers were killed in a helicopter crash as they pursued jihadists in the country’s north.

Despite a French troop presence and a 13,000-strong UN peacekeeping force in Mali, the conflict that erupted in 2012 has engulfed the centre of the country and spread to neighbouring Burkina Faso and Niger.

“This considerable success shows the commitment of our forces, the support that we bring to Mali, to the region and to our own security,” Macron said.

“We have had losses, we also have victories this morning thanks to the commitment of our soldiers and Operation Barkhane,” he said.

Last month’s crash was the biggest single-day loss for the French military in nearly four decades, dealing a further blow to troop morale in an operation that has already faced severe criticism from G5 Sahel members.

(FRANCE 24 with AFP)
EINDE BERICHT
[29]
[29]
”Het is waar, Macron ging verder dan Rutte ooit gegaan is en erkent dat Frankrijk een koloniaal verleden heeft dat nu rondspookt in de Franse voorsteden en dat het land zijn moslims zwaar in de steek gelaten heeft. Maar het zijn woorden. Holle woorden

Wilders, Baudet en Rutte zeggen ook altijd dat het ze om extremistische moslims gaat, terwijl er tegen de extremistische moslims nooit wat gedaan wordt en altijd de gewone, brave, belastingbetalende Nederlandse moslims worden gepakt.

Zelfde in Frankrijk, en dan nog een paar graadjes erger.

FRONTAAL NAAKT
[PETER BREEDVELD]
WAAROM FRANKRIJK ZOVEEL TERRORISTISCHE AANSLAGEN’VOOR ZIJN
KIEZEN KRIJGT
30 OCTOBER 2020
 
[31]
[32]
NEW AFRICAN MAGAZINE
FRANCAFRIQUE: A BRIEF HISTORY OF A SCANDALOUS WORD

A Janus-faced entity – one African, the other French – Françafrique is the ultimate symbol of a confiscated, perverted sovereignty. This singular coinage perfectly illustrates France’s dogged refusal to decolonise. And as Senegalese novelist Boubacar Boris Diop notes, as such it continues to beget little monsters.

Intellectuals from countries like Nigeria, Kenya or Mozambique may not be familiar with the composite neologism Françafrique. It’s not only because it’s a French invention. Actually, Françafrique refers to a unique and absolutely fascinating political phenomenon: the continuous subjugation of supposedly sovereign African states – Côte d’Ivoire, Senegal, Gabon, to name a few – by their former colonial master, in this case France.

The process started in the mid-fifties and early sixties, when defeats in Indochina and then in Algeria persuaded Paris that it was wiser to grant nominal independence to its colonies in Sub-Saharan African while keeping a tight rein on them. Gradually, the French Empire switched from brutal overseer to absentee landlord.

The word Françafrique itself has met with a fate most bizarre. It is readily associated with François Xavier Verschave, a brilliantly lucid French intellectual who dedicated most of his life to exposing France’s rollback and nullification of African independences through foul neocolonial schemes.

Although I co-authored Négrophobie with him and Odile Tobner, we never met in person. Verschave died from cancer in June 2005, just five days after our book was released. But I knew he was so reviled by the elites of his country that for decades moneyed intellectuals, newspaper hitmen and digital media hacks from all quarters feigned to ignore his existence, to the point of never mentioning the portmanteau word he coined, i.e., Françafrique.

This hardly mattered to Verschave. Undaunted, he kept on exposing unpleasant truths, claiming loud and clear that Françafrique is “the longest scandal of the Fifth Republic.’’  Verschave was not just another disgruntled intellectual descrying a conspiracy, but a relentless file-comber. His flawless arguments were therefore backed by well-documented facts and figures, and “well-sourced” quotes. Thus, for several years he painstakingly took apart, piece by piece, joint by joint, the mechanisms of Françafrique.

On the one hand, African heads of state were handpicked by Paris, after two “ job interviews,” first with Jacques Foccart, General de Gaulle’s trusted advisor on African matters, then with de Gaulle himself, if the first screening was conclusive. Nothing was ever said on record, of course, but the African president thus “elected” was neither foolish nor foolhardy, and knew what was expected of him: to put the resources of his country at France’s disposal and routinely vote alongside the latter at the UN.

To put it bluntly, this politician should never forget that he was nothing but a puppet, or that he must consider a foreign country’s interests before taking any decision or signing any bill. This approach is how France has maintained, since the sixties and up to the present day, its status as a “world power” wielding a modicum of clout, and feels more… independent vis-à-vis its powerful American ally! As long as the terms of this “gentlemen’s agreement” are complied with, the African president can toss his political opponents to the sharptoothed, flesh-hungry crocodiles frothing in his private pond, crown himself emperor, embezzle and deposit billions in Swiss accounts, all without fearing the slightest rebuke. In any case, the well-oiled engine runs only through back channels and shady networks.

Huge, eye-popping bonanzas are shared among African and French leaders, money that the beleaguered economies of poor countries can ill-afford to lose. True, de Gaulle and Foccart, men of integrity who acted out of a keen sense of patriotism, never coveted, let alone profited from this neocolonial treasure-trove, but the same cannot be said of their successors. Three examples, among countless others, will be enough to make the point: Bokassa’s diamonds; the ELF Affair; and the notorious Robert Bourgi scandal. The latter, a French lawyer of Lebanese descent, who had served for decades as an errand boy for Françafrique’s marquee figures, decided suddenly in September 2011 to tell the Journal du dimanche how he used to carry from Abidjan, Libreville or Brazzaville briefcases stuffed with millions of francs he gave at the Elysée to Jacques Chirac, adding even in this interview: “I saw Chirac and Dominique de Villepin count the money in front of me.’’ In any other European country such revelations would have resulted in a huge political earthquake. In France, nothing happened at all.

All this proves, beyond reasonable doubt, that some French presidents have shamelessly enriched themselves through such shenanigans. But Françafrique also entails more sinister aspects, like an orgy of political violence. For the truth is, Paris does not shy away from eliminating those who stand in the way, nor from intervening militarily, with boots on the ground if necessary, when popular revolts go overboard or when an unauthorised military coup threatens to put one of its precious stooges out of power.

I won’t say that ordinary French citizens underwrite what their politicians are doing in Africa: they know how this neocolonial system can be unfair and even criminal but they are also convinced that, without France’s involvement, the situation in its former colonies would be much worse. To be frank, the meek silence of Francophone African intellectuals is the main reason why French public opinion thinks there is nothing wrong with Françafrique.

Verschave’s chief contribution is to have connected the dots between all these loose ends, between seemingly unrelated political events in Africa and tabloid infotainment, so that the public is enlightened as to what and who is behind all this. Ultimately, his dogged adversarial journalism has helped him to prevail against all odds, to the extent that ordinary language has adopted the neologism he forged.

The clearest indicator of this moral victory is that his enemies, such as Stephen Smith, the racist author of Négrologie, are trying to deny him ownership of the term, claiming htat it was Houphouët-Boigny who invented it. They are beating a dead horse, and throwing bones to the pundits for pointless debates and endless media trivia. In actual fact, the Ivorian politician purported to highlight the osmosis between France and former African colonies.

However, the funniest thing occurred when chroniclers who have denied the reality of Françafrique for decades, hastened to pronounce it dead as soon as Nicolas Sarkozy arrived on the scene.

Yet it was Sarkozy who ordered his military to use their tanks to dislodge Gbagbo, the elected Ivorian president, from his palace. Why? Because he was suspected by Paris of being increasingly defiant. Unlike Alassane Dramane Ouattara and Guillaume Soro to whom he was turned over by French soldiers.

Further, all that has been done and said by French authorities in the wake of the so-called “Arab Spring’’ – the infamous assassination of Gaddafi in Libya and the occupation of Mali – is consistent with the political rationale behind Françafrique.

France also heavily weighing in on the Gabonese presidential election that took place on 28 August. As it is, the system has strongly adjusted itself to the new multicentric geopolitical environment, and is therefore still very much in place. As Brecht said of Nazism after 1945, “the bitch is still in heat.”

A Janus-faced entity – one African, the other French – Françafrique is the ultimate symbol of a confiscated, perverted sovereignty. Worse still, it is currently begetting little monsters, as one speaks, every now and then, such as Chinafrique and even Canadafrique. Nevertheless, this singular coinage perfectly illustrates France’s dogged refusal to decolonise, and that’s why it is in that country, and nowhere else, that it rings true.

There are many signs that the situation is changing. France is no longer the great world power she used to be three decades ago, when Paris could easily topple an African head of state without too much fuss. Now, she needs the “approval’’of the UN – and the money – to do so. Moreover, most of the new African leaders were born after these strange “independences’’ their fathers threw so cowardly to the dogs. Even though many of these young presidents still have a slave mentality vis-à-vis Paris, some of them refuse to act as its obedient lackeys.

Ironically, these “resisters” are the ones who will, at last, decolonise France, a country still haunted by its colonial past –  tragicomically at times.

EINDE ARTIKEL

GROENE
FRANKRIJK IS NOG GEWOON DE BAAS
20 FEBRUARI 2013
Een paar maanden nadat de zoveelste Franse president afstand had genomen van het neokolonialisme jagen de légionnaires al weer rebellen uit een Afrikaanse dictatuur. Frankrijk lijkt maar geen afstand te kunnen nemen van het schimmige web van belangen en prestige dat La Françafrique heet.

De ene interventie is de andere niet. Waar al bijna twee jaar vruchteloos wordt gesteggeld over ingrijpen in Syrië stuurde Frankrijk een maand geleden van de ene op de andere dag een paar duizend soldaten naar Mali. Schijnbaar de hele wereld brak uit in spontaan applaus – buurlanden, wereldmachten, internationale organisaties – terwijl de Franse soldaten de ene na de andere woestijnstad binnenrolden, soms opgehouden door aanslagen of een verrassingsoffensief per kano over de Niger.

Een VN-resolutie om het allemaal te legitimeren dobbert nu pas, nu de Fransen zich al weer opmaken om uit Mali te vertrekken, zonder enige tegenstand door de Veiligheidsraad. Slechts een enkeling sputtert een beetje. Zoals de Canadese minister van Buitenlandse Zaken, die vorige week zei dat de missie in Mali ‘nu al een counter-insurgency’ is en dat Mali ‘een nieuw Afghanistan’ dreigt te worden. Maar niemand legt Frankrijk werkelijk iets in de weg. De linkeroeverintellectuelen van Parijs al helemaal niet. ‘Frankrijk neemt de morele en operationele leiding van een rechtvaardige oorlog’, ronkte filosoof Bernard-Henri Lévy op zijn blog. ‘Met zijn beperkte middelen en hoge werkloosheid staat Frankrijk aan het hoofd van een andere vorm van globalisering, een deugdzame, genereuze variant: de globalisering van de democratie en vrede.’

Dat klinkt heel mooi, maar het roept toch vooral herinneringen op aan de recente Franse interventie in Libië, waarbij Lévy in zijn oogverblindend witte overhemd welhaast de troepen leek te leiden. Algemener gesproken is de aanblik van légionnaires die rebellen uit een Afrikaanse dictatuur jagen al decennia een vertrouwd gezicht. Een argeloze toeschouwer zou kunnen denken dat militair interventionisme in Afrika officieel Frans beleid is, zoals het dat lang is geweest.

Niets is echter minder waar. François Hollande beloofde nog maar een paar maanden geleden dat hij het aantal Franse soldaten in Mali omlaag zou schroeven. Sterker nog, hij beloofde dat voor heel Afrika. ‘Frankrijk heeft geen soldaten nodig in Afrika’, zei Hollande in oktober in Senegal, ‘maar een gedeelde visie op onze verantwoordelijkheden.’ De president verklaarde dat hij vastbesloten was om de relatie tussen Frankrijk en Afrika ‘te herstarten op een nieuwe basis’. En hij verzekerde zijn publiek: ‘Het tijdperk van wat eens “Françafrique” werd genoemd, is voorbij.’

Dat was klare taal. Maar in de zaal veroorzaakte dat niet direct opwinding. Want Hollande’s afscheid van La Françafrique was niet zozeer een hartenkreet als wel een verplicht nummer voor Franse gezagsdragers. ‘De tijden zijn veranderd’, zei Hollande’s voorganger, Nicolas Sarkozy, bijvoorbeeld een paar jaar geleden even plechtig in Kaapstad. En: ‘Frankrijk kan niet meer de gendarme van Afrika spelen.’ Wat later liet de voormalige gendarme de légionnaires invliegen om orde op zaken te stellen in Tsjaad, Ivoorkust en Libië. Ook Lionel Jospin, de socialistische premier van eind jaren negentig, kondigde al een ‘nieuw hoofdstuk’ aan in de Frans-Afrikaanse betrekkingen, met ‘noch inmenging, noch onverschilligheid’ als devies. De verschillende Franse militaire bases in Afrika bleven gewoon open. Zelfs president Jacques Chirac, de neo-gaullist pur sang, prevelde bij tijd en wijle iets over ‘nieuwe bladzijden’ in de Frans-Afrikaanse betrekkingen. Maar als puntje bij paaltje kwam, leek er toch vooral heel veel continuïteit te bestaan in de ‘speciale band’ tussen Frankrijk en Afrika.

Dat verbaast in de eerste plaats de Fransen zelf. ‘De Franse positie in Afrika is veel langer intact gebleven dan iedereen hier had verwacht’, zegt Antoine Glaser vanuit Parijs. Glaser is hoofdredacteur van Africa Intelligence, een Frans tijdschrift over Afrikaanse politiek en economie voor en achter de schermen. ‘Het Franse imperium bestond bij de gratie van de VS’, aldus Glaser. ‘Toen de Koude Oorlog afliep dachten politici, analisten en militairen dat Frankrijk zijn positie snel zou verliezen. Frankrijk is nu een zwak land, dat niet op kan tegen China, Brazilië en de andere nieuwe spelers. Maar het handjeklap tussen Franse en Afrikaanse leiders is er nog steeds. De economische belangen zijn er nog steeds, ondersteund door persoonlijke relaties. En in militair opzicht is Frankrijk in Afrika nog altijd alleen. Elke Franse president zegt wel: “O ja, Françafrique is nu echt definitief afgelopen.” Maar elk van hen eindigt weer met een Afrikaans masker op.’

Wie het heden wil begrijpen van de Franse positie in Afrika moet altijd eerst een stuk terug in de tijd. Naar de geschiedenis van La Françafrique, een term die maar niet in vergetelheid wil raken, hoe graag Franse presidenten dat ook willen. De Ivoriaanse president Félix Houphouët-Boigny nam de term als eerste in de mond, in de jaren vijftig. Hij bedoelde dat positief, als omschrijving van de vaderlijke begeleiding die Parijs bood aan de staten die net onafhankelijk waren geworden van Frankrijk. Maar het duurde maar kort voor de term zijn nare bijsmaak kreeg. Françafrique begon een synoniem te worden voor een schimmig, oncontroleerbaar netwerk van politici, zakenmannen, huurlingen, diplomaten, geheim agenten en andere tussenpersonen, die geld en diensten heen en weer sluisden tussen Parijs en Afrikaanse hoofd­steden.

Volgens critici kwam Françafrique neer op een cynische ruil. De Afrikaanse leiders hielden de boel rustig in de Franse achtertuin, leverden hun bodemschatten aan Franse bedrijven, en stortten af en toe wat tonnen op geheime rekeningen waarmee Franse politici hun campagnes bekostigden. Als tegenprestatie vlogen de Fransen hun soldaten in als de woedende massa’s of de rebellen door de straten trokken, of helikopterden ze de leiders naar hun Parijse villa’s als de boel niet meer te houden was. Een soort levensverzekering voor Afrikaanse despoten in ruil voor geld, toegang en invloed. Françafrique betekende daarom eigenlijk France à fric (‘Poen voor Frankrijk’), schreef de econoom François-Xavier Verschave in La Françafrique: Le plus long scandale de la République.

De kopstukken van Françafrique vormen een rijk tableau. Zoals de machtige Jacques Foccart, rechterhand van de presidenten De Gaulle, Pompidou en Chirac, en bewezen of vermoed instigator van een reeks staatsgrepen en andere intriges. Of Maurice Robert, eerst Afrika-chef van de geheime dienst, daarna topman bij olieconcern Elf, toen ambassadeur in Gabon (dat door Elf werd leeggepompt), toen weer terug naar Elf. Omar Bongo, ruim vier decennia capo/president van Gabon, het archetype van een kleptocratische oliestaat, en eigenaar van 33 villa’s en appartementen in Frankrijk. Bob Denard, de extreem-rechtse ex-stofzuigerverkoper die Frankrijks beruchtste huurling en serieel couppleger werd en die van de Comoren een privé-koninkrijk voor hem en zijn zeven vrouwen maakte. Jean-Christophe Mitterrand, oud_-_AFP-correspondent, veroordeeld wapensmokkelaar, zoon annex gezant van de president en in Afrika bekend als Papamadi (‘Mijn papa zei’). En naast hen nog een eindeloze rij minder kleurrijke, anonieme functionarissen en tussenpersonen.

Het netwerk van deze mannen leverde Frankrijk niet alleen wit, zwart en grijs geld op maar ook grote politieke voordelen. De Franse kolonies in Afrika werden in 1960 onafhankelijk, net toen generaal De Gaulle aan zijn presidentschap begon. Voor De Gaulle was het behouden van de Franse invloed en prestige als grootmacht het hoogste doel. Een Afrikaans pré-carré, een voorpost van bevriende staten, was voor hem essentieel als bolwerk tegen de voortkruipende ‘Angelsaksische’ invloed. En dus stemde de pré-carré in de Verenigde Naties en andere internationale organisaties braaf mee met Frankrijk en eisten de landen ervan overal Frans als voertaal. Ironisch genoeg bleef de pré-carré vooral intact omdat de VS de Franse positie in Afrika ijverig ondersteunden. Opeenvolgende Amerikaanse regeringen zagen Françafrique namelijk als een nuttig bolwerk tegen het voortkruipende communisme.

Na de Koude Oorlog viel de dreiging van het communisme weg, en daarmee de zwijgende Amerikaanse steun voor Françafrique. Nog erger was de morele doodsteek in 1994. Uit reconstructies van Britse kranten, Human Rights Watch en anderen blijkt dat het kabinet-Mitterrand de burgeroorlog in Rwanda zag als een ‘anglofoon complot’ tegen een Frans­sprekend land, en vervolgens met wapens, militaire adviseurs en inlichtingen de Hutu-regering steunde tegen de Tutsi-rebellen. Het liep uit op genocide. Iedereen in Frankrijk zag dat het anders moest, zelfs Jacques Chirac. En sindsdien zoekt daarom elke Franse president naar een ‘nieuw begin’ in de relatie met Afrika. En een einde aan Françafrique. Maar lukt dat?

‘Dat hangt ervan af wat je verstaat onder Françafrique’, zegt politicoloog Bruno Charbonneau, auteur van France and the New Imperialism in een telefonisch gesprek. ‘De oude, informele netwerken waar de term naar verwees – de persoonlijke, politieke, soms criminele netwerken – die dicteren het Franse beleid niet meer. Ook qua stijl is er een duidelijke verandering. De Franse regeringen hunkeren naar legitimiteit in de ogen van hun eigen bevolking en die van Afrika. De dagen van Jacques Foccart zijn voorbij, waarin Frankrijk in Afrika gewoon deed wat het wilde. Maar als je Françafrique ziet als de Franse positie en belangen in Afrika, dan zie je onder die veranderingen vooral veel continuïteit.’

Frankrijk mag dan wel afscheid willen nemen van zijn imago als neo-kolonisator en er is in Frankrijk voortdurend debat over de kosten versus de baten en de moraliteit van de Franse positie in Afrika. Maar de economische belangen op het continent, de politieke voordelen van de speciale positie en ja, de Franse rol op het wereld­toneel maken dat Franse regeringen als puntje bij paaltje komt maar weinig afstand nemen van de oude praktijk.

In militair opzicht, bijvoorbeeld. Nicolas Sarkozy wilde duidelijk een nieuwe koers varen. Hij verklaarde dat Afrika voor Frankrijk minder belangrijk was dan het Midden-Oosten en opende daarom een grote militaire basis in Abu Dhabi. Hij nam afstand van het militaire establishment en omringde zich in crisissituaties met vertrouwde adviseurs. ‘Hij imiteerde de war room van Amerikaanse presidenten’, zegt Charbonneau. Maar toen het moment kwam om een beslissing te nemen over de grote Franse militaire basis in Libreville, de hoofdstad van Gabon, besloot Sarkozy die open te houden. Ook elders bleven de laarzen op Afrikaanse bodem.

‘De Franse militaire positie in Afrika is niet aangetast’, zegt Charbonneau. ‘De interventie in Mali illustreert dat Frankrijk nog steeds wíl interveniëren in Afrika, dat het de enige is die dat ook kán, en dat er nog steeds Afrikaanse leiders zijn die erom vragen.’ En niet alleen Afrikaanse leiders. De VS lieten Frankrijk in Libië de kar trekken. In Mali trokken de Amerikanen een pak geld voor de Fransen en hielpen met militaire logistiek. De Britten ook, maar hun transportvliegtuig stond op dag één al aan de grond met panne. Dat zorgde voor enig gegniffel in Frankrijk, maar het illustreerde ook dat alleen de Fransen in de Sahel kunnen wat ze nu doen.

Ook als het gaat om de vriendjespolitiek verandert er minder dan Franse presidenten graag suggereren. Frankrijk eist nu van Afrikaanse leiders goed bestuur en sommeert oude vrienden soms om op te krassen als ze verkiezingen hebben verloren. Maar de ene vriend is de andere niet. In 2008 zei Jean-Marie Bockel, de eigenzinnige staatssecretaris voor Ontwikkeling en La Francophonie, tegen Le Monde dat hij ‘het doodscertificaat van Françafrique’ wilde tekenen. En hij bekritiseerde wanbestuur en corruptie ‘in sommige Afrikaanse staten’. Dat wekte de woede van Omar Bongo, die zich geheel terecht aangesproken voelde. Wat telefoontjes volgden naar het Elysée en Bockel werd door Sarkozy weggepromoveerd.

Sarkozy had als signaal ook de oude ‘Afrika-cel’ in het Elysée afgeschaft, waar Foccart zijn continent bestierde. Maar contact met Afrikaanse vrienden hield Sarkozy, zoals zijn voorgangers, via een informele tussenpersoon: de jurist Robert Bourgi. Toen Omar Bongo in 2009 overleed, werd diens zoon Ali in de verkiezingsrace bijgestaan door Bourgi. ‘In Gabon steunt Frankrijk geen kandidaat’, zei Bourgi toen, ‘maar de kandidaat van Robert Bourgi is Ali Bongo. En ik ben een zeer invloedrijke vriend van Nicolas Sarkozy. Op sublieme wijze zullen de stemmers het begrijpen.’ Ali Bongo won.

Ook incidenten in andere landen zetten Françafrique soms ongewenst in de schijnwerpers. In 2010 werd de spelersbus van het voetbalteam van Togo, op weg naar de Afrika Cup, beschoten door rebellen in de Angolese provincie Cabinda. Opeens zag de wereld dat daar een afscheidingsbeweging met geweld een olieprovincie van een geplaagd land afschermde. De kantoren van zowel de rebellen als de oliebedrijven die de olie nu oppompten, zaten in Parijs. Vertegenwoordigers van multinational Total, waar onder meer Elf in opgegaan is, zijn nog altijd cruciale spelers in het Afrika van vandaag.

Voor sommige Afrikaanse intellectuelen is het voortbestaan van deze patronen een enorme frustratie. ‘De nieuwe Afrikaanse leiders hebben duidelijk gekozen voor continuïteit in het beheer van Françafrique, het systeem van wederzijdse corruptie dat Frankrijk sinds het einde van het kolonialisme aan zijn Afrikaanse zetbazen bindt’, schreef de Kameroense filosoof Achille Mbembé drie jaar geleden.

In het geval van Mali spelen de informele netwerken en vriendjespolitiek volgens Jean-Marie Bockel, de voormalige staatssecretaris, echter ‘geen bepalende rol’. ‘De vorm van de interventie en het debat eromheen zijn natuurlijk bepaald door de geschiedenis van Frankrijk in Afrika’, zegt hij in een telefonisch gesprek. ‘Maar de interventie in Mali was vooral een kwestie van Franse en internationale veiligheid. De radicale islamisten moesten worden gestopt en Frankrijk is de enige die snel genoeg ter plaatse kon zijn om dat te doen.’ Dat is precies ook de positie van de Franse regering. François Hollande wil graag duidelijk maken dat deze interventie heel anders is dan die van vroeger en hamert er daarom voortdurend op dat Frankrijk nauwelijks economische belangen heeft in Mali. ‘Het enige doel van deze interventie is de strijd tegen terrorisme’, zei hij. Maar natuurlijk speelt er meer.

‘Hollande zet zwaar in op het thema van de radicale islam, om een juridisch dubieuze ingreep te verkopen’, zegt politicoloog Charbonneau. ‘Hollande blaast de terroristische dimensie enorm op. Mali is op geen enkele manier een existentiële bedreiging voor Europa. Het is een burgeroorlog in een falende staat, nota bene in een land dat lang een voorbeeld voor Afrikaanse democratie was tot de militairen vorig jaar de macht grepen. Een kwestie van mondiaal terrorisme is het zeker niet. Maar het is wel een burgeroorlog die allerlei Franse belangen bedreigde en de belangen van bevriende staten in de regio.’

Die belangen zijn, net als in voorgaande decennia, vaak economisch. ‘Hollande benadrukt steeds dat Frankrijk weinig economische belangen heeft in Mali. Dat is inderdaad waar, maar in de buurlanden zijn die belangen juist groot’, zegt Charbonneau. ‘Twee mijnen in Niger, in de provincie die naast Mali ligt, leveren het leeuwendeel van het uranium voor Frankrijks nucleaire industrie. Frankrijk stuurde meteen commando’s naar die mijnen om ze te beschermen. En er zit ook olie in Zuid-Libië en Zuid-Algerije, waar Frankrijk een oogje op heeft. Franse bedrijven zijn nog erg dominant in Ivoorkust, een buurland van Mali. Al die belangen beschermt Frankrijk door Mali stabiel te houden.’

En stabiliteit is niet alleen belangrijk voor de Franse portemonnee. Als de oorlog in Mali zich uitbreidt, bijvoorbeeld naar het instabiele Niger of Tsjaad, zal de wereld toch weer naar Frankrijk kijken om het op te lossen. Als Frankrijk dat niet doet, komen de problemen vanzelf wel naar Frankrijk. Miljoenen Fransen hebben Afrikaanse wortels, en als de Sahel-regio ontwricht zou raken, kijken de vluchtelingen vanzelf naar Frankrijk. ‘Sarkozy wilde Afrika meer loslaten, maar het thema van immigratie trok hem er vanzelf naar terug’, zegt _Africa Intelligence-_hoofdredacteur Antoine Glaser. ‘Het controleren van immigratieroutes maakt stabiliteit in Afrika belangrijk voor binnenlandse politiek. Net als het thema van de radicale islam. En net als het controleren van drugsroutes door de Sahel.’

Telkens als een Franse president zich meer wil losmaken uit Afrika blijkt Frankrijk meer verstrikt in het continent dan gedacht. Of, cynisch geformuleerd, vindt Françafrique een nieuwe reden voor zijn bestaan. Ook de droom van Franse grandeur heeft zich weer opgericht. ‘De legertop had veel invloed verloren bij Sarkozy, maar ze leunen weer sterk op Hollande’, zegt Glaser. ‘In het leger is het nog altijd een dogma dat Frankrijk zonder Afrika geostrategisch is uitgespeeld. De Franse rol in de Veiligheidsraad van de VN leunt op de militaire aanwezigheid in Afrika. Het idee dat Frankrijk daar niet zonder kan, is weer helemaal terug.’ En ook de Amerikaanse steun is terug, met de Amerikaanse zorgen om terrorisme in plaats van de vroegere Amerikaanse zorgen om communisme.

Françafrique dood? Even dood als die andere keren dat het verscheiden ervan werd aangekondigd, schreef Christophe Boisbouvier, Afrika-redacteur van Radio France International. Als na ‘Rwanda’. Als na het ‘doodscertificaat’ van Bockel. Als toen Afrikaanse leiders en Mitterrand zich symbolisch rond de doodskist schaarden van Houphouët-Boigny, de bedenker van de term Françafrique. Zelfs de illegale financiering van Franse politici bestaat volgens hem nog.

Het is een enorm contrast met de nieuwe richting die Afrika ingeslagen is. Over bijna het hele continent groeit de middenklasse en uit de hele wereld stromen de investeringen binnen. ‘Afrika is het nieuwe speelterrein voor iedereen’, zegt Glaser. ‘Frankrijk verliest voortdurend marktaandeel aan nieuwkomers. Aan China en Brazilië, natuurlijk, maar ook aan Turkije, India, Arabische landen en al die nieuwe spelers in de wereldeconomie. Maar zij zien Afrika alleen als markt en ze laten Afrika in politiek en strategisch opzicht links liggen. In de pré-carré is Frankrijk nog gewoon de baas.’
EINDE ARTIKEL

[33]

WIKIPEDIA

FRANCOIS-XAVIER VERSCHAVE

https://en.wikipedia.org/wiki/Fran%C3%A7ois-Xavier_Verschave

”The word Françafrique itself has met with a fate most bizarre. It is readily associated with François Xavier Verschave, a brilliantly lucid French intellectual who dedicated most of his life to exposing France’s rollback and nullification of African independences through foul neocolonial schemes.

Although I co-authored Négrophobie with him and Odile Tobner, we never met in person. Verschave died from cancer in June 2005, just five days after our book was released. But I knew he was so reviled by the elites of his country that for decades moneyed intellectuals, newspaper hitmen and digital media hacks from all quarters feigned to ignore his existence, to the point of never mentioning the portmanteau word he coined, i.e., Françafrique.

This hardly mattered to Verschave. Undaunted, he kept on exposing unpleasant truths, claiming loud and clear that Françafrique is “the longest scandal of the Fifth Republic.’’  Verschave was not just another disgruntled intellectual descrying a conspiracy, but a relentless file-comber. His flawless arguments were therefore backed by well-documented facts and figures, and “well-sourced” quotes. Thus, for several years he painstakingly took apart, piece by piece, joint by joint, the mechanisms of Françafrique.”

NEW AFRICAN MAGAZINE
FRANCAFRIQUE: A BRIEF HISTORY OF A SCANDALOUS WORD
ZIE VOOR GEHELE TEKST NOOT 32

[34]

”Volgens critici kwam Françafrique neer op een cynische ruil. De Afrikaanse leiders hielden de boel rustig in de Franse achtertuin, leverden hun bodemschatten aan Franse bedrijven, en stortten af en toe wat tonnen op geheime rekeningen waarmee Franse politici hun campagnes bekostigden. Als tegenprestatie vlogen de Fransen hun soldaten in als de woedende massa’s of de rebellen door de straten trokken, of helikopterden ze de leiders naar hun Parijse villa’s als de boel niet meer te houden was. Een soort levensverzekering voor Afrikaanse despoten in ruil voor geld, toegang en invloed. Françafrique betekende daarom eigenlijk France à fric (‘Poen voor Frankrijk’), schreef de econoom François-Xavier Verschave in La Françafrique: Le plus long scandale de la République.”

GROENE
FRANKRIJK IS NOG GEWOON DE BAAS
20 FEBRUARI 2013
NEW AFRICAN MAGAZINE
FRANCAFRIQUE: A BRIEF HISTORY OF A SCANDALOUS WORD
[35]
WIKIPEDIA
OPERATION SERVAL
WIKIPEDIA
OPERATION BARKHANE
[36]
WIKIPEDIA
OPERATION SERVAL
WIKIPEDIA
FRANCAFRIQUE
NEW AFRICAN MAGAZINE
FRANCAFRIQUE: A BRIEF HISTORY OF A SCANDALOUS WORD

A Janus-faced entity – one African, the other French – Françafrique is the ultimate symbol of a confiscated, perverted sovereignty. This singular coinage perfectly illustrates France’s dogged refusal to decolonise. And as Senegalese novelist Boubacar Boris Diop notes, as such it continues to beget little monsters.

Intellectuals from countries like Nigeria, Kenya or Mozambique may not be familiar with the composite neologism Françafrique. It’s not only because it’s a French invention. Actually, Françafrique refers to a unique and absolutely fascinating political phenomenon: the continuous subjugation of supposedly sovereign African states – Côte d’Ivoire, Senegal, Gabon, to name a few – by their former colonial master, in this case France.

The process started in the mid-fifties and early sixties, when defeats in Indochina and then in Algeria persuaded Paris that it was wiser to grant nominal independence to its colonies in Sub-Saharan African while keeping a tight rein on them. Gradually, the French Empire switched from brutal overseer to absentee landlord.

The word Françafrique itself has met with a fate most bizarre. It is readily associated with François Xavier Verschave, a brilliantly lucid French intellectual who dedicated most of his life to exposing France’s rollback and nullification of African independences through foul neocolonial schemes.

Although I co-authored Négrophobie with him and Odile Tobner, we never met in person. Verschave died from cancer in June 2005, just five days after our book was released. But I knew he was so reviled by the elites of his country that for decades moneyed intellectuals, newspaper hitmen and digital media hacks from all quarters feigned to ignore his existence, to the point of never mentioning the portmanteau word he coined, i.e., Françafrique.

This hardly mattered to Verschave. Undaunted, he kept on exposing unpleasant truths, claiming loud and clear that Françafrique is “the longest scandal of the Fifth Republic.’’  Verschave was not just another disgruntled intellectual descrying a conspiracy, but a relentless file-comber. His flawless arguments were therefore backed by well-documented facts and figures, and “well-sourced” quotes. Thus, for several years he painstakingly took apart, piece by piece, joint by joint, the mechanisms of Françafrique.

On the one hand, African heads of state were handpicked by Paris, after two “ job interviews,” first with Jacques Foccart, General de Gaulle’s trusted advisor on African matters, then with de Gaulle himself, if the first screening was conclusive. Nothing was ever said on record, of course, but the African president thus “elected” was neither foolish nor foolhardy, and knew what was expected of him: to put the resources of his country at France’s disposal and routinely vote alongside the latter at the UN.

To put it bluntly, this politician should never forget that he was nothing but a puppet, or that he must consider a foreign country’s interests before taking any decision or signing any bill. This approach is how France has maintained, since the sixties and up to the present day, its status as a “world power” wielding a modicum of clout, and feels more… independent vis-à-vis its powerful American ally! As long as the terms of this “gentlemen’s agreement” are complied with, the African president can toss his political opponents to the sharptoothed, flesh-hungry crocodiles frothing in his private pond, crown himself emperor, embezzle and deposit billions in Swiss accounts, all without fearing the slightest rebuke. In any case, the well-oiled engine runs only through back channels and shady networks.

Huge, eye-popping bonanzas are shared among African and French leaders, money that the beleaguered economies of poor countries can ill-afford to lose. True, de Gaulle and Foccart, men of integrity who acted out of a keen sense of patriotism, never coveted, let alone profited from this neocolonial treasure-trove, but the same cannot be said of their successors. Three examples, among countless others, will be enough to make the point: Bokassa’s diamonds; the ELF Affair; and the notorious Robert Bourgi scandal. The latter, a French lawyer of Lebanese descent, who had served for decades as an errand boy for Françafrique’s marquee figures, decided suddenly in September 2011 to tell the Journal du dimanche how he used to carry from Abidjan, Libreville or Brazzaville briefcases stuffed with millions of francs he gave at the Elysée to Jacques Chirac, adding even in this interview: “I saw Chirac and Dominique de Villepin count the money in front of me.’’ In any other European country such revelations would have resulted in a huge political earthquake. In France, nothing happened at all.

All this proves, beyond reasonable doubt, that some French presidents have shamelessly enriched themselves through such shenanigans. But Françafrique also entails more sinister aspects, like an orgy of political violence. For the truth is, Paris does not shy away from eliminating those who stand in the way, nor from intervening militarily, with boots on the ground if necessary, when popular revolts go overboard or when an unauthorised military coup threatens to put one of its precious stooges out of power.

I won’t say that ordinary French citizens underwrite what their politicians are doing in Africa: they know how this neocolonial system can be unfair and even criminal but they are also convinced that, without France’s involvement, the situation in its former colonies would be much worse. To be frank, the meek silence of Francophone African intellectuals is the main reason why French public opinion thinks there is nothing wrong with Françafrique.

Verschave’s chief contribution is to have connected the dots between all these loose ends, between seemingly unrelated political events in Africa and tabloid infotainment, so that the public is enlightened as to what and who is behind all this. Ultimately, his dogged adversarial journalism has helped him to prevail against all odds, to the extent that ordinary language has adopted the neologism he forged.

The clearest indicator of this moral victory is that his enemies, such as Stephen Smith, the racist author of Négrologie, are trying to deny him ownership of the term, claiming htat it was Houphouët-Boigny who invented it. They are beating a dead horse, and throwing bones to the pundits for pointless debates and endless media trivia. In actual fact, the Ivorian politician purported to highlight the osmosis between France and former African colonies.

However, the funniest thing occurred when chroniclers who have denied the reality of Françafrique for decades, hastened to pronounce it dead as soon as Nicolas Sarkozy arrived on the scene.

Yet it was Sarkozy who ordered his military to use their tanks to dislodge Gbagbo, the elected Ivorian president, from his palace. Why? Because he was suspected by Paris of being increasingly defiant. Unlike Alassane Dramane Ouattara and Guillaume Soro to whom he was turned over by French soldiers.

Further, all that has been done and said by French authorities in the wake of the so-called “Arab Spring’’ – the infamous assassination of Gaddafi in Libya and the occupation of Mali – is consistent with the political rationale behind Françafrique.

France also heavily weighing in on the Gabonese presidential election that took place on 28 August. As it is, the system has strongly adjusted itself to the new multicentric geopolitical environment, and is therefore still very much in place. As Brecht said of Nazism after 1945, “the bitch is still in heat.”

A Janus-faced entity – one African, the other French – Françafrique is the ultimate symbol of a confiscated, perverted sovereignty. Worse still, it is currently begetting little monsters, as one speaks, every now and then, such as Chinafrique and even Canadafrique. Nevertheless, this singular coinage perfectly illustrates France’s dogged refusal to decolonise, and that’s why it is in that country, and nowhere else, that it rings true.

There are many signs that the situation is changing. France is no longer the great world power she used to be three decades ago, when Paris could easily topple an African head of state without too much fuss. Now, she needs the “approval’’of the UN – and the money – to do so. Moreover, most of the new African leaders were born after these strange “independences’’ their fathers threw so cowardly to the dogs. Even though many of these young presidents still have a slave mentality vis-à-vis Paris, some of them refuse to act as its obedient lackeys.

Ironically, these “resisters” are the ones who will, at last, decolonise France, a country still haunted by its colonial past –  tragicomically at times.

EINDE ARTIKEL

GROENE
FRANKRIJK IS NOG GEWOON DE BAAS
20 FEBRUARI 2013
Een paar maanden nadat de zoveelste Franse president afstand had genomen van het neokolonialisme jagen de légionnaires al weer rebellen uit een Afrikaanse dictatuur. Frankrijk lijkt maar geen afstand te kunnen nemen van het schimmige web van belangen en prestige dat La Françafrique heet.

De ene interventie is de andere niet. Waar al bijna twee jaar vruchteloos wordt gesteggeld over ingrijpen in Syrië stuurde Frankrijk een maand geleden van de ene op de andere dag een paar duizend soldaten naar Mali. Schijnbaar de hele wereld brak uit in spontaan applaus – buurlanden, wereldmachten, internationale organisaties – terwijl de Franse soldaten de ene na de andere woestijnstad binnenrolden, soms opgehouden door aanslagen of een verrassingsoffensief per kano over de Niger.

Een VN-resolutie om het allemaal te legitimeren dobbert nu pas, nu de Fransen zich al weer opmaken om uit Mali te vertrekken, zonder enige tegenstand door de Veiligheidsraad. Slechts een enkeling sputtert een beetje. Zoals de Canadese minister van Buitenlandse Zaken, die vorige week zei dat de missie in Mali ‘nu al een counter-insurgency’ is en dat Mali ‘een nieuw Afghanistan’ dreigt te worden. Maar niemand legt Frankrijk werkelijk iets in de weg. De linkeroeverintellectuelen van Parijs al helemaal niet. ‘Frankrijk neemt de morele en operationele leiding van een rechtvaardige oorlog’, ronkte filosoof Bernard-Henri Lévy op zijn blog. ‘Met zijn beperkte middelen en hoge werkloosheid staat Frankrijk aan het hoofd van een andere vorm van globalisering, een deugdzame, genereuze variant: de globalisering van de democratie en vrede.’

Dat klinkt heel mooi, maar het roept toch vooral herinneringen op aan de recente Franse interventie in Libië, waarbij Lévy in zijn oogverblindend witte overhemd welhaast de troepen leek te leiden. Algemener gesproken is de aanblik van légionnaires die rebellen uit een Afrikaanse dictatuur jagen al decennia een vertrouwd gezicht. Een argeloze toeschouwer zou kunnen denken dat militair interventionisme in Afrika officieel Frans beleid is, zoals het dat lang is geweest.

Niets is echter minder waar. François Hollande beloofde nog maar een paar maanden geleden dat hij het aantal Franse soldaten in Mali omlaag zou schroeven. Sterker nog, hij beloofde dat voor heel Afrika. ‘Frankrijk heeft geen soldaten nodig in Afrika’, zei Hollande in oktober in Senegal, ‘maar een gedeelde visie op onze verantwoordelijkheden.’ De president verklaarde dat hij vastbesloten was om de relatie tussen Frankrijk en Afrika ‘te herstarten op een nieuwe basis’. En hij verzekerde zijn publiek: ‘Het tijdperk van wat eens “Françafrique” werd genoemd, is voorbij.’

Dat was klare taal. Maar in de zaal veroorzaakte dat niet direct opwinding. Want Hollande’s afscheid van La Françafrique was niet zozeer een hartenkreet als wel een verplicht nummer voor Franse gezagsdragers. ‘De tijden zijn veranderd’, zei Hollande’s voorganger, Nicolas Sarkozy, bijvoorbeeld een paar jaar geleden even plechtig in Kaapstad. En: ‘Frankrijk kan niet meer de gendarme van Afrika spelen.’ Wat later liet de voormalige gendarme de légionnaires invliegen om orde op zaken te stellen in Tsjaad, Ivoorkust en Libië. Ook Lionel Jospin, de socialistische premier van eind jaren negentig, kondigde al een ‘nieuw hoofdstuk’ aan in de Frans-Afrikaanse betrekkingen, met ‘noch inmenging, noch onverschilligheid’ als devies. De verschillende Franse militaire bases in Afrika bleven gewoon open. Zelfs president Jacques Chirac, de neo-gaullist pur sang, prevelde bij tijd en wijle iets over ‘nieuwe bladzijden’ in de Frans-Afrikaanse betrekkingen. Maar als puntje bij paaltje kwam, leek er toch vooral heel veel continuïteit te bestaan in de ‘speciale band’ tussen Frankrijk en Afrika.

Dat verbaast in de eerste plaats de Fransen zelf. ‘De Franse positie in Afrika is veel langer intact gebleven dan iedereen hier had verwacht’, zegt Antoine Glaser vanuit Parijs. Glaser is hoofdredacteur van Africa Intelligence, een Frans tijdschrift over Afrikaanse politiek en economie voor en achter de schermen. ‘Het Franse imperium bestond bij de gratie van de VS’, aldus Glaser. ‘Toen de Koude Oorlog afliep dachten politici, analisten en militairen dat Frankrijk zijn positie snel zou verliezen. Frankrijk is nu een zwak land, dat niet op kan tegen China, Brazilië en de andere nieuwe spelers. Maar het handjeklap tussen Franse en Afrikaanse leiders is er nog steeds. De economische belangen zijn er nog steeds, ondersteund door persoonlijke relaties. En in militair opzicht is Frankrijk in Afrika nog altijd alleen. Elke Franse president zegt wel: “O ja, Françafrique is nu echt definitief afgelopen.” Maar elk van hen eindigt weer met een Afrikaans masker op.’

Wie het heden wil begrijpen van de Franse positie in Afrika moet altijd eerst een stuk terug in de tijd. Naar de geschiedenis van La Françafrique, een term die maar niet in vergetelheid wil raken, hoe graag Franse presidenten dat ook willen. De Ivoriaanse president Félix Houphouët-Boigny nam de term als eerste in de mond, in de jaren vijftig. Hij bedoelde dat positief, als omschrijving van de vaderlijke begeleiding die Parijs bood aan de staten die net onafhankelijk waren geworden van Frankrijk. Maar het duurde maar kort voor de term zijn nare bijsmaak kreeg. Françafrique begon een synoniem te worden voor een schimmig, oncontroleerbaar netwerk van politici, zakenmannen, huurlingen, diplomaten, geheim agenten en andere tussenpersonen, die geld en diensten heen en weer sluisden tussen Parijs en Afrikaanse hoofd­steden.

Volgens critici kwam Françafrique neer op een cynische ruil. De Afrikaanse leiders hielden de boel rustig in de Franse achtertuin, leverden hun bodemschatten aan Franse bedrijven, en stortten af en toe wat tonnen op geheime rekeningen waarmee Franse politici hun campagnes bekostigden. Als tegenprestatie vlogen de Fransen hun soldaten in als de woedende massa’s of de rebellen door de straten trokken, of helikopterden ze de leiders naar hun Parijse villa’s als de boel niet meer te houden was. Een soort levensverzekering voor Afrikaanse despoten in ruil voor geld, toegang en invloed. Françafrique betekende daarom eigenlijk France à fric (‘Poen voor Frankrijk’), schreef de econoom François-Xavier Verschave in La Françafrique: Le plus long scandale de la République.

De kopstukken van Françafrique vormen een rijk tableau. Zoals de machtige Jacques Foccart, rechterhand van de presidenten De Gaulle, Pompidou en Chirac, en bewezen of vermoed instigator van een reeks staatsgrepen en andere intriges. Of Maurice Robert, eerst Afrika-chef van de geheime dienst, daarna topman bij olieconcern Elf, toen ambassadeur in Gabon (dat door Elf werd leeggepompt), toen weer terug naar Elf. Omar Bongo, ruim vier decennia capo/president van Gabon, het archetype van een kleptocratische oliestaat, en eigenaar van 33 villa’s en appartementen in Frankrijk. Bob Denard, de extreem-rechtse ex-stofzuigerverkoper die Frankrijks beruchtste huurling en serieel couppleger werd en die van de Comoren een privé-koninkrijk voor hem en zijn zeven vrouwen maakte. Jean-Christophe Mitterrand, oud_-_AFP-correspondent, veroordeeld wapensmokkelaar, zoon annex gezant van de president en in Afrika bekend als Papamadi (‘Mijn papa zei’). En naast hen nog een eindeloze rij minder kleurrijke, anonieme functionarissen en tussenpersonen.

Het netwerk van deze mannen leverde Frankrijk niet alleen wit, zwart en grijs geld op maar ook grote politieke voordelen. De Franse kolonies in Afrika werden in 1960 onafhankelijk, net toen generaal De Gaulle aan zijn presidentschap begon. Voor De Gaulle was het behouden van de Franse invloed en prestige als grootmacht het hoogste doel. Een Afrikaans pré-carré, een voorpost van bevriende staten, was voor hem essentieel als bolwerk tegen de voortkruipende ‘Angelsaksische’ invloed. En dus stemde de pré-carré in de Verenigde Naties en andere internationale organisaties braaf mee met Frankrijk en eisten de landen ervan overal Frans als voertaal. Ironisch genoeg bleef de pré-carré vooral intact omdat de VS de Franse positie in Afrika ijverig ondersteunden. Opeenvolgende Amerikaanse regeringen zagen Françafrique namelijk als een nuttig bolwerk tegen het voortkruipende communisme.

Na de Koude Oorlog viel de dreiging van het communisme weg, en daarmee de zwijgende Amerikaanse steun voor Françafrique. Nog erger was de morele doodsteek in 1994. Uit reconstructies van Britse kranten, Human Rights Watch en anderen blijkt dat het kabinet-Mitterrand de burgeroorlog in Rwanda zag als een ‘anglofoon complot’ tegen een Frans­sprekend land, en vervolgens met wapens, militaire adviseurs en inlichtingen de Hutu-regering steunde tegen de Tutsi-rebellen. Het liep uit op genocide. Iedereen in Frankrijk zag dat het anders moest, zelfs Jacques Chirac. En sindsdien zoekt daarom elke Franse president naar een ‘nieuw begin’ in de relatie met Afrika. En een einde aan Françafrique. Maar lukt dat?

‘Dat hangt ervan af wat je verstaat onder Françafrique’, zegt politicoloog Bruno Charbonneau, auteur van France and the New Imperialism in een telefonisch gesprek. ‘De oude, informele netwerken waar de term naar verwees – de persoonlijke, politieke, soms criminele netwerken – die dicteren het Franse beleid niet meer. Ook qua stijl is er een duidelijke verandering. De Franse regeringen hunkeren naar legitimiteit in de ogen van hun eigen bevolking en die van Afrika. De dagen van Jacques Foccart zijn voorbij, waarin Frankrijk in Afrika gewoon deed wat het wilde. Maar als je Françafrique ziet als de Franse positie en belangen in Afrika, dan zie je onder die veranderingen vooral veel continuïteit.’

Frankrijk mag dan wel afscheid willen nemen van zijn imago als neo-kolonisator en er is in Frankrijk voortdurend debat over de kosten versus de baten en de moraliteit van de Franse positie in Afrika. Maar de economische belangen op het continent, de politieke voordelen van de speciale positie en ja, de Franse rol op het wereld­toneel maken dat Franse regeringen als puntje bij paaltje komt maar weinig afstand nemen van de oude praktijk.

In militair opzicht, bijvoorbeeld. Nicolas Sarkozy wilde duidelijk een nieuwe koers varen. Hij verklaarde dat Afrika voor Frankrijk minder belangrijk was dan het Midden-Oosten en opende daarom een grote militaire basis in Abu Dhabi. Hij nam afstand van het militaire establishment en omringde zich in crisissituaties met vertrouwde adviseurs. ‘Hij imiteerde de war room van Amerikaanse presidenten’, zegt Charbonneau. Maar toen het moment kwam om een beslissing te nemen over de grote Franse militaire basis in Libreville, de hoofdstad van Gabon, besloot Sarkozy die open te houden. Ook elders bleven de laarzen op Afrikaanse bodem.

‘De Franse militaire positie in Afrika is niet aangetast’, zegt Charbonneau. ‘De interventie in Mali illustreert dat Frankrijk nog steeds wíl interveniëren in Afrika, dat het de enige is die dat ook kán, en dat er nog steeds Afrikaanse leiders zijn die erom vragen.’ En niet alleen Afrikaanse leiders. De VS lieten Frankrijk in Libië de kar trekken. In Mali trokken de Amerikanen een pak geld voor de Fransen en hielpen met militaire logistiek. De Britten ook, maar hun transportvliegtuig stond op dag één al aan de grond met panne. Dat zorgde voor enig gegniffel in Frankrijk, maar het illustreerde ook dat alleen de Fransen in de Sahel kunnen wat ze nu doen.

Ook als het gaat om de vriendjespolitiek verandert er minder dan Franse presidenten graag suggereren. Frankrijk eist nu van Afrikaanse leiders goed bestuur en sommeert oude vrienden soms om op te krassen als ze verkiezingen hebben verloren. Maar de ene vriend is de andere niet. In 2008 zei Jean-Marie Bockel, de eigenzinnige staatssecretaris voor Ontwikkeling en La Francophonie, tegen Le Monde dat hij ‘het doodscertificaat van Françafrique’ wilde tekenen. En hij bekritiseerde wanbestuur en corruptie ‘in sommige Afrikaanse staten’. Dat wekte de woede van Omar Bongo, die zich geheel terecht aangesproken voelde. Wat telefoontjes volgden naar het Elysée en Bockel werd door Sarkozy weggepromoveerd.

Sarkozy had als signaal ook de oude ‘Afrika-cel’ in het Elysée afgeschaft, waar Foccart zijn continent bestierde. Maar contact met Afrikaanse vrienden hield Sarkozy, zoals zijn voorgangers, via een informele tussenpersoon: de jurist Robert Bourgi. Toen Omar Bongo in 2009 overleed, werd diens zoon Ali in de verkiezingsrace bijgestaan door Bourgi. ‘In Gabon steunt Frankrijk geen kandidaat’, zei Bourgi toen, ‘maar de kandidaat van Robert Bourgi is Ali Bongo. En ik ben een zeer invloedrijke vriend van Nicolas Sarkozy. Op sublieme wijze zullen de stemmers het begrijpen.’ Ali Bongo won.

Ook incidenten in andere landen zetten Françafrique soms ongewenst in de schijnwerpers. In 2010 werd de spelersbus van het voetbalteam van Togo, op weg naar de Afrika Cup, beschoten door rebellen in de Angolese provincie Cabinda. Opeens zag de wereld dat daar een afscheidingsbeweging met geweld een olieprovincie van een geplaagd land afschermde. De kantoren van zowel de rebellen als de oliebedrijven die de olie nu oppompten, zaten in Parijs. Vertegenwoordigers van multinational Total, waar onder meer Elf in opgegaan is, zijn nog altijd cruciale spelers in het Afrika van vandaag.

Voor sommige Afrikaanse intellectuelen is het voortbestaan van deze patronen een enorme frustratie. ‘De nieuwe Afrikaanse leiders hebben duidelijk gekozen voor continuïteit in het beheer van Françafrique, het systeem van wederzijdse corruptie dat Frankrijk sinds het einde van het kolonialisme aan zijn Afrikaanse zetbazen bindt’, schreef de Kameroense filosoof Achille Mbembé drie jaar geleden.

In het geval van Mali spelen de informele netwerken en vriendjespolitiek volgens Jean-Marie Bockel, de voormalige staatssecretaris, echter ‘geen bepalende rol’. ‘De vorm van de interventie en het debat eromheen zijn natuurlijk bepaald door de geschiedenis van Frankrijk in Afrika’, zegt hij in een telefonisch gesprek. ‘Maar de interventie in Mali was vooral een kwestie van Franse en internationale veiligheid. De radicale islamisten moesten worden gestopt en Frankrijk is de enige die snel genoeg ter plaatse kon zijn om dat te doen.’ Dat is precies ook de positie van de Franse regering. François Hollande wil graag duidelijk maken dat deze interventie heel anders is dan die van vroeger en hamert er daarom voortdurend op dat Frankrijk nauwelijks economische belangen heeft in Mali. ‘Het enige doel van deze interventie is de strijd tegen terrorisme’, zei hij. Maar natuurlijk speelt er meer.

‘Hollande zet zwaar in op het thema van de radicale islam, om een juridisch dubieuze ingreep te verkopen’, zegt politicoloog Charbonneau. ‘Hollande blaast de terroristische dimensie enorm op. Mali is op geen enkele manier een existentiële bedreiging voor Europa. Het is een burgeroorlog in een falende staat, nota bene in een land dat lang een voorbeeld voor Afrikaanse democratie was tot de militairen vorig jaar de macht grepen. Een kwestie van mondiaal terrorisme is het zeker niet. Maar het is wel een burgeroorlog die allerlei Franse belangen bedreigde en de belangen van bevriende staten in de regio.’

Die belangen zijn, net als in voorgaande decennia, vaak economisch. ‘Hollande benadrukt steeds dat Frankrijk weinig economische belangen heeft in Mali. Dat is inderdaad waar, maar in de buurlanden zijn die belangen juist groot’, zegt Charbonneau. ‘Twee mijnen in Niger, in de provincie die naast Mali ligt, leveren het leeuwendeel van het uranium voor Frankrijks nucleaire industrie. Frankrijk stuurde meteen commando’s naar die mijnen om ze te beschermen. En er zit ook olie in Zuid-Libië en Zuid-Algerije, waar Frankrijk een oogje op heeft. Franse bedrijven zijn nog erg dominant in Ivoorkust, een buurland van Mali. Al die belangen beschermt Frankrijk door Mali stabiel te houden.’

En stabiliteit is niet alleen belangrijk voor de Franse portemonnee. Als de oorlog in Mali zich uitbreidt, bijvoorbeeld naar het instabiele Niger of Tsjaad, zal de wereld toch weer naar Frankrijk kijken om het op te lossen. Als Frankrijk dat niet doet, komen de problemen vanzelf wel naar Frankrijk. Miljoenen Fransen hebben Afrikaanse wortels, en als de Sahel-regio ontwricht zou raken, kijken de vluchtelingen vanzelf naar Frankrijk. ‘Sarkozy wilde Afrika meer loslaten, maar het thema van immigratie trok hem er vanzelf naar terug’, zegt _Africa Intelligence-_hoofdredacteur Antoine Glaser. ‘Het controleren van immigratieroutes maakt stabiliteit in Afrika belangrijk voor binnenlandse politiek. Net als het thema van de radicale islam. En net als het controleren van drugsroutes door de Sahel.’

Telkens als een Franse president zich meer wil losmaken uit Afrika blijkt Frankrijk meer verstrikt in het continent dan gedacht. Of, cynisch geformuleerd, vindt Françafrique een nieuwe reden voor zijn bestaan. Ook de droom van Franse grandeur heeft zich weer opgericht. ‘De legertop had veel invloed verloren bij Sarkozy, maar ze leunen weer sterk op Hollande’, zegt Glaser. ‘In het leger is het nog altijd een dogma dat Frankrijk zonder Afrika geostrategisch is uitgespeeld. De Franse rol in de Veiligheidsraad van de VN leunt op de militaire aanwezigheid in Afrika. Het idee dat Frankrijk daar niet zonder kan, is weer helemaal terug.’ En ook de Amerikaanse steun is terug, met de Amerikaanse zorgen om terrorisme in plaats van de vroegere Amerikaanse zorgen om communisme.

Françafrique dood? Even dood als die andere keren dat het verscheiden ervan werd aangekondigd, schreef Christophe Boisbouvier, Afrika-redacteur van Radio France International. Als na ‘Rwanda’. Als na het ‘doodscertificaat’ van Bockel. Als toen Afrikaanse leiders en Mitterrand zich symbolisch rond de doodskist schaarden van Houphouët-Boigny, de bedenker van de term Françafrique. Zelfs de illegale financiering van Franse politici bestaat volgens hem nog.

Het is een enorm contrast met de nieuwe richting die Afrika ingeslagen is. Over bijna het hele continent groeit de middenklasse en uit de hele wereld stromen de investeringen binnen. ‘Afrika is het nieuwe speelterrein voor iedereen’, zegt Glaser. ‘Frankrijk verliest voortdurend marktaandeel aan nieuwkomers. Aan China en Brazilië, natuurlijk, maar ook aan Turkije, India, Arabische landen en al die nieuwe spelers in de wereldeconomie. Maar zij zien Afrika alleen als markt en ze laten Afrika in politiek en strategisch opzicht links liggen. In de pré-carré is Frankrijk nog gewoon de baas.’
EINDE ARTIKEL
FRANCE’S NEO COLONIAL WAR ON TERROR IN MALI
11 APRIL 2019

French-backed militarisation in Mali is aimed at protecting its economic interests, and only compounds Mali’s problems.

In his book 1984, George Orwell says: “He who controls the past, controls the future; and he who controls the present, controls the past.”

When seeking a balanced glimpse into the history of Islam in Africa, the journey is enlightening. This is especially true when researching areas like Mali and Nigeria – both of whom hosted two of the most glorious African Islamic empires in the history of the world: that of Mansa Musa (14th and 15th centuries) and the Sokoto Caliphate of Uthman don Fadio (19th century).

Documents recovered in Timbuktu show that it was through these men that the light of Islamic law, literature, the sciences and exploration spread throughout the continent, and under whom other religions were not only respected but protected.

African Islamic history is re-emerging

Despite some concerted attempts to prevent it from doing so, the history of Islam in Africa is re-emerging and forcing us to reconsider current Eurocentric history.

Two huge maritime voyages of the Malian Empire under the command of the explorer king Mansa Abubakari II, who succeeded Mansa Musa, and is said to have landed in the Americas 181 years before Columbus. This explains the fascinating accounts of the Muslim roots of Afro-Caribbean slaves, and also the shadows of Islam in the early blues.

Recent academic research in the US has found that Islam formed a pivotal force in both the shaping of early American law and in the calls to end slavery there.

But Mali is also a key focus in the West’s ‘War on Terror’. Caught amidst this terrible conflict are the documents and knowledge that bear testimony to this glorious past: in Timbuktu.

French colonisation and the Tuareg resistance

A closer look at the roots of the current conflict cannot ignore the nation’s northern populations, especially the Tuareg people, nomadic Berbers who adopted Islam in the 7th century and took the religion throughout north Africa.

When the French colonised the region at the turn of the 19th century, Tuareg Muslims mounted fierce resistance, winning some decisive battles, but in the end, had to accept the superiority of France’s weaponry.

The dismemberment of the territory under France, and the introduction of foreign governance and economic systems, together with desertification in the north, reduced people to extreme poverty and ethnic conflict that simmers to this day.

This conflict, since 9/11, has been framed within a ‘War on Terror’ narrative. The Tuareg uprisings, however, are not purely an “Islamist” problem, as so-called experts have characterised it. Anti-government and anti-French sentiment is not the sole purview of the Muslims – rather it extends to other ethnic groups in the economically crippled north and is grounded in valid grievances.

According to the World Bank, almost 44 percent of Malians live below the poverty line, which is a travesty considering the abundant natural resources of the region.

A war driven by global consumerism

France’s interests in the region are primarily economic. Their military actions protect their access to oil and uranium in the region – all of which are required to sustain the demands of consumerism.

French energy giants like Total control many of the downstream oil distribution networks in Mali, which arise in the Taoudeni Basin, a massive oilfield that stretches 1,000 km (600 miles) from Mauritania across Mali and into Algeria.

An incredible 75 percent of France’s electric power is generated by nuclear plants that are mostly fuelled by uranium extracted on Mali’s border region of Kidal – a region beset with violence between French-backed troops and forces of Al Qaeda in the Islamic Maghreb (AQIM).

Let’s not forget about the gold; Mali is Africa’s third largest gold producer, and there are several multinational mining companies, including Randgold (UK), AngloGold Ashanti (South Africa), B2Gold (Canada) and Resolute Mining (Australia), that have huge operations there.

Major players in the conflict

The conflict in Mali involves several players, including the Malian army, which relies on support from the UN Multidimensional Integrated Stabilization Mission in Mali (MINUSMA), as well as French forces with the tacit support of the US and the UK, and other allies.

These forces up until very recently were pitted against various violent groups – like the National Movement for the Liberation of Azawad (MNLA) and Ansar Al Dine (AAD) – but those have now united under Jama’a Nusrat ul-Islam wa al-Muslimin (JNIM), or the Group to Support Islam and Muslims.

This group also includes members of Al Qaeda in the Maghreb (AQIM), under the leadership of Iyad Ag Ghali, a historical Tuareg fighter (and member of MNLA) and who has pledged allegiance to the Taliban and Ayman Mohammed Rabie al Zawahiri.

The dominant colonial player, France, is supported by the United States through three covert bases. The US also funds a variety of ‘hearts and minds’ programs including radio stations and counter-extremism initiatives, in the same manner as elsewhere in Africa under the banner of “aid”.

The Malian people face the constant threat of armed drones operated by France under the pretence of incinerating the “militant” who “dissimulates himself amidst the civilian population”.

Accusations of war crimes abound against armies on all sides of the conflict, but there is no objective, reliable and transparent judicial process to address yet another of the many global sinkholes of violence exacerbated by the ‘War on Terror’.

Dialogue must allow a return to the best of Mali’s peaceful past

Groups opposing the French-backed militarisation of the country use anti-colonial language from an Islamic perspective, and their message is: you have to chase the French coloniser who hates Islam.

With the ongoing abuse and conflict in the area and the continued removal of resources by Western multinationals in the face of dire poverty and suffering, it is not hard to see why this narrative has gained traction. This statement is not to condone it – far from it – but the context of rage and violence must be understood to chart a path ahead that is genuinely invested in peace and equality.

Key to finding peace in the region is that Islam should be allowed to flourish as it did under Musa and Fodio, despite current concerted efforts to shroud Islam there in dishonour.

EINDE ARTIKEL
MALI ATTACKS LED TO FRENCH ROLE
29 SEPTEMBER 2017

France was in a sense attacked twice this fall, because apart from the horrific massacre in Paris on Nov. 13, the jihadi attack one week later on the Radisson Blu Hotel in Bamako, the capital of the former French colony of Mali in northern Africa, was also to a large extent aimed at the French.

The posh establishment is in an upscale neighbourhood, frequented by many westerners. Aid workers, diplomats and United Nations officials — not to mention Air France flight crews — all stay there.

The hotel was, ironically, hosting meetings meant to stabilize the country’s volatile north. Peace negotiations have been dragging on between the central government and northern separatist groups for more than two years in an effort to end the disputes that turned large sections of the country into a haven for radical Islamic militants.

“The attack was targeting the peace agreement,” said Sidi Brahim Ould Sidati, a representative of the Co-ordination of Azawad Movements, a coalition of groups that include ethnic Arabs and Tuaregs seeking autonomy in northern Mali.

They killed 20 people, including six Russians, three Chinese, two Belgians, an American and an Israeli.

Al-Qaeda in the Islamic Maghreb (AQIM) and its affiliate, al-Mourabitoun, has said they were responsible for the attack. Al-Mourabitoun, a group located in northern Mali and made up mostly of Tuaregs and Arabs, was formed around two years ago and is headed by former al-Qaeda fighter Mokhtar Belmokhtar, an Algerian.

Al-Mourabitoun has claimed responsibility for the death of five people last March in an attack on a restaurant in Bamako; a suicide attack on a group of UN peacekeepers in northern Mali in April in which at least three people died; and an attack on a hotel in Sévaré in central Mali in August in which 17 people were killed.

Jihadis controlled the northern two-thirds of the vast country for a time. Though secular separatist groups first wrested northern Mali, an area known as Azawad, from the government in March 2012, using weapons looted from arsenals in neighbouring Libya, they were soon overtaken by al-Qaeda-allied radicals.

France intervened in January 2013. That lightning operation succeeded in breaking their grip on northern Mali and liberating more than a million people from their rule.

But Operation Serval, as the French intervention was called, didn’t end the terrorist threat.  The African Union and UN forces that largely replaced French troops in much of the country have been less effective.

A new group, the Macina Liberation Front, came to prominence in January 2015, when it began claiming responsibility for attacks in central and southern Mali. Led by the radical Muslim cleric Amadou Koufa, a strong proponent of strict Islamic law in Mali, it draws most of its support from the Fulani ethnic group, who are found across the Sahel region of Africa.

Koufa is a close ally of Tuareg jihadist Iyad Ag Ghali, who leads the powerful group Ansar Dine. It implemented Sharia law in towns it captured during the 2012 uprising, including the ancient city of Timbuktu. Ghali had recently called for attacks on France and its interests in Mali.

France now has 3,500 forces operating in the Sahel as part of an anti-terror operation known as Operation Barkhane. Established in August 2014, it is targeting five former French colonies — Burkina Faso, Chad, Mauritania, Niger and Mali.

In response to the latest attack, France has now deployed its Special Forces unit to Bamako, including the National Gendarmerie Intervention Group (GIGN) that was involved in countering the recent Paris attacks.

The timing of the Bamako attack could have been an attempt by AQIM and its allies to assert its relevance following the Paris attacks by the rival Islamic State group that killed 130 people a week earlier.

In what was perhaps a follow-up, a United Nations peacekeeping base in Kidal in northern Mali was attacked on Nov. 28, killing three people. They were part of the 10,000-person UN Multidimensional Integrated Stabilization Mission in Mali. Ansar Dine claimed responsibility.

 

EINDE ARTIKEL

THE MILITARY INTERVENTION IN MALI AND BEYOND: AN INTERVIEW
WITH BRUNO CHARBONNEAU
28 March 2019

Distinguished scholar and Sahel specialist Bruno Charbonneau critically examines the 2013 French military intervention in Mali and the peacekeeping initiative which followed.

Q. Why did the French launch a military intervention in Mali in 2013?

Officially, French President François Hollande launched operation Serval in January 2013 to prevent jihadist armed groups from reaching Bamako and to restore Mali’s territorial integrity. During the summer of 2012, the jihadist armed groups had taken over the rebellion from the separatists and had begun imposing their rule over the northern territories of Mali. In December, the UN Security Council authorised the deployment of an African force (AFISMA), which is likely what prompted the jihadists to move south a few weeks later, towards the strategic airport at Sévaré, in Central Mali. These troop movements were interpreted in Paris as a threat to Bamako, and thus as a cause for triggering operation Serval.

There is no doubt that, for the French government, this was (and still is) a military intervention launched under the necessities of the global war on terror; a war or an intervention which was often compared to Afghanistan. And since the Malian army had been unable to face it, and African regional organisations were slow in responding, the French military was the assumed ‘normal’ alternative in the context of Francophone Africa.

The imperial legacies of French military interventions in Africa always loom large. Yet, on the heels of the 2011 Ivorian election crisis, the French government never claimed that it could or wanted to impose a solution to the Malian armed conflict. Hollande and his generals were clear: the French army was to fight terrorists and stabilise the situation. The conflict resolution and peacebuilding work was to be done by Malians with UN help. Serval was supposed to be a ‘bridging force’ for a UN peacekeeping mission and for establishing the conditions deemed necessary for a political solution.

Q. Following Operation Serval, the UN authorised the Multidimensional Integrated Stabilization Mission in Mali (MINUSMA). Originally, what was MINUSMA’s mandate?

In 2013, acting under Chapter VII of the UN Charter, MINUSMA’s mandate included three core missions: stabilisation, support for the reestablishment of the Malian state authority over its territory, and support of a transitional road map. UN Security Council resolution 2100 also authorised French troops to ‘use all necessary means’ in order ‘to intervene in support of elements of MINUSMA’.

Q. How have MINUSMA’s mandates changed since 2013?

The three core missions never really changed, but the mandate nevertheless evolved in two significant ways. First, with resolution 2227 (2015), support for the implementation of the 2015 Agreement for Peace and Reconciliation in Mali became a priority task, then MINUSMA’s strategic priority with resolution 2295 (2016). From then on, the roadmap for implementing the Agreement was intimately intertwined with the restoration of Malian state authority. Political and institutional reforms, support for SSR and DDR programs, for reconciliation and justice measures, and for the organisation of elections, and more, are conceived as building the necessary state capacity for asserting state authority. The extent to which the UN or MINUSMA distinguishes capacity from authority is unclear, but, as my colleague Jonathan Sears argued, this technical-capacity focus often undermines contextualised understandings ‘of the bureaucratic, political, and perceptual challenges that the State faces.’

The second way is in how MINUSMA’s mandate has adapted to and authorised parallel counterterrorist operations: namely French and G5 Sahel forces. In the case of the former, despite the early tactical successes of Serval, as early as 2014 France assessed that it could not leave Mali. The situation was not stable and the fear was to see the jihadists make a comeback. But the French needed a success story, so they claimed ‘mission accomplished’ for Serval and transformed it into operation Barkhane. While it is usually minimised, I think that this was a radical move.

Barkhane is a permanent military intervention that operates not within a country, but over the G5 Sahel countries of Burkina Faso, Chad, Mali, Mauritania, and Niger. Barkhane moves rather freely across these countries (except Mauritania, and some restrictions in Burkina Faso), operates autonomously in Mali, and autonomously in Niger if under ‘emergency conditions’, while it needs the approval of the respective governments of the other countries for offensive missions. While the reach of Barkhane goes well beyond Serval’s, UN Security Council resolutions have continued authorising French troops to ‘use all necessary means’ to support elements of MINUSMA. I do not know of any other such post-1945 arrangement or military intervention that officially authorises such freedom of military movement and intervention across multiple borders.

On the other hand, since 2017 MINUSMA must provide operation and logistical support to the defence and security forces of the states of the G5 Sahel when they intervene on Malian territory as part of the G5 Joint Force. This includes medical evacuation and access to ‘essentials’ like fuel, water, and rations.

As the security situation has unabatedly worsened since 2014 (since 2015, all reports by the UN Special Representative on the situation in Mali have stated that the security and humanitarian situation keeps worsening), MINUSMA’s posture and mandate were not really transformed to reinvigorate the peace process, but rather to support the counter-terrorist posture, notably the G5 Sahel Joint Force. MINUSMA’s political mission of supporting the peace process has been subordinated to military logic.

Q. Is “counter-terrorism” an accurate description of MINUSMA’s activities? Is there a realistic idea of who the “terrorists” they are meant to be fighting in Mali are?

It really depends on how you define counter-terrorism. Strictly speaking, MINUSMA is not engaging in counter-terrorist kinetic actions like the French and their allies. At the least, it engages in counter-terrorism in the very limited meaning of the term as tactical measures to protect UN peacekeeping personnel (as of 1 March 2019, the mission has lost 122 personnel and 358 suffered serious injuries from ‘malicious acts’).

Having said that, MINUSMA enables counter-terrorist activities in several ways. One is through its mandate which authorises and supports French and African counter-terrorist forces, as discussed previously. Two, it is an open secret that MINUSMA shares intelligence and analyses with the parallel forces deployed in Mali, even though such exchanges are rarely reciprocal. Third, with the exception of the Mopti base, all MINUSMA camps are contiguous or even common (in the cases of Kidal and Tessalit) to those of the Barkhane force. MINUSMA provides logistical support (air travel mostly) to French forces when needed. For instance, the Canadian contingent based in Gao recently evacuated injured French soldiers who were ambushed near the Niger border. All of this is justified and defined in terms of a “division of labour” between MINUSMA who engages with the legitimate political actors part of the peace process, and counterterrorist troops who deal with terrorists.

This division of labour is thus premised on the ability and on the authority to distinguish between terrorist and non-terrorist actors, and between legitimate and illegitimate spheres of activities and politics. This totally works on paper, as a broader strategy of violence legitimization, because it addresses the legal aspects of having two international military forces operating in the same theater, of separating UN peacekeepers from combat troops.

Of course, in practice, reality is not written in binary code. Researchers have shown, time and again, that so-called terrorist groups in Mali and the Sahel are embedded in local dynamics, and have some degree of political authority and legitimacy as they find support in criticisms of and protests over bad governance and lack of justice. The ‘terrorist’ label disarticulates these groups, movements, and dynamics from the contexts of their historical and contemporary relations, but articulates the legal and doctrinal need for clearly defined roles and responsibilities. Moreover, the same label is not applied to non-jihadist armed militias when they kill and burn civilians, at least 160 in the Ogossagou massacre of 23 March 2019, suggesting both the hypocrisy and the inadequacies of the ‘terrorism’ conflict narrative.

Q. The Mali intervention and some other cases have yielded much discussion about the desirability of peacekeepers undertaking counterterrorism roles. Can UN peacekeeping ever work effectively within a counterterrorism paradigm?

Not if you believe that UN peacekeeping is a distinct and worthy instrument for conflict management and resolution. Doing so defeats the purpose of UN peacekeeping because counterterrorism undermines the impartiality principle of the former. The logic, ethics and purpose of counterterrorism are grounded in enmity: it needs to identify an enemy to destroy. By definition, UN peacekeepers are not supposed to have or identify enemies. Otherwise, they become just like all the other soldiers, lose what makes them unique, and might as well just go to war. Impartiality is, here, the key principle because it plays a fundamental function in drawing the limits to the use of force and its purpose. Impartiality does not prohibit peacekeepers from using military force, but severs the link between violent coercion and enmity; between the use of military force and the identification of an enemy. Instead, it links and limits the use of force to a political process and the search for a political solution.

Q. In 2019, how stable is the situation in Mali?

The situation seems to be going nowhere but downhill. The North has been relatively stable since 2017, but there are sporadic attacks against Malian and UN forces, or fighting between rival armed groups, notably around the traffic (in licit and illicit goods) hubs that are Gao and Meneka.

The situation in the Centre of Mali (Mopti and Segou regions) is nearly catastrophic. The patterns of violence are different from the 2012 origins of the conflict, and not really addressed by the 2015 Agreement or MINUSMA’s mandate and posture. The Centre is a mixed bag of community fragmentation, historical herders-pastoral conflicts, ethnicization of violence, militias and various armed groups (including jihadists) protection economy, and a retreating state whose army is known for committing human rights abuses. The severity of the Ogossagou tragedy might be a turning point in the escalation of violence.

Several armed groups have spread south towards the capital Bamako, but Bamako remains an ‘island of peace’ for now. The regional situation must also be considered, as the instability has been steadily spreading to Burkina Faso since 2015, and somewhat less so to Niger, along the tri-border area between the three countries. Overall, the prognostic is bad: the Malian state is losing ground and the government shows little interest in working towards serious implementation of the Peace and Reconciliation Agreement; jihadist elements and various armed groups are governing parts of the country, assuming the role of the state, especially in the Centre, and some are spreading south and to neighbouring countries. The French might claim all sorts of tactical victories, but the military counter-terrorist approach is clearly not working, and has arguably made things worse.

Q. Is Mali reflective of a broader trend in modern security? Are seemingly perpetual conflicts and interventions the new normal?

Military intervention in Mali is articulated in the joining of French-led counter-terrorism and UN peacekeeping, presented as a ‘division of labour’ between parallel forces. Criticising this posture is difficult, even censored at times, as it is assumed to be necessary given the so-called limits of UN peacekeeping in facing terrorist groups and the fragmentation of conflict actors. In this context, UN peacekeeping compares to counter-insurgency, counter-terrorism or imperial pacification, but such comparisons have been limited to tactical and operational concerns, thus largely missing the ‘big picture’. In Mali, the difficulties in implementing this division of labour have revealed the intense international politics involved in defining, and laying claims to, the tolerable limits of military intervention. Mali exposed and revealed what I call ‘counter-insurgency politics’.

Counter-insurgency politics is military intervention that does not seek conflict resolution, or even ‘victory’, but sustained military engagement in the management and suppression of instability and its effects. It is a mode of global governance, with military intervention at its centre. But there are at least ‘two sides’ to this. On the one hand, it is indeed about claims to the necessities of perpetual military intervention. To me, in the Sahel, it is rather clear that European involvement (4,500 French Barkhane troops; 580 European troops under EUTM; 900 German and 470 Italian troops in Niger; plus European contributions to MINUSMA’s intelligence-gathering units) is not about supporting a peace process, but a permanent intervention to prevent the ‘flows’, as EU officials call it, of migration and illicit trafficking to Europe. Flows that are assumed to be caused, in part, by Malian instability.

But it is also, on the other hand, about transforming or integrating the post-colonial state within this logic. How do you make permanent military intervention integral to the existence of the post-colonial state? In part, the failure of the post-colonial state to monopolize violence is part of the space in which such military intervention and the associated politics can exist and take shape. What is happening in Mali is not some French neo-colonial endeavour in the West African Sahel. This is not the counter-insurgency doctrine of ‘winning hearts and minds’ to build liberal subjects. Intervention in Mali is an extensive international engagement of transforming regional and national security management and governance, involving a multitude of global governance structures and transnational elite networks that normalise the use of force on the basis of claims about countering or preventing terrorism and violent extremism. Military intervention incorporates ‘development’ and ‘holistic approaches’ into its logic only to the extent that it normalises and legitimises the use of force. And the distinctive feature of this counter-insurgency politics, or counter-insurgency governance, is perpetual war.

EINDE ARTIKEL
[37]
De derde reden voor de vele aanslagen in het land is de leidende rol van Frankrijk in de strijd tegen Islamitische Staat (IS). “Frankrijk voert veel bombardementen uit op IS”, zegt Eijkman. “Doordat ze bij de leidende landen horen, vormen ze een legitiem doelwit bij IS-gerelateerde aanslagen.”
NOS
WAAROM WEER EEN AANSLAG IN FRANKRIJK?
15 JULI 2016
[38]
”Juist bij de eenzame pleger van aanslagen is het moeilijk te zeggen waar het terrorisme begint en de psychiatrische aandoening eindigt. Dat geldt natuurlijk voor veel criminelen – mensen met psychische aandoeningen en mentale handicaps zijn oververtegenwoordigd in gevangenissen. Daarmee wordt niets goedgepraat, maar een maatschappij die verstandig wenst om te gaan met wat haar dreigt te ontwrichten, moet zich verdiepen in de ontwrichters.”
[39]
Macron sloeg na de moord betrekkelijk oorlogszuchtige taal uit, en dit keer begrijpelijk, hij kon het initiatief niet overlaten aan extreemrechts, en de beroemde laïcité, de speciale Franse variant van secularisme, stond onder druk.  ”
[40]
Aangezien de moordenaar, Abdoullakh Anzorov – geboren in Moskou, van Tsjetsjeense afkomst, vanaf zijn 6e woonachtig in Frankrijk – vrijwel meteen na de moord door de politie gedood is, zullen bepaalde zaken nooit helemaal opgehelderd worden.’
WORDT VERVOLGD
EENZAME AANSLAGPLEGER
ARNON GRUNBERG
CAMBRIDGE DICTIONARY
trigger-happy
TRIGGER HAPPY
Someone who is trigger-happy often uses his or her gunshooting with very little reason:
Some have accused the police of being trigger-happy.

TERRORISME/DOOR HET WESTEN GECREEERDE DRAAK/WEG MET SHOOT TO KILL ANTI TERREUREENHEDEN

ASTRID ESSED

16 MEI 2015

https://www.astridessed.nl/terrorismedoor-het-westen-gecreeerde-draakweg-met-shoot-to-kill-anti-terreureenheden/

BOEDDHISTISCH DAGBLADVERDACHTEN WORDEN ”GEKUIST” EN NIEMAND MAAKT ZICH ER DRUK OVER

19 JANUARI 2015

https://boeddhistischdagblad.nl/achtergronden/39384-verdachten-worden-gekuist-en-niemand-maakt-zich-er-druk/

Naar aanleiding van de verschrikkelijke gebeurtenissen in Parijs waar drie extremisten bijna twee weken geleden een bloedbad aanrichtten waarbij zeventien onschuldige mensen en zijzelf om het leven kwamen, is de laatste weken een discussie op gang gekomen over de –grenzen van – vrijheid van meningsuiting. En dat is goed. Vrijheid van meningsuiting betekent in een democratie ook het recht op informatie, je kunt je pas uiten over kwesties als je daar kennis van draagt. Anders leef je het leven van een mens die in een bunker opgesloten zit. Een hersendode. Geen artikelen, geen meningen, geen cartoons. Geen Kalasjnikovs en executies.

Het vreemde is dat die vrijheid van meningsuiting, het recht op informatie, door de Franse en Belgische autoriteiten met voeten getreden wordt waar het gaat om informatie over de wijze van uitschakelen van mannen die er van verdacht worden vreselijke dingen te hebben gedaan, namelijk het in koelen bloede vermoorden van onschuldige mensen. Deze autoriteiten gedragen zich als Big Brother, de almachtige, de alwetende, de alleenheerser en wij nemen genoegen met hun: geen commentaar. Vorige week zag ik op de tv de Belgische minister Jambon die naar aanleiding van de gebeurtenissen in het Belgische Verviers en in antwoord op een vraag van een Nederlandse journalist glimlachend antwoordde dat de zaak daar mooi gekuist was. Schoongemaakt. Zo omschreef hij de dood van twee mannen die in een vuurgevecht met Belgische veiligheidsdiensten werden doodgeschoten. Gekuist. De journalist vroeg niet verder, niemand vroeg verder.

De dag na de moorden in Parijs, op de stagiaire van de Franse politie, de klanten van de Joodse supermarkt en de medewerkers van het satirische blad Charlie Hebdo, werden de broers Kouachi- verdacht van deze vreselijke feiten, door de politie of veiligheidsdiensten doodgeschoten toen ze ‘al schietend de drukkerij verlieten waar ze zich hadden verschanst’. Zestigduizend politiemensen waren er op de been om de twee mannen op te sporen en voor de rechter te brengen. Zoals in een rechtsstaat normaal en gebruikelijk is. Frankrijk en België zijn landen waar nog steeds- in dit geval een jury en een rechter oordelen over iemands schuld. Dat recht hebben we als burgers gedelegeerd om volksgerichten en blinde woede en wraakzucht te voorkomen. Vrouwe Justitia met de blinddoek voor. Niet de rechter maar zwaarbewapende politiemensen en/of militairen velden en voltrokken het vonnis.

Journalisten vroegen niet verder, niemand vroeg verder.

Misschien kon het niet anders. Niemand weet of het doodschieten van de vijf mannen-drie in Parijs, twee in Verviers, te voorkomen was geweest. Omdat er geen informatie over is en alleen maar vragen rijzen. Waarom werden de twee mannen die ‘al schietend’ uit de drukkerij renden niet uitgeschakeld door goed opgeleide scherpschutters? Waarom gebeurde dat ook niet in Verviers? Was de situatie er niet naar. Er waren toch goed geoefende en uitgeruste ‘speciale eenheden’ aanwezig. We weten het niet, er is gekuist. Eenieder zou voor de wet gelijk moeten zijn: ook terroristen. In dit geval verdachten, tot de rechter heeft gesproken. Zo zou het moeten zijn in een Europa waar miljoenen mensen de straat opgaan om  vrijheid van meningsuiting te verdedigen. We zijn aangeland op het niveau van het kuisen van mensen en niemand maakt zich er druk over. Niemand wil weten wat de waarheid is.

EINDE BERICHT

Creative Commons

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!