Ni Dios, Ni Amo!

Ni Dios, Ni Amo!

donderdag 10 mei 2012 21:49

Pleidooi voor luiheid, minder wetenschappelijke betutteling en onteigening van privé-eigendom

NOOD AAN ANARCHISTISCHE BENADERINGEN

Op 1 mei was het weer hoogdag van de arbeid. De straten kleurden ideologisch (donker)rood. De politieke partijen probeerden mekaar af te troeven met begrip voor en beloftes aan de arbeidersklasse. Maar verder dan de jaarlijkse clichés geraakten we niet. Meer dan een gefrustreerde vakbondsgemeenschap en wat onderkoelde economische analyses hoeven we dan ook niet te verwachten. Het failliet van de huidige structuren, denkwijzen en instituten zal er opnieuw mee in de verf gezet worden, doch geen haan die ernaar kraaien zal. Op 2 mei kwam er weer een nieuwe dag met nieuwe problemen en nieuwe gebeurtenissen. Alles gaat weer verder zoals het geweest was.

We mogen gelukkig zijn dat er in deze donkerblauwe tijden nog steeds donkerrode kritieken klinken, vaak net vertegenwoordigd door de vakbonden. Er wordt echter niets overstegen. Diezelfde vakbonden ijveren ook voor meer werkgelegenheid en dus meer economische groei. Diezelfde vakbonden doen ook beroep op standaard wetenschappelijke analyses om hun gelijk te halen in de debatten. Niets nieuws onder de horizon. De vakbonden zijn een onderdeel van de doordeweekse burgerlijkheid en normaliteit.

Er is geen tegencultuur meer vertegenwoordigd in de gedrukte pers, op de televisie of in het politieke klimaat. Het overgrote deel van de invloedrijke entiteiten, van het onderwijs tot allerhande denktanken, van de grote en middelgrote bedrijven tot de oude en nieuwe media, van de rechtbanken tot belangengroepen en -verenigingen, van de markten tot de academies en van de vakbonden tot de politieke partijen, zijn allemaal zo burgerlijk en genormaliseerd als maar zijn kan. Vandaag misschien meer dan ooit, omdat de illusie dat we allemaal vrijer zijn dan ooit meer dan ooit geloofd wordt! Elkieder is zodanig vastgeketend aan dit Westerse bedrog, dat deze onvrijheid zich dag in dag uit manifesteert in alles wat we doen, zeggen en zelfs denken. Meer dan ooit is de mens die zich vandaag écht vrij uit, onderhevig aan allerhande vormen van onbegrip, van schreeuwerige kritieken tot brutale (vaak sociale of immateriële) sancties. Het bestaan van deze vrije mens op zich is al een daad van zuivere rebellie, zou Albert Camus gezegd hebben.

STREVEN NAAR LUIHEID, WANT PROFITEURS ZIJN ER AL GENOEG

Wie vandaag nog maar durft afwezig te zijn zonder geldig doktersbewijs, riskeert te vragen voor uitstel van een deadline of gebruik maakt van allerhande vormen van sociale bijstand, is meteen een profiteur. Een parasiet in het systeem waar we allemaal voor betalen. Dit is wat we allemaal moeten denken, of we nu willen of niet. Wie anders zegt, is in het beste geval nog een vakbondsgezinde, maar over het algemeen is die meteen ook een profiteur of botweg een charlatan.

De grootste parasieten zijn echter zij die dag in dag uit deze voorgekauwde, verpletterend slaafse mening opnieuw en opnieuw reproduceren. Nog erger zijn diegenen die ze publiek verdedigen of willen omzetten in geïnstitutionaliseerde wetten. Zij parasiteren en profiteren van de gedachten van enkele zeloten omwille van hun eigen gemak en benefiet. Zij leggen deze gedachten aan mekaar op, via de media, via hun sociale relaties op het werk, tussen vrienden en in familie. Intellectuele luiheid waarin het autonome denken uit handen gegeven wordt, is misschien wel de grootste vorm van profitariaat vandaag.

Daarom is het zo belangrijk om lui en nutteloos te kunnen en mogen zijn. Meer thuis kunnen blijven en minder werk mee naar huis nemen. Het dagelijkse (over)leven eist al genoeg van ons, ook al heeft de neolithische revolutie voor heel wat gemakken gezorgd. Lui zijn impliceert tijd nemen, jezelf tijd toe-eigenen. Het is absoluut niet hetzelfde als verveling. Verveling ten gevolge van luiheid betekent vaak gemakzucht. Eén van de moeilijkste dingen in het menselijke leven is echter voor jezelf denken. Dat impliceert een levenshouding en dus geen vanzelfsprekendheid die zich manifesteert in arrogantie of brutale assertiviteit. Voor jezelf denken betekent vaak ook luisteren naar anderen hun visies, met een andere (tegenstrijdige) bril naar de wereld kijken en daar enkele weken mee rondlopen, je bepaalde denkwijzen eigen maken ook al zijn ze niet de jouwe, enzovoorts.

En ook daarom hebben we tijd nodig om lui te zijn. Om niet te hoeven gaan werken en om niet met werk bezig te zijn. Tijd die we kunnen gebruiken om te denken, lezen, discussiëren en luisteren. Deze tijd is niet dezelfde als “vrije tijd” of ontspanning. Dit zijn namelijk al toe-eigeningen van tijd in de huidige commerciële logica. Het gaat over de eigen creatie van een vrije ruimte waarin je je de tijd toe-eigent. Als dit ten koste gaat van werk, zullen we het maar lui- of nutteloosheid noemen (conform aan het heersende discours). En daarvoor moet je zelf voortdurend strijden, want iedereen zal beslag willen leggen op die tijd. Ruk je los uit de inbeslagneming van jouw tijd door de ander. Wees je eigen meester.

OMDAT DE WETENSCHAPPEN GEEN WAARHEDEN KENNEN

De wetenschappen vandaag hebben ongelooflijke pretenties. Sinds we allemaal de basispremissen van falsificatie, homo economicus (dat is: de rationele, nutsmaximaliserende, uit-eigen-belang handelende mens) en atheïsme aanvaard hebben, beschouwen we deze wetenschappen echter niet meer als pretentieus. Onze metafysische/ontologische en vaak ook epistemologische premissen lijken wel beslecht te zijn, alsof het evidenties zijn. We geloven in de neutraliteit, objectiviteit en universaliteit van vele theorieën. Een geloof dat leidt tot de meest slaafse aanvaarding van wat we niet begrijpen, nog het best te vergelijken met dogmatische godsdiensten. De machtsuitoefening die de wetenschappen vandaag typeert, is dan ook bijna weergaloos.

We maken ons geen zorgen meer om excessen van de wetenschappen. Voor alle problemen die zich vandaag aanbieden hebben deze wetenschappen namelijk een oplossing (of zullen ze er één vinden). Alles is te verhelpen. Het vooruitgangsgeloof met betrekking tot technologische mogelijkheden en mechanische vernuftigheid is (opnieuw) compleet losgeslagen. De hyperkritiek uit de jaren ’60 en ’70 wordt weggelachen en afgedaan als nonsensicaal. De armoede in denken is zodanig schrijnend dat zelfs sociaal-economische problemen een wetenschappelijke oplossing moeten kennen.

De wetenschappen zijn dringend opnieuw toe aan wat bescheidenheid en traagheid. De criteria van “goede wetenschap” dringen door in elke discipline en vreten als een schimmel aan de mogelijkheden van deze wetenschappen. Binnen de gammawetenschappen zijn de psychologie, de pedagogie, de antropologie en de economie er nog het ergst aan toe, maar de statistische methode maakt het ook voor veel politiek-, sociaal- en communicatiewetenschappelijk onderzoek bijna onmogelijk zich anders te ontwikkelen. Naast deze objectivering van wat “goede wetenschap” is, domineert ook de zelfingenomen neutralisering van wetenschappelijkheid. Opportunistische doeleinden of hegemonische structuren zijn geen valabele uitleg meer om heersende paradigma’s en ideologieën in de wetenschappen aan te klagen. Als zelfs erg gewaardeerde en gemediatiseerde denktanken zich als neutraal profileren, is de tijd voor filosofisch scepticisme en intuïtief wantrouwen dan ook duidelijk aangebroken.

We aanvaarden geen God, maar vandaag hebben we die God vervangen door Wetenschap. Dat Wetenschap onderhevig is aan falsificatie en God niet, is gewoon een nieuwe uitnodiging om er sceptisch tegenover te staan en het te bekritiseren. Er ontstaat niet voor niets onvrede over de pretentie die stelt dat de ontologische en epistemologische implicaties van wat “goede wetenschap” is beslecht zouden zijn, getuige het hevige debat van eind november tot begin februari in De Standaard en op De Wereld Morgen.

VERZADIGDE MARKTEN EN DE ADORATIE VAN PRIVÉ-EIGENDOM

Waar de meest rode vakbondslui en de meest blauwe bedrijfsverantwoordelijken het bijna onvoorwaardelijk over eens lijken te zijn, is de economische groei. Deze slaafsheid aan economische logica, maakt het voor de vakbonden onmogelijk om nog een geloofwaardige tegenstem te kunnen zijn. De onderschikking aan die burgerlijke overtuiging heeft hen monddood gemaakt, omdat ze mee dienen te gaan in de retoriek van hun opponenten. Als het op verandering aankomt, hoeven we die dan ook niet te verwachten van de vakbonden – in tegenstelling tot wat velen vrezen of hopen.

De grote thema’s van de toekomstige generaties zullen klimaatsveranderingen, grondstoftekorten en overbevolkingsproblemen zijn. Vluchten voor een economische laagconjunctuur is onmogelijk, want deze zal onvermijdelijk zijn in de toekomst. Niet vanuit marxistische determinatielogica, maar vanuit het besef dat natuurlijke bronnen uitputtelijk zijn en ruimtelijke bezetting eindig is. Een wereld met zeven miljard mensen die blijft aangroeien, een uitdijend gat in de ozonlaag en een steeds groter tekort aan zuiver water, fossiele brandstoffen en verschillende soorten ertsen, heeft echter niet gezorgd voor voorzichtigheid en vragen bij de huidige systemen, maar voor een vlucht in de economische wetenschap met at best de groene economieën als resultaat. Andere gevolgen zijn de doorgedreven privatisering en de aanmoediging van meer concurrentiële markten (die mekaar ook perfect in de hand werken).

Het is hier dan ook dat onze heilig verklaarde wetenschappen tekort schieten. De ene wetenschapper spreekt de andere radicaal tegen en we kunnen als het ware positie-shoppen – elk “bewijs” wordt namelijk even sterk gelobbyd. Uitermate opportuun voor politieke partijen en grote bedrijven natuurlijk. Het is hier waar de bètawetenschappen vaak hand-in-hand met de economische wetenschap gaan en het duivelspact gesloten is tussen een volstrekt onbetrouwbare voorspeller (economie) en wetenschappen die veel dynamischer zijn dan over het algemeen aangenomen wordt (bètawetenschappen). Opnieuw geven we onze autonomie op. Opnieuw lijken we ervoor te kiezen om ons vertrouwen te leggen in een opgedrongen wereld- en mensbeeld. Zeer veilig en stabiel – volledig in overeenstemming met de psychologische theorieën over cognitieve dissonantie, als we dan toch even wetenschappelijk dienen te zijn.

De ideeën rond welvaartsinkrimping – begrepen als de noodzaak om een halt te roepen aan de reeds verzadigde markten – en de onteigening van privé-eigendom kunnen vanuit een radicaal andere positie soelaas bieden. Zolang deze anarchistische, revolutionaire ideeën monddood gemaakt worden door ze te commercialiseren (zoals bvb. met Axe Anarchy “Unleash the Chaos” en Oasis “Fun Revolutie”) en ridiculiseren (initiatieven als College Liberal voorop), zullen ze echter ondergeschikt blijven aan de heersende ideologie van het neoliberalisme; aan de slaafsheid en de gehoorzaamheid van de meest diepgewortelde leugen die vandaag als dogma geïnstalleerd is in ieders gedachten: “wij leven vrijer dan ooit”.

Vileine interpretaties rond welvaartsinkrimping die het hebben over vormen van eco-fascisme (dat is: verregaande, actieve bevolkingsbeperking) en de idee dat “iedereen moet inleveren” (dus ook zij die amper wat hebben om in te leveren, voornamelijk de derde en vierde wereld), zijn hier echter ongepast. Het gaat erom de markten te boycotten (niet d.m.v. monopolies, maar door actief in te grijpen in productieprocessen), disproportionele privé-eigendom te herverdelen/hergebruiken en de decadenties van het consumentisme aan te klagen. In dit laatste staan enerzijds de verheffing van basisgoederen tot luxegoederen door gewiekste branding en marketing (bvb. kraantjeswater vs. merkwater), en anderzijds het begrijpen van luxegoederen als basisgoederen omdat we de illusie hebben niet meer zonder te kunnen /mogen (bvb. van telefoon naar gsm naar smartphone, van geen auto naar één auto naar één auto per hoofd en hetzelfde voor computers) centraal.

Anarchisme en revolutie zullen steeds vermeld worden in de lijn van de terreur en op extreme wijze  gecontrasteerd worden met de politieke dictatuur. Door dergelijke context te cultiveren, is het ook ontzettend moeilijk om zelfs de meest kritische der stemmen appreciatie te doen krijgen voor anarchistische en/of revolutionaire ideeën. Het is echter schrijnend en hilarisch tegelijk om te zien hoe zo’n kennisgerichte wereld schijnbaar niets afweet van wat anarchisme eigenlijk inhoudt.

HET ANARCHISTISCHE IDEE VAN DE PREFIGURATIEVE POLITIEK: VOOR PERMANENTE REVOLUTIE

Occupy Wall Street en de opvolgende Occupy-betogingen doorheen de wereld, de opstanden in het Noord- en Midden-Oosten met als symbolische plaats het Tahrirplein in Caïro, de Anonymous groepering die het internet bespelen, de Spaanse Indignados, de Piratenpartei in Duitsland, het gewelddadige verzet in Griekenland, de losgeslagen rellen in Engeland,… Het zijn interessante tijden, lijkt het me. Of willen we dit hele zootje ongeregeld gemakkelijkheidshalve toch maar proberen te categoriseren? Als een generatieconflict bijvoorbeeld? Of als een botsing der beschavingen misschien? Of als exponent van een jeugd die niet meer weet wat ze wil?

Of is het iets anders? Want als je goed kijkt, zijn de deelnemers bij al deze gebeurtenissen intergenerationeel, interseksueel en intercultureel. Ze worden tevens niet gestuurd van bovenaf. Ze weerleggen door middel van hun acties alle verklaringsmodellen die we vanuit onze standaardanalyses voorhanden hebben. Deze groepen individuen zijn niet meer dan mensen die het allemaal kotsbeu zijn. Ze doen wat ze geloven. Ze handelen wat ze denken. “Tijd voor verandering”, is wat hun daden verraden. Geen gerichte, geplande en strategische verandering, voorzien van een blauwdruk die we dan maar weer eens moeten gaan toetsen aan zijn mogelijkheden. Gewoon verandering, hier en nu. Prefiguratieve politiek aan het werk.

De standaard kritiek die stelt dat de nieuwe sociale bewegingen geen coherent programma hebben, is bovendien irrelevant. Binnen een prefiguratieve politiek gaat het namelijk niet om een coherent programma. De veelheid aan opinies zoals die terug te vinden waren op o.a. het Tahrirplein of bij Occupy Wall Street, drukken net de creatie van de vrije ruimte uit waarin democratie en pluraliteit ten volle beleefd werden – zowel de materiële (pleinen, straten, gebouwen) als de immateriële (de gedachten van iedereen die ermee geconfronteerd werd) ruimte werden bezet. Hun aanklachten en hun acties waren één en dezelfde kant van de medaille: tegen de dominantie van onderdrukkende, overheersende machten en voor een radicale democratie waar autonomie centraal staat. Het waren korte oplevingen, maar ze creëerden zelfbewuste, autonome en vrije ruimtes. Een opening, vrij van de gebiedende normen, heersende ideologieën en onderdrukkende denkwijzen.

Vandaag zijn er reeds activisten en academici te vinden die dit anarchistische denken steunen, ontwikkelen, bepleiten en uitoefenen. Dit zijn mensen als David Graeber, Uri Gordon, Peter Gelderloos, Saul Newman, Andrej Grubacic, Bob Black, Colin Ward, John Zerzan, Hakim Bey, Jason McQuinn, Lawrence Jarach, Wolfi Landstreicher, Todd May, Lewis Call, Robert Paul Wolff en Michael Albert (een lijstje namedropping om de bevooroordeelde criticasters uit te dagen en de geïnteresseerden warm te krijgen). Hun denken is gefundeerd in onder meer het autonomisme, het post-marxisme, de fenomenologie, het existentialisme, het post-structuralisme, het anarchistische denken van Stirner, Kropotkin, Godwin, Proudhon en Bakunin en het situationisme van de Situationist International. Dit denken kent dus een theoretische onderlaag, doch geen verklaringsmodel of normatief-prescripitief uitgangspunt. Het dreunt al eeuwen onze geschiedenis door via anarchistische verzetsstrijders en -denkers. Het gedreun blijft echter onbemind, want het maakt enkel verschijningen in woelige tijden – en in die tijden wordt het bovendien niet begrepen. Het anarchisme verwerpt elke machts- en autoriteitsclaim en kan net daarom nooit een heersende ideologie worden. Daarin ligt niettemin haar kracht. Ze ondergraaft elk systeem opnieuw, telkens op de wijze die het best aangepast is aan haar tijd-ruimte context en steeds als een luis in de pels van de gevestigde orde.

De autonomie kent een centrale plaats binnen het anarchisme. De verwerping van en de strijd tegen kapitalistische economieën, communistische voorhoede-ideeën en staatsnationalisme zijn aldus een vanzelfsprekendheid. De creatie van zelfbewuste, autonome en vrije ruimtes in het hier en nu, is de aloude strijd die elke anarchist voert. In denken én in doen. Een prefiguratieve politiek waarin het doel en het middel samenvallen, vormt de handelingswijze. In de praktijk vereist het niet zelden het kraken van leegstaande huizen, het bezetten van machts- en gewelduitoefenende instituten en dus de betreding en statutaire veronachtzaming van de begeerde privé-eigendommen. Dit is vandaag – in onze samenleving – de ultieme daad van verzet en daarom ook van radicaal belang.

INTELLECTUELE VERZETSSTRIJD MET HET OOG OP DE CREATIE VAN VRIJE RUIMTE IN DE DENKWERELD

Wanneer Itinera-adepten als Marc De Vos veelvuldig geraadpleegd worden voor analyses van sociale gebeurtenissen en deze mensen zelf overtuigd zijn van hun eigen neutraliteit, of wanneer invloedrijk Knack-commentator Rik Van Cauwelaert spreekt over de ontreddering van progressief links (alluderend op de namedropping van theoretici als Slavoj Zizek en Antonio Negri in interviews met progressief linkse mensen), toont dit exact de sfeer waarin we ons vandaag bevinden. De burgerlijke elite wiens merites hen geloofwaardigheid zouden moeten toeschrijven, faalt in het begrijpen van de anarchistische tegencultuur.

De zelfvoldaanheid waarmee wordt gesproken over de verzetsbewegingen vandaag, toont overigens een verschrikkelijke stereotypering van dat wat men niet begrijpt. Het culturalistische discours (“wij vs. zij”) dat vandaag in elke vorm van analyse hoogtij lijkt te vieren, sijpelt ook hierin door. Alsof er geen hopen studenten zijn die maar al te graag willen horen bij de generaties boven de hunne en dezelfde burgerlijke, hautaine nonsens uitkramen. Alsof er in de generaties boven de mijne geen hopen tegendraadse stemmen klinken die al hun hele leven lang opboksen tegen de gevestigde orde. De millenniumstudent van Carl Devos is een illusie, alsook de niet-materiële eigenschappen die worden toegekend aan hele generaties (of het nu X, Y of Z is). Het zijn louter categorieën die worden gecreëerd om te kunnen begrijpen wat men niet begrijpen kan, of om op mathematische wijze de realiteit “samen te vatten”.

De filosofische en theoretische ondertoon die vele anarchisten, andersglobalisten en activisten vandaag aan het handelen zet, is er – zoals gezegd – wel degelijk. Ze kent alleen weinig doorgang en wordt aan vele universiteiten maar door enkelingen onderwezen. Hierdoor wordt ze bekeken als een irrelevant buitenbeentje, een intellectuele traditie die beter verbannen zou worden naar de ideeëngeschiedenis, een onbeheersbare denkpiste die geen verder onderzoek behoeft. Dat waardevolle ideeën zoals een prefiguratieve politiek en een permanente revolutie nochtans zeer actueel en prangend zijn, wordt hierdoor dan ook ontzien.

Vandaar deze aanzet tot creatie van een vrije ruimte. Door het verzet te voeren op het immateriële niveau, probeert dit pleidooi een onderdeel te zijn in het creëren van een vrije ruimte in de wereld van het denken. Het is niet de fysieke vorm van kraken of bezetten, maar het probeert een mentale vorm ervan te zijn. Het kraken van de heersende orde in het denken. Het bezetten ervan door ideeën te laten doorsijpelen die in het slechtste geval een je m’en fous-mentaliteit opwekken en in het beste geval aanzetten tot nieuw autonoom verzet, zowel materieel als immaterieel.

Deze aanzet hoeft niet dezelfde genuanceerdheid te kennen als de verdediging ervan in mogelijk verdere discussie. Noch hoeft deze positie ondoordacht of onervaren te zijn. Zo kan ze in Vlaanderen teruggevonden worden in (facetten van) het denken en handelen bij mensen als Barbara Van Dyck, Matthias Lievens, Rogier De Langhe, Thomas Decreus, Robrecht Vanderbeeken en Anton Froeyman in de “nieuwe generatie”. Of bij mensen als Lieven De Cauter, Eric Corijn, Ruddy Doom, Erik Swyngedouw, Jan Dumolyn, Peter Tom Jones, Erik De Bruyn, Marc De Kesel, Paul Verhaeghe, Gie van den Berghe, Jean Paul Van Bendegem en Hubert Dethier. Of in het “nalatenschap” van Koen Raes, Emiel Moyson en de Provo beweging uit de jaren ’60. Dit tweede lijstje namedropping is er om te duiden dat ook in Vlaanderen wel degelijk andere contrastemmen klinken dan de voorspelbare cultuurkritiek van conservatief rechts.

De titel “ni Dios, ni amo!”, die zoveel wil zeggen als “geen God, geen meester”, is een anarchistisch credo dat doorheen de hele wereld bekend is. Hier in het Spaans, omdat die taal heden ten dage geen sterke politieke connotatie met zich meedraagt in ons land.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!