Mijn vriend, een slaaf

Mijn vriend, een slaaf

dinsdag 19 oktober 2010 07:45

Welk doel dient de vriendschap vandaag? Die argeloze vraag moet helder beantwoord worden. We steken van wal met enkele getuigenissen en ontmaskeren de nieuwe vriendschapsmythe van het (neo)liberalisme. Vervolgens zetten we omstandig uiteen hoe onbehaaglijk onze vriendschappen zijn geworden, zowel op als naast het werk; hoe vriendschap is verworden tot een technologisch probleem; hoe vriendschap de kern is gaan vormen van de nieuwe managamentparadigmata; en hoe vriendschap de aannames van de klassieke economie op hun kop zet door als manipuleerbare “economic fundamental” de economische groei te bepalen.
Maar wat échte vriendschap is leer je pas wanneer je met kameraden de strijdt aangaat tegen onrechtvaardigheid.

Koopman zonder vrienden aan de cocaïne

“Jarenlang heb ik gewerkt bij een firma waar de topverkoper verplichte “sales seminars” verzorgde,” zo begint een bedrijfsadviseur z’n getuigenis. “Hoogtepunt van de opleiding was een aanpak waar iedere andere mens van zou gruwen. Op de witte wand projecteerde deze verkoper z’n ingescande en vergeelde klasfoto’s met vriendjes uit de kleuterklas, de lagere en middelbare school, de universiteit; z’n eigen hoofd was rood omcirkeld. Hij stak van wal en bekende hoe hij al die kameraden van weleer opnieuw had opgespoord, was nagegaan op welke postjes bij welke bedrijven zij waren terechtgekomen en de “interessante vrienden” had uitgenodigd voor de lunch – op het scherm duidde hij ze aan met de laserstip.

Ook wij werden gesommeerd onze foto’s mee te brengen en er snel werk van te maken: oude kennissen zouden gauw nieuwe klanten worden. “Iedereen heeft vrienden”, oreerde de verkoper dan, en bedoelde dat je aan vrienden een aardige stuiver kon verdienen eenmaal je begreep hoe contacten werden omgesmeed tot contracten.

Deze man was veruit de briljantste verkoper, vond iedereen; slechts een eenzame “loser” geparkeerd op een doodlopend carrièrepad morrelde dat die man rijp was voor de psychiatrie.
Met veel charme omschreef de verkoper zichzelf als de volmaakte kameleon, vergeleek zich graag met Bernie Madoff, de meesteroplichter, voor hem een held in de verkoop.

Toen ik vernam dat hij tijdens de diensturen lijntjes cocaïne snoof, een vaak voorkomend modeverschijnsel onder managers met zware verantwoordelijkheden (zo werd er verschonend bijverteld), keek ik er niet van op. Hij werd tijdelijk uit zijn functie ontzet. Droefenis en ontstentenis alom. Vervolgens werd hij gemeden als de pest.”

Wij zijn blij, allemaal vriendjes: 360°-evaluaties

Even ontluisterend is het verhaal van een kennis. “Toen ik twee weken terug via de krant vernam hoe het management van koekjesfabrikant LU zich gretig bedient van de 360°-personeelsbeoordeling om werknemers aan de deur te zetten, werd ik overspoeld door jarenlange opgekropte zelfhaat.

Zelf in aanraking gekomen met dit HR-instrument had ik de dringende raad gekregen aanbevelingen onder gesloten omslag bijeen te sprokkelen bij bevriende collega’s en dit alles om kans te maken op promotie. Ik schaamde me diep, voelde me vernederd, het was bedelen, en toch heb ik het gedaan – centen en prestige, weet je wel, van beide had ik weinig en ik wou hogerop, mijn echtgenote wou dat ook, en de aandelen die mij in het vooruitzicht werden gesteld waren aanlokkelijk. Toen. Nu blijken ze niks waard te zijn.”

“Essentieel is dat we helder kijken, helder denken, onbevreesd doorgronden,” vervolgde m’n kennis, en hij had z’n analyse klaar. “Door medewerkers onder, naast en boven je beoordeeld te worden mag dan wel in kringen van professoren en personeelsmanagers een “best practice” heten,  Iosif Vissarionovitsj Dzjoegasjvili, bekend als Jozef Stalin, had er nog een puntje kunnen aan zuigen. Het is onvervalste totalitaire manipulatietechniek!”

Hij ging verder. “Primo: 360°-evaluaties dienen maar één belang, het bedrijfsbelang. Secundo: meten van prestaties overlaten aan naaste collega’s is het maskeren van de eigen managementverantwoordelijkheid. Tertio: Moedwillig wordt een bedrijfstoestand gecreëerd waarin collega’s als wolven zijn voor elkaar; voortdurend moet je op je hoede zijn voor andermans blik. Quarto: De bedrijfsleiding verschoont haar beslissingen met verwijzing naar de door haar georkestreerde constructie van meningen; de plichtsgetrouwe toepassing van het onderhandelde personeelsbeleid wordt aldus uitbesteed en glijdt daardoor af naar het cynisch bespelen van populistische sentimenten.”

Helemaal op dreef rondde hij af. “De 360°-techniek wakkert het verlangen naar rechtvaardigheid aan, de hoop dat je stem gehoord zal worden. Daarin ligt haar aantrekkingskracht en dat is de kern van haar succes. Eindeloos zijn de goedgelovigen die er zijn ingetuind, ook ik. Met een schijn van democratie wordt de tirannie van andermans opinie door je maag gespietst. Het is een disciplineringsinstrument waar de leiding gretig van smult: zelf hoeft ze geen vinger uit te steken bij het opleggen van haar ideologie, daar hebben ze je werkvrienden voor.”

Vriendschapsmythe, strohalm in tijden van failliet

En dus, na deze getuigenissen, moeten we de argeloze vraag stellen: welk doel dient de vriendschap vandaag?

Ook nu de kapitalistische economie en haar neoliberale ideologie in onze contreien op apegapen ligt, zijn haar apologeten nog lang niet van hun melk. Neem nu Matt Ridley, zoöloog, voormalig redacteur bij The Economist en voormalig bestuurder bij de Northern Rock bank die door de Britse overheid van het faillissement werd gered.

Tegenwoordig verkoopt hij zichzelf als “rationele optimist” en in zijn boek met de gelijknamige titel laat hij er dan ook geen gras over groeien: de vriendschap is de oorzaak en het gevolg van de welvaart die de markt ons schenkt.

Ridley weeft zijn oorsprongs- en bestemmingsmythe rond een eenvoudig argument. Millennia terug leefden onze voorouders in barre armoede en op voet van oorlog met eenieder die niet tot de eigen groep behoorde. En toen, haast onverklaarbaar, zette iemand, waarschijnlijk een vrouw, de eerste stap, rationeel en onversaagd maar ook uit eigenbelang, en overwon de aangeboren angst voor de vreemde door het vooruitzicht op materiële winst, de ander werd in naam een vriend, van dan af aan werd met vreemden handel gedreven, en de welvaart nam toe en de vriendschap breidde uit.

Uit alle poriën druipend van bloed en drek

Stop de huichelarij, meneer Ridley. De ander wordt “in naam” een vriend? Door de handel? Een aperte leugen! De historische kern van de kapitalistische antropologie is de voorafgaandelijke demonisering gevolgd door exploitatie en annihilatie. De kapitalistische expansie is geronnen uit het bloed van honderden miljoenen “slachtoffers”: de uitroeiing van de Indianen in de Nieuwe Wereld, de verdoeming van de Afrikanen tot de slavernij, de kolonisering van welhaast de ganse wereld, en nu, vandaag, de terrorisatie van hele continenten door de neoliberale ideologie. Dat is het parcours van het kapitalisme. De vergelijking is onkies maar ook duidelijk: de Holocaust, dat onpeilbare lijden, verbleekt bij de kapitalistische gruwel.

Handel is economische oorlogsvoering. De Chinese premier Wen Jiabao liet daar in Brussel op de Asia Europe Meeting weinig twijfel over bestaan. Geen sprake van dat de Chinese munt zal worden opgewaardeerd. De keuze tussen het in armoede storten van tientallen miljoenen Chinezen en het uit de werkloosheid halen van Europeanen en onteigende Amerikanen is voor Jiabao snel gemaakt. De dreigende sociale revolutie in China is wat hem pas écht uit de slaap houdt.

Dat economie strijd is, en geen bezigheid van vrienden, is een waarheid die ook de vakbonden, dezer dagen een eenzaam lichtbaken van Europese solidariteit, niet moet worden geleerd. Bij Opel Antwerpen, bij AB Inbev, bij BASF, bij Carrefour en op zoveel andere plaatsten weten zij maar al te goed welke taal word gesproken. Oorlogstaal.

Iedere arbeider of bediende, hand- of kenniswerker, wiens werk ooit werd “geoptimaliseerd” en “geflexibiliseerd” of “vertechnologiseerd”, weet dat wat consultants pogen uit te bannen als “waste” of “muda” en Karl Marx duidde als het jagen op de gaten in de arbeidsdag, voor de patroons maar tot één doel strekt: het vervangen van de schaarse vrije momenten, momenten van vriendschap op de werkvloer, door de hoogste mogelijke productiviteit. En hoe wordt ons dat aangepraat? Als de noodzakelijke strijd met de vijand, de concurrent, van wie de oorlog om het marktaandeel slechts kan worden gewonnen door het bereiken van de allergrootste efficiëntie.

Vriendschapsmetamorfosen (1) – unheimische vriendschap

Voor Adam Smith, Schots verlichtingsfilosoof en grondlegger van het klassieke economische liberalisme, staat de vriendschap in de weg van de arbeidsdeling die welvaart schept. De samenwerking die ontwikkelde economieën vereisen kan slechts door de vrije markt worden georganiseerd en kan nooit berusten op vriendschap, zoals het geval was ten tijde van de inefficiënte feodale gilden.

Smith had weinig oog voor de elitaire vriendschapsclubjes, het ons-kent-ons en de old boys networks die ook in onze moderne economie welig tieren. Voorts was hij nogal optimistisch, vriendschap was dan wel niet de beste manier om de economie te organiseren, op het werk en in de handel kon je toch maar ongehinderd nieuwe vrienden bijmaken. “Colleagues in office, partners in trade, call one another brothers; and frequently feel towards one another as if they really were so.” Deze vriendschappen op het werk, waar Matt Ridley zo hoog mee oploopt, zijn evenwel door en door unheimisch.

Neem nu de vriendschap van een chef of projectleider. Vaak is die niet meer dan een doorzichtige poging het eigen gezag te legitimeren; in de ideologie van de vlakke organisatie is vriendschap de laatste reddingsboei voor autoriteit, een beetje zoals de overheid die haar burgers in brieven aanspreekt met hun voornaam om toch maar gehoord te worden, en net zoals de vader die zijn tanend ouderlijk gezag poogt te vestigen als vriend.

Een man wist me te vertellen dat hij op z’n eerste werkdag samen met alle nieuwkomers werd ingewijd in de geschiedenis van het bedrijf. Naar de stichter, de pionier, werd steevast verwezen als “onze vader, onze vriend”.

Loyauteit aan vrienden is op kantoor ondergeschikt aan bedrijfsloyauteit. Intens samenwerkende vrienden wekken argwaan. Vriendschappen worden bestempeld als tijdverlies, kliekjesvoming en nepotisme.

Maar kan het sowieso ooit tot echte vriendschap komen? In de nieuwe economie geldt het “give us your entire life or we won’t allow you to work on cool projects” en het “smile or die”.  Onlangs kreeg een voormalige collega een reprimande bij haar nieuwe werkgever, het ontbrak haar aan vriendelijkheid. “Vroeger wilden ze je handen, tegenwoordig zeggen ze jouw hersenen te willen, maar eigenlijk azen ze op jouw ziel,” vatte zij het samen.

En toch zijn diepe vriendschappen ongewenst. Nieuwtjes, schandaaltjes, blunders, zorgen, ambities, frustraties, daarover gaan de vriendschappelijke babbels met onze collega’s aan de koffiezet. Maar wil je praten over wat écht belangrijk is voor jou en wat op je hart ligt, wil je je mening kwijt over het ware, het goede en het schone, over de betere wereld waarnaar je verlangt maar die je nergens aantreft, dan zie je in de blikken de onwennigheid groeien, blikken die verraden dat je er beter mee ophoudt, werkvrienden dienen daar niet voor. De pseudo-intieme vriendschappelijkheid over een bakje troost is niet meer dan een leuke afleiding van het verplichte werk, het heeft geen andere functie en mag die ook niet hebben.

Desondanks moet vriendschap worden geveinsd. Een directeur beschreef me hoe ontzet zijn mededirecteuren waren toen hij recht voor zijn raap liet weten dat zij geen clubje vrienden waren. Misschien konden ze het daarover nog wel eens worden maar zoiets zegde je toch niet.

Vriendschapsmetamorfosen (2) – verkoopbare, vertechnologiseerde en rendabele vriendschap    
 

How to Win Friends and Influence People, How to Be a Friend: A Guide to Making Friends and Keeping Them, Making Friends: A Guide to Getting Along with People, The Friendship Crisis: Finding, Making, and Keeping Friends When You’re Not a Kid Anymore en natuurlijk Winning Friends at Work.

Deze boeken – er zijn er ook over vriendjes worden met puppy’s, poezen en pony’s – hebben gemeen dat vriendschap erin wordt behandeld als technologisch probleem waarvoor technologische oplossingen bestaan. Ze staan bol van technieken om met mensen om te gaan, om mensen van je te laten houden, om gelijkgestemden te zoeken, te vinden of te maken (collega’s op het werk van jouw mening overtuigen? doe je voor als vriend!).

Aan de verkoop van die technieken wordt een aardige stuiver verdiend, uiteraard. Toepassing van die technieken is nog winstgevender. Welke manager wil er geen gebruik van maken wanneer hij eenmaal beseft dat vriendschap tussen werknemers de productiviteit aanwakkert, de klantentevredenheid omhoog stuwt en de illusie creëert goed betaald te worden (zoals blijkt uit Gallup polls). Het was dus ook voorspelbaar toen Vlaanderens geluksgoeroe Leo Bormans, auteur van “Geluk. The World Book of Happiness”, onlangs in De Laatste Show kwam preken dat je op het werk beter af bent met een goede vriend dan met een dik salaris. Vele patroons hebben het hem graag horen vertellen.

“Virtue is a cow that gives milk of a particular sort.” In handen van de baas is de vriendschap niet meer dan een deugd die moet renderen. Echte vriendschappen daarentegen leveren niks op en zijn subversief: ze plaatsen het vriendenbelang boven het bedrijfsbelang.

Maar ook onze vriendschappen buiten de werkuren worden aangetast door dezelfde bruikbaarheidseisen: ze moeten functioneel zijn (de fietsvriend, de netwerkvriend, de (één) nachtvriend), ze mogen maar weinig tijd in beslag nemen (we hebben het druk), en ze mogen niet te intens en emotioneel beladen zijn.

Vriendschapsmetamorfosen (3) – vriendschapseconomie

Adam Smith was vetrouwd met de tekortkomingen van de feodale huishoudkunde waarin commercie en vriendschap met elkaar waren vervlochten en wilde ze daarom uit elkaar halen. Dat zou goed zijn voor zowel de welvaart die niet langer afhankelijk zou zijn van vriendschapsrelaties, als voor de vriendschap die niet langer zou afhangen van het aantal goudmunten in de buidel. De vrije markt zou tevens de democratie bewerkstelligen, wat vriendschap dan weer makkelijker zou maken. Smith waarschuwde weliswaar voor de gevolgen van het kapitalisme op de persoonlijke ontwikkeling en de moraal, maar zag het positief in voor de vriendschap.

Wat Smith niet kon bevroeden is dat vriendschap zélf verhandeld zou gaan worden op de technologie- en arbeidsmarkt en in productie- en klantenprocessen onmisbaar zou worden, dat vriendschappen zouden uitgroeien tot de belangrijkste bedrijfsactiva.

eBay heeft succes waar concurrenten falen omdat het de kracht van vriendelijkheid exploiteert. “Het gaat niet om veilingen,” stelt Meg Whitman, de voormalige algemeen directrice die nu voor de Republikeinen aast op de gouverneurszetel in Californië, “feitelijk gaat het niet om economische oorlogsvoering. Integendeel.” Waar draait het dan wel om? De alleraardigste en allervriendelijkste te zijn! (Dit is overigens een heel ander dictum dan Whitmans regressieve politieke boodschap waarin hevig wordt gepleit voor het privatiseren van de pensioenfondsen van ambtenaren en het kortwieken van vakbondsmacht. “I am a job creator,” noemt ze dat dan.)

De allervriendelijkste zijn, ook dat is economische strijd, weet Whitman maar al te goed. De theoretische fundamenten van deze nieuwe oorlogsvoering worden gelegd in de managementliteratuur over klantvriendelijkheid en ervaringseconomie. “Customer orientation”, “customer intimicay”, “customer experience”, “customer equity”, enzovoort, zijn de pogingen om de klassieke, “gecommodificeerde”, rationele markttransacties te vervangen door bindende, levenslange, persoonlijke waarderelaties geboetseerd naar het model van de vriendschap.

Denk aan de “legendarische service” van de Ritz-Carlton hotels waar het personeel is geoefend in het onthouden van individuele namen en gezichten en nooit mensen alleen maar de goede kant uitwijst maar hen steeds persoonlijk naar de gevraagde bestemming begeleidt. Denk aan de “vijfsterrenbelevenis” in Amerikaanse klinieken waar patiënten een handgeschreven bedankje ontvangen van een dokter of verpleegster die ze hebben ontmoet opdat iedereen zich speciaal zou voelen. En denk aan de “eerlijke benadering” in exclusieve modeboetieks waar klanten worden toegesproken met de “bruuske charme” van zusjes die hun onwetende broer in het nieuw steken.

Vriendschapsmetamorfosen (4) – Facebook en vriendschap als economische fundamental

Er valt iets voor te zeggen dat met de uitbreiding van de handel ook de vriendschap toenam, cultuurhistorische en sociologische studies lijken die richting uit te wijzen. Maar het is fout te geloven, zoals Matt Ridley doet, dat daarmee de vijandigheid afneemt en dat het de toename van oprechte vriendschap betreft.

Met de komst van Facebook is echter niet langer vol te houden dat de kapitaalsaccumulatie vooraf gaat aan de vriendschapsaccumulatie. De economische vriendschapslogica van Adam Smith wordt op z’n kop gezet, de compound rate of friendship growth is nu zelf de  “fundamental” die de compound rate of  economic growth aanzwengelt. Laat ik dit toelichten.

Op Facebook is het van kapitaal belang dat vriendschap volop wordt gestimuleerd want vriendschap is de core business. En dus helpt Facebook graag bij het vinden van vrienden met behulp van allerhande functionaliteiten: “vind mensen met wie je e-mailt”, “mensen die je misschien kent”, “zoek naar personen”, “vind mensen met wie je chat”, “nodig vrienden uit om lid te worden van Facebook”, enzovoort.

Wat van kapitaal belang is, is van belang voor het kapitaal. Des te meer vrienden, des te groter de marktwaarde van Facebook. Op Facebook moet dan ook niet langer onder het kapitaal gezocht worden naar de vriendschap (zoals bijvoorbeeld op het werk bij je chef en projectleider) maar onder de vriendschap moet worden gezocht naar het kapitaal.

Dit kapitaal is schaamteloos demonstratief bij bedrijfjes als uSocial die tegen betaling je real targeted fanbase vergroten. Je kan er ook niet naast kijken bij de schier eindeloze reeks adverteerders, “Facebook is a massive advertising platform.” Het kapitaal blijft zichtbaar bij de vele publieke figuren (politici, journalisten, opiniemakers, activisten, sporters, hoteleigenaren, superdeejays, enzovoort) die elk op hun eigen manier hun voordeel doen met vriendschapsvermeerdering. Bij Mark Zuckerberg, oprichter van Facebook, is het kapitaal weliswaar goed verborgen maar ook des te groter, je ziet het niet op Facebook, maar achter de schermen is Facebook tientallen miljarden dollars waard.

Ook al is het doorgaans heel zichtbaar, toch willen we het kapitaal op Facebook veelal niet gezien hebben. Vriendschap is een bloedverwant van liefde en maakt net als liefde blind. Anders dus dan op het werk wenst het kapitaal hier de vriendschap niet te transformeren tot doorzichtige schijnvriendschap maar maakt gebruik van haar blindheid om te controleren en commercialiseren.

Werkgevers houden op Facebook hun werknemers in de gaten en wie te kritisch is voor het bedrijf wordt aan de deur gezet (controleren). Flyers, display banners, polls, engagement adds, het aanbieden van de Facebookdatabase aan market researchers, enzovoort zijn pas het begin van een vriendschapshandel (mensenhandel met vrienden?) die met de dag groeit (commercialiseren).

Matt Ridley schetst een hopeloos romantisch beeld van de voorouderlijke geste van vriendelijkheid die hij idealiseert als het begin van het glorierijke tijdperk van de handel. In de bloeiende vriendschapscommercie op en rond Facebook toont zich de ware gedaante van die heroïsche geste. De hedendaagse vriendschap is niet langer een symptoom maar is verworden tot een verhandelbare fetisj, het is de magische kern van de hedendaagse economie.

Voor de vriendschap van strijdmakker en kameraad

Er gaapt een kloof tussen het aanwenden van de vriendelijke handel om zich uit de armoede te hijsen en de dagelijkse verplichting tot smoelentrekkerij in een maatschappij van overvloed.

Neen, daarom hoeven we nog niet te verlangen naar de Griekse vriendschap waar in de voortreffelijke ander de eigen liefde voor goedheid, schoonheid en waarheid kan worden herkend, want vriendschap was voor Grieken een particuliere affaire van mannen die zich inlieten met vrouwen noch slaven.

Neen, we moeten niet hunkeren naar de christelijke middeleeuwen waar vriendschap tussen mensen soms naastenliefde was maar vaker wel dan niet werd uitgebannen als een bedreiging voor het reine hart en de zuivere geest die op God gericht dienden te blijven.

Daarentegen: koester je vrienden, omhels ze, overstelp ze met genegenheid en liefde. Maar maak in het hart van je individuele vriendschappen ook plaats voor de universele mensheid, laat je vriend een broeder zijn en je kameraad een vriend.

Neen, broederlijkheid tref je niet aan in het neoliberale consumptiekosmopolitisme, heeft weinig vandoen met het kopen van chocolade uit Ghana, rijst uit Thailand en wijn uit Chili; heeft niks vandoen met de vermeende zachtaardige zeden van een geglobaliseerde economie, want daaronder woedt de  kapitalistische strijd genadeloos verder.

Neen, kameraadschap hoor je niet in de lokroep van een atavistisch nationalisme, heeft weinig vandoen met de eigen friet, het eigen bier, de eigen werklust, het eigen goed bestuur; heeft niks te maken met de beschermende mantel van het eigen volk, waaronder andermaal de strijd woedt, ditmaal tussen patroon en werkmens, tussen goed en slecht volk.

Er zijn van die momenten in de geschiedenis, juwelen van broederlijkheid, parels van gelijkheid, diamanten van vrijheid.

Die stralende momenten herhalen zich in de rechtvaardige toorn, in de warme, authentieke, bezorgde glimlach, doortrokken van pijn, van een Duitse mijnkompel, een Engelse spoorwegbediende, een Vlaamse buschauffeur, een Waalse leerkracht, een Spaanse automonteur,  die, zoals op de Europese betoging van 29 september 2010, strijdvaardig optrekken over Brusselse boulevards, die een verloren kind een ballon aanreiken voor het opnieuw de hand van zijn vader vindt, die met honderduizend gelijktijdige stappen voor één moment, één hele morgen, één hele middag, één hele dag, de grimas tevoorschijn halen die al die tijd verborgen zat achter de hautaine, superieure, vriendelijke gelaatstrekken van de dame in de Armani-boetiek, waar ze haar nieuwe mantelpakje past, een gelaat, een gezicht dat voor één moment, één hele morgen, één hele middag, één hele dag niet in de plooi valt, niet in de plooi kán vallen, onwennig bij de aanblik van zoveel solidariteit en kameraadschap op Brusselse boulevards, op andere dagen háár boulevards.

Op zo’n momenten daagt het besef bij de freule in de Armani-boetiek – se profert et in faciem exit – waar het journalistieke wicht met haar human interest impressies van toeten noch blazen weet, want die dag marcheerde de vertoornde humaniteit over brede lanen, en die avond zal in de dagboeken niet worden neergekrabbeld “leuke fluitjes”, “lekker biertje” en “oh, opnieuw de file”, maar zal voor het nageslacht worden genoteerd hoe de koelste woede paradeerde als het vurigste idealisme – quantoque maior, hoc effervescit manifestius.

Koester die momenten van rechtvaardige toorn en vurig idealisme, stap de geschiedenis binnen. Koester je kameraden, omhels ze, overstelp ze met genegenheid en liefde, hoe heftiger ze is, des te helderder ze oplicht.

[Wordt vervolgd. Bovenstaande tekst is een geadapteerde, summiere versie uit een essay dat in de steigers staat. Alle feedback/commentaar is welkom, het kan er enkel minder onvolmaakt op worden. En internet-samenwerking is “in”, naar het schijnt. Wat zeker is: veranderen doe je niet alleen.]

Paulus Baumof
paulus.baumof@ixploration.com (of Facebook en Twitter)

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!