Met hark en ziel.

maandag 27 april 2020 17:57
Spread the love

Dat ik in een luxepositie zit behoeft geen betoog. Als eigenaar van een landgoed dat meerdere voeten breed en ettelijke voeten lang is, wordt mijn bewegingsvrijheid in deze onwennige tijden eerlijk gezegd niet al te ernstig bedreigd. Omdat ik het echter te druk had met de dingen waarmee ik druk bezig ben, had ik mij daar de afgelopen jaren eerlijk gezegd niet meer vertoond.

Mijn private jachtterrein was dus voor zover ik me kon inbeelden terra incognita geworden. Een onbekend en onherkenbaar stukje grond, herschapen tot een wildernis. Een knap staaltje van niet-gepland tuinparkecologisme. Of de eenvoudige herovering van de natuur op eerder gestelde menselijke activiteiten. Het is maar hoe je het bekijkt. Maar daar ging nu een eind aan komen. Alsof zich een compensatie opdrong voor de ondertussen wekenlange fileloze dagen.

Want het uitgaansverbod dat reeds enige tijd van kracht is en op persistente wijze afgedwongen wordt middels een angstwekkende, niet aflatende stroom van sterk gedramatiseerde mediaberichten en gelijktijdig door vervaarlijk al dan niet gemaskerde rondtuffende tuchtinspecteurs wordt bekrachtigd, is niet bevorderlijk voor de uitoefening van mijn doorgaans sterk verlichte ideeën. Een her-lokaliseren van mijn activiteiten in de richting van mijn eigen contreien kon vanuit strategisch oogpunt dan ook niet meer op zich laten wachten. Gedaan met leuren en zeulen, zo dacht ik bij mijzelf. Al was die overweging evengoed ingegeven door een flinke dosis ledigheid.

Om die wildernis te lijf te gaan, zo dacht ik verder, ging het gebruik van een bosmaaier evenwel onontbeerlijk zijn. Maar nadat mijn poging om via leendienst een dergelijk gemotoriseerd apparaat te bemachtigen in het water viel, herinnerde ik mij, diep in mijn illustere brein begraven, het bestaan van de zeis die Piet van Hellegem, de eigenaar waarvan ik dit landgoed ooit overkocht, hier in vrij verwaarloosde toestand had achtergelaten.

Hoewel niet meteen klein van gestalte stond ze goed verscholen in de stal achter de uit dienst geraakte deuren en andere houtrestanten. Het was een kromgebogen geval van ijzer en hout waaraan, zo herinnerde ik mij heel goed, op strategische hoogte nog een handgreep was bevestigd. Toegegeven, de zeis zag er behoorlijk roestig uit na jaren van ongebruik, maar snijden deed ze zeker, al was het maar uit gewoonte en de zwaartekracht waarmee ze langs de gewassen en struiken scheerde.

Ze was een gevaarte dat niets of niemand ontzag. Ze ging door dik en dun. Door jong en oud. Of zo stelde ik het mij toch voor alvorens ik het plan aanvatte haar gebruik in overweging te nemen.

Vlinder- en braamstruik, schiet- en kruipwilg, brandnetel, gras, graan, hennep, zilverberk en waterkers, rabarber, kweepeer en kruidje-roer-me-niet. Het is maar een kleine greep uit de diversiteit die ik op mijn afgebakend stukje oerwoud tegenkwam en gedecideerd met noest gezwaai vanuit de lendenen ten gronde bracht. Mijn verwoestingsdrang kende geen genade en vervulde me zelfs met een zeker genot. Hoe zou je zelf zijn? De ruimte die ik creëerde verrijkte mijn gemoed. Al zag ik veldmuizen, huiskatten, patrijzen, vinken, sprinkhanen, egels en was dat niet zojuist een bunzing?, haastig veld ruimen voor mijn aanstormende gelijkmaker. Zelfs vliegen en wespen werden in volle vlucht achternagezeten door dit kromzwaard van de boeren, mijn Mes der Gerechtigheid en dito ego. In een moordend tempo werd de oppervlakte heroverd op die warboel van stengels en stekels, wortels en twijgen.

Sprieten en pollen vlogen in het rond. Mijn hart klopte in mijn keel. Mijn ademhaling bonkte in mijn oren. Mijn spieren bolsterden met grootse gebaren en ontspanden zich alvorens opnieuw aan te vatten. In een gestage processie van twee stappen voorwaarts één stap rust waarna de zwaaibeweging haar opgang maakte. Het was zwoegen. Het was maaien. Het was uithalen naar alles rondom mij. Verwoed druppelend zweet werd al snel een dikke stroom die van mijn slapen naar mijn nek liep en meanderend over mijn rug ging, langsheen de bilspleet, over mijn kuiten, tot aan de enkels en uiteindelijk in mijn schoenen terechtkwam om tenslotte mijn voeten te laten baden in het zweet. Ik zwoer mijzelf in een moeras te staan. Mijn kleren raakten doordrenkt van het vocht terwijl al het leven er duchtig van werd afgesneden. Baan ruimen. Dat was wat moest gebeuren. Voor vrijheid, gelijkheid. Dat was hoe het moest zijn.

Alles om deze tijd in quarantaine vredig en vooral nuttig te doorbrengen. Ik legde mijn hart en ziel in dit karwei. Weg de spinnenwebben uit het verleden. Weg de obstakels van het land. Hier is de nieuwe orde. De ongebreidelde macht.

Al was het in een ganzenpas. De zeis is immers niet enkel een verwonderlijk egaliserend instrument, het is ook een loodzwaar ding en dwingt de gebruiker tot een houding die niet meteen in overeenstemming is te brengen met het gemotoriseerd tuig welke de vrije markt vandaag de dag in groten getale aan de man brengt. Ik werd er zowaar een beetje nostalgisch bij en van de weeromstuit en alleen al om het milieu te redden, zo dacht ik even terzijde, zou men een luddiet moeten worden. Maar daar stopte het dan ook.

Het harde werk mag dan wel een uitstekend middel zijn om kwade gedachten te onderdrukken, het brengt je nergens en lonen doet het evenmin. Dat kan ik je nu wel al vertellen. En gelukkig reikte mijn grootheidswaan of veroveringsdrift ook niet verder dan mijn perceelsgrens.

Na het harde werk kwam enkel de berusting en kon ik in de zwoele avondzon de ravage overzien die ik had aangericht. Bloemen noch kransen waren welgekomen. De kleurenpracht van voorheen was herschapen in een chaos van verbroken slingers en afgeknakte takken van een onbestemde bruingroene tint. Ik harkte mijn gedachten vervolgens maar op een hoopje. Ik was nog nooit zo dicht bij de natuur geraakt maar was er tegelijkertijd nog nooit zo ver van verwijderd. Ik zag witte vlinders voor mijn ogen dansen en hoorde bijen zoemen en merels kwetteren alsof ze me aan het uitlachen waren. Tijd om alles nog eens snel naar het containerpark te brengen zat er niet meer in, waarop ik de hele rotzooi maar bij de buren kieperde. Zand erover, snel. En misschien, zo dacht ik ten langen leste nog, moet ik dat lapje grond nu maar betonneren. Anders sta ik hier binnenkort weer.

 

Creative Commons

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!