Menno ter Braak en het nationaalsocialisme als rancuneleer.

Menno ter Braak en het nationaalsocialisme als rancuneleer.

donderdag 31 januari 2019 16:27

Menno ter Braak[1] en het nationaalsocialisme als rancuneleer.

Graag breng ik volgende tekst van bovenvermeld schrijver onder de aandacht.

Hij dateert van 1937 en waarschuwt voor wat toen verstaan werd onder het nationaalsocialisme (en fascisme), maar belicht wat we vandaag misschien beter verstaan onder het anti-verlichtingsdenken van de altright beweging en wat hier ten lande o.a. gebruikt wordt door partijen zoals de Nieuw-Vlaamse Alliantie en het Vlaams Belang. Waarmee meteen ook op haar relevantie wordt gewezen en opnieuw wordt aangetoond dat we in een vergelijkbare situatie en tijdsgeest verkeren als in de jaren dertig van de vorige eeuw.

De oorspronkelijke tekst is hier terug te vinden: http://www.mennoterbraak.nl/tekst/braa002nati01_01/braa002nati01_01_0001.php

Ik heb mijzelf toegestaan u hieronder een vereenvoudigde versie te geven zonder iets aan de aard of de essentie van de tekst te wijzigen. Ik zie het als mijn bijdrage in de strijd tegen dat sluimerend fascisme onder welke benaming ook. Van de oorspronkelijke tien bladzijden tellende tekst zijn er vijf overgebleven en ter wille van de leesbaarheid is de tekst omgezet naar hedendaags taalgebruik.

Een geoefend lezer ‘doorploegd’ deze tekst in een 15- tot 20-tal minuten, maar krijgt daarvoor een veelvoud aan denkwerk voor terug.

Om de nadruk te beklemtonen heb ik enkele zinnen uitvergroot en sommige woorden in het vet gezet. Verwijzingen heb ik beperkt tot Wikipedia om de aandacht van de lezer niet al teveel te onderbreken.

Het nationaalsocialisme als rancuneleer

Het staat mij nog altijd levendig voor de geest, hoe ik enkele jaren geleden van een bekend diplomaat in een toevallig gesprek op een toevallige vraag: “Is u van mening, dat het nationaalsocialisme in Nederland een werkelijk gevaar is?” het volgende antwoord kreeg: “Welneen, mijnheer, het nationaalsocialisme, dat is een troepje mislukkelingen!” Ik herinner mij dat deze definitie grote indruk op mij maakte. Niet zozeer vanwege de gedeeltelijke juistheid van die opmerking, als wel vanwege de elegante en nonchalante toon waarop zij werd uitgesproken. Als gold het een bagatel waarmee een heer van onmiskenbare beschaving en goede manieren zich eigenlijk niet wilde associëren.

Een troepje mislukkelingen, die nationaalsocialisten. Maar hoe sterk is dat troepje?
En is de ‘mislukkeling’ die zijn mislukking niet kan slikken, niet een symbool van een geestesgesteldheid die ook buiten de eigenlijke mislukkingen overal aanwezig is? In één opzicht kan ik deze diplomaat wel gelijk geven: het nationaalsocialisme is inderdaad een beweging van mislukkelingen; d.w.z. het is een beweging, waarvan de inspiratie voortkomt uit de rancune, of, als men wil, uit het ressentiment; twee termen die ongeveer hetzelfde gebied bestrijken en wier betekenis voor de cultuur echter zelden in volle omvang wordt gewaardeerd.

Maar is deze rancune de specialiteit van het nationaalsocialisme? Is de mislukkeling, in de ruimste zin van het woord, per se aangewezen op het nationaalsocialisme? En waar komt de rancune vandaan? Dergelijke vragen kan men onmogelijk beantwoorden als men de rancune beschouwt als een uitzonderingstoestand. Want de rancune behoort tot de meest essentiële verschijnselen van onze cultuur. Zij is er onverbrekelijk aan verbonden; zij is alomtegenwoordig, en het was een ‘perspectivische vergissing’ van de negentiende eeuw, dat zij slechts aan de ‘algemene ontwikkeling’ aandacht schonk en de minstens even belangrijke ontwikkeling van het ressentiment (die daarmee gepaard ging) nauwelijks de moeite waard vond.

Want naarmate het bezit van cultuur meer en meer als een recht wordt gevoeld, wordt de afstand die er bestaat tussen dat recht en het weinige bezit ervan in de praktijk, meer beseft als een onrecht.

Een onrecht, waarvan men het vermogen niet heeft om de wortels ervan op te sporen, omdat men evenmin weet waar dat recht op cultuur eigenlijk vandaan komt. De mislukkeling, de mens van het ressentiment, weet alleen dat hij het bezit van de ander niet kan verdragen; hij wrokt, omdat hij in de wrok de lust beleeft van de permanente ontevredenheid; hij koestert de wraakgedachte en het is typerend voor zijn wraakzucht dat de ontlading daarvan hem meestal geen verlichting brengt. Men kan dus de rancune niet als een uitzonderingstoestand beschouwen in een cultuur die de tendens vertoont om aan alle mensen gelijke rechten te verlenen.

Het is de gelijkheid als ideaal, die, gegeven de biologische en sociologische onbestaanbaarheid van gelijke mensen, de rancune promoveert tot een macht van de eerste rang.

Het streven naar gelijkheid wordt theoretisch rechtvaardig geacht, ook door degenen die er geen ogenblik aan zullen denken praktisch iets voor de verwezenlijking van dat doel te doen! Ziedaar de grote paradox van de democratische maatschappij.

Wie dus over mislukkelingen en rancune wil handelen, zal zich eerst rekenschap geven van de alomtegenwoordigheid van het gelijkheidsideaal en als een gevolg daarvan, de alomtegenwoordigheid van de rancune.

De rancune kent geen standsverschil maar dat wil allerminst zeggen dat de graaf ernst zou maken met de ‘volksgemeenschap’ door er zijn stand aan te geven en landarbeider te worden of dat hij de landarbeider tot zijn graafschap omhoog zal trekken.

De gelijkheid door de ‘volksgemeenschap’ is een leuze van het ressentiment dat in theorie voor geen enkele ongelijkheid meer halt maakt, maar daarom des te meer dient om de bestaande ongelijkheden in de praktijk te verbloemen.  

In dit opzicht doet het nationaalsocialisme dus niets anders dan wat het liberalisme, het socialisme en de democratie ook deden: het richt zich tegen de ongelijkheid, maar dan zonder de begeleidende ongelijkheidsfrasen, én het proclameert de ‘hogere gelijkheid’, waar het zich overigens geen andere dan belachelijke voorstellingen van kan maken. Dit ligt in de aard van de zaak, want de gelijkheid is nog evenzeer als in de tijd van de verlichting een fictie.

De tegenstelling tussen democratie en nationaalsocialisme, of tussen socialisme en nationaalsocialisme is dus slechts een zeer voorlopige tegenstelling, die hoogstens aangeeft dat er verschil is tussen de wijze waarop het ressentiment zich aandient. Dat verschil is van enorm belang, maar het bewijst geenszins, dat democratie en socialisme verstoken zouden zijn van ressentiment!

Men versta dit echter niet verkeerd. Juist door vast te stellen dat liberalisme, socialisme en democratie enerzijds en nationaalsocialisme anderzijds door de gemeenschappelijke factor van het ressentiment worden verbonden, stel ik vast dat de democratie superieur is aan de fascistische en nationaalsocialistische stromingen die uit haar voortkomen. Hoezeer superieur blijkt reeds voldoende uit de koketterie van de dictators met de ‘ware’ democratie die zij zeggen te verdedigen. Dit omdat zij zich niet kunnen veroorloven ronduit tirannen of despoten te zijn. Hun slechte geweten is de democratie. Daarom: laat die democratie ons goed geweten zijn! Maar laten wij haar niet vereenzelvigen met parlementarisme of andere ondergeschikte functies.

Ik weet zeer wel, dat ik door deze argumentatie tot geheel andere resultaten moet komen dan sommige intellectuelen die de democratie op een andere manier liefhebben dan ik. Voor hen is de tegenstelling tussen democratie en nationaalsocialisme óf een ethische tegenstelling óf een tegenstelling tussen ‘waarheid’ en ‘onwaarheid’. Daarom geven zij zich veel moeite, om de leerstellingen van het nationaalsocialisme op de keper te bezien en er met enige goede wil zelfs verdiensten in te ontdekken.

Want wanneer er in het geheel niets goeds was in het nationaalsocialisme, dan zou er geen verleidende kracht van kunnen uitgaan en zou het niet in staat zijn hier en elders gewetens te vertroebelen.

Dat is de ethische interpretatie die mij onhoudbaar lijkt; het gaat hier niet om goed of kwaad, maar om de psychologie van die ‘verleidende kracht’ waarbij men slechts kan uitgaan van de psychologie van de reclame en de vatbaarheid van de mens vóór die reclame. Deze bestrijders van het nationaalsocialisme zijn nog zo naïef een kleine dosis ‘goedheid’ of ‘waarheid’ te veronderstellen bij een soort mensen, wier reclamewaarde juist steekt in de omstandigheid dat zij zich van die ethische goedheid-slechtheid en die wetenschappelijke waarheid-onwaarheid niets aantrekken!

Men kan een dergelijke naïviteit alleen verklaren uit het feit, dat zulke waarnemers vergeten vooraf zichzelf waar te nemen en daarom geen oog hebben voor de alom tegenwoordigheid van het ressentiment, én dat het nationaalsocialisme niet het tegendeel maar de vervulling van de democratie en het socialisme is. Niet de ontkrachting ervan, maar de perversie.

Wie dus het nationaalsocialisme wil bestrijden, moet in de democratie en het socialisme dezelfde fraseologie bestrijden die hij ook in het nationaalsocialisme bestrijdt, want:

het nationaalsocialisme is de volledige emancipatie van het ressentiment, dat in democratie en het socialisme nog aan bepaalde spelregels was gebonden.

 Scheler[2] schreef het volgende over de kritiek, zoals die door de mens van het ressentiment wordt uitgeoefend:

Deze soort kritiek, die men de “kritiek van het ressentiment” zou kunnen noemen, houdt in, dat een verbetering der toestanden nooit voldoening geeft, maar integendeel ontevredenheid uitlokt. De “kritiek van het ressentiment” wordt gekenmerkt door het feit, dat zij niet ernstig “wil” wat zij beweert te willen; zij kritiseert niet om het kwaad te verdelgen, maar bedient zich van het kwaad als voorwendsel tot scheldwoorden.”

Men moet er zich dus eigenlijk niet over verbazen dat de werkelijke strijd om de democratie pas begint wanneer het ressentiment zich geëmancipeerd heeft en de ressentimentsmens zich van de overgeleverde tradities (zoals daar zijn: de zuiverheid van de wetenschap en de vrijheid van het individu) niets meer wenst aan te trekken. De werkelijke strijd om de democratische minima begint pas nu de democratie als maximum zich openhartig onthult als nationaalsocialisme, en het ‘recht voor allen’ blijkt te bestaan in het recht voor allen om onbeperkt allen te haten en te verafschuwen.

De ‘oppositie uit principe’; het haten om het haten; het met luid gebrul willen wat men in het geheel niet wil, omdat de vervulling ervan de haatmogelijkheden maar weer zou beperken; het onmiddellijk overslaan van het ene gekanker op het andere wanneer er bij ongeluk toch iets in vervulling gaat om vooral bij het ressentimentspubliek geen terrein te verliezen; de grootscheepse ‘ressentimentsregie’ die echter op kritieke momenten de grootste stommiteiten begaat omdat zij zelfs geen psychologisch inzicht heeft in de krachten die de rancune tegenwerken; dat alles vertoont ten onzent de N.S.B.[3], onze nationale afdeling van de grote Europese ressentiments-internationale, wiens pogingen om strikt nationaal te schijnen steeds weer jammerlijk stranden op de volslagen onmacht van de mens-van-de-pure-rancune om iets anders te zijn dan quasi. (Schijnbaar dus.) Want hij is schijnbaar-heroïsch, hij is bijna-volks, hij is zogenaamd-fatsoenlijk, hij is als het ware-Germaans. Maar achter al die schijnbaarheden loeit het ressentiment, achter al dat quasi-positivisme kankert de ‘oppositie uit principe’.

Zo bestaat ook voor Alfred Rosenberg[4] geen wetenschappelijk probleem. De feiten der geschiedenis zijn voor hem bij voorbaat alleen materiaal ter ordening in de ressentimentshiërarchie die slechts twee kampen kent: de gehate en de hatende partij; de partij die men met recht mag en moet haten tegenover de partij die met recht de universele haat heeft te beoefenen. En wie naar korreltjes ‘waarheid’ gaat speuren, komt bij voorbaat bedrogen uit. De haat is primair, de Jodenhaat is secundair, de ‘wetenschappelijke’ argumentatie is tertiair. Zonder de haat kan men het nationaalsocialisme dan ook niet denken; de Jodenhaat kan men, wanneer de gelegenheid zich voordoet, vervangen door de haat jegens het ‘verniggerte’ Frankrijk of de ‘huisknechtenpers’, aangezien de Joden slechts één van de vele voorwendsels zijn om het ressentiment een reëel object te verschaffen. De ‘wetenschappelijke’ argumentatie kan men desnoods volkomen wegdenken zonder dat er iets aan de probleemstelling van de ressentimentstheoretici verandert.

Het nationaalsocialisme heeft dus wel degelijk zijn logica, en zelfs zijn objectiviteit. Het zijn de logica en de objectiviteit van het geëmancipeerde ‘pure’ ressentiment. Die logica manifesteert zich dan niet op de ouderwetse wijze in de discussie, maar in het bevel en de propaganda. Die objectiviteit moet men ook niet zoeken in de gefundeerde argumentatie en de verantwoordelijkheid voor de feiten, maar in de leugen en de simplistische constructie van het wereldgebeuren. Zo nodig dwars tegen algemeen erkende feiten in.

Bevel, propaganda, leugen en constructie vindt men ook in de democratische samenleving, maar altijd in de schaduw van kritiek, gedachtewisseling, waarheid en ‘tegenonderzoek’. De logica van het nationaalsocialisme echter kan zulk een relativering niet dulden, omdat die het simplistische wereldschema in gevaar zou brengen. De ressentimentsmens mag dus zijn leugens en zijn constructies niet als leugens en constructies ontmaskeren.

De psychologie van de nationaalsocialistische leugen is veel interessanter dan men uit de geschriften van sommige ethische en waarheidlievende intellectuelen zou kunnen opmaken, want het liegen vervangt hier compleet het schipperen tussen theoretische ‘waarheid’ en praktische noodleugen dat de gemiddelde democratische mensen kenmerkt. Een beroep op de waarheid kan in een democratische samenleving in bepaalde gevallen een zeker succes hebben; in een nationaalsocialistische dictatuurstaat vindt zulk een beroep zelfs geen echo meer, omdat het ‘pure’ ressentiment door een gelijkgeschakelde pers en een tot staatsslavernij gedwongen wetenschap zijn logica en objectiviteit tot ‘maat van alle dingen’ heeft gemaakt.

De strijd tegen het nationaalsocialisme is dan ook hopeloos, wanneer men niet leert inzien, dat de strijd in de eerste plaats moet gaan tegen de idealisering van het ressentiment.

Niet alleen onder nationaalsocialisten, maar ook onder democraten en socialisten. Een dergelijke strijd zal een geheel nieuwe tactiek eisen.

Ook het simplisme van de nationaalsocialistische ‘leer’ komt niet uit de lucht vallen. Simplistische conclusies zitten iedereen in het bloed die behoefte heeft zich te rechtvaardigen. Het simplisme wordt onder het nationaalsocialisme echter de ‘maat van alle dingen’; de nationaalsocialistische dictatuur duldt geen kritiek en maakt het leven ondraaglijk aan iedereen die het criterium der vrijheid opzoekt. Want in de nationaalsocialistische vrijheid bestaat alleen het door de staat gedicteerde simplisme van het absolute ressentiment.

Daarom ook mag men aannemen dat het nationaalsocialisme het allermeest te vrezen zal hebben van de langzame ontnuchtering die een simplistische wereldbeschouwing op den duur zelfs bij de onnozelste individuen achterlaat,

en wanneer zij aan den lijve gaan voelen, dat het wegjagen van Joden, het geloof aan de Protocollen van de Wijzen van Zion, en het gehuil over het ‘wereldbolsjewisme’, de ressentimentsdorst evenmin zal bevredigen. Net als welk andere middel ook.

Het nationaalsocialisme als rancuneleer onthult zich nog op andere manieren als de leer van het ‘pure’ ressentiment. Men komt dikwijls de voorstelling tegen, als zou het ressentiment een gevolg zijn van sociale misstanden en met name van armoede. Men meent dan uit het bestaan van misstanden en armoede het ressentiment te kunnen verklaren en er het ressentiment zelfs door te kunnen idealiseren. Het nationaalsocialisme bewijst het tegendeel. Het is immers geen godsdienst van de ‘verworpenen der aarde’, het is evenmin een sociologie van wetenschappelijk geanalyseerde klassentegenstellingen. Het wil een ‘volksgemeenschap’. D.w.z. het wil dat de rijken de rijken, de middenstanders de middenstanders en de armen de armen blijven en het verraadt door zijn gebrek aan positieve programmapunten dat het tevens de ‘leer’ is van allen tegen allen; van de armen tegen de rijken, van de rijken tegen de armen; van de middenstanders tegen de verfoeide ‘grootkapitalisten’, enzoverder. Daarom is het ook voor allen geschikt.

Bestrijding van het nationaalsocialisme is dus geenszins identiek met het bestrijden van misstanden. Al is het dwaasheid om de invloed van misstanden en crisis op de ontwikkeling van het nationaalsocialisme te ontkennen, het is zeker dwazer in misstanden en crisis zijn oorsprong te zoeken. Even kortzichtig is het deze stroming te zien als een beweging van de ‘kleinburger’, de door het grootkapitaal en de georganiseerde arbeiders bedreigde winkelier en rentenier. De ‘kleinburger’ is hoogstens (en voorlopig) het voornaamste symbool van het nationaalsocialisme omdat hij het meest toegankelijk was voor de emancipatie van het ressentiment nadat hij zijn godsdienst had verloren of althans nadat hij het rotsvaste vertrouwen op die godsdienst was kwijtgeraakt en hij er geen nieuwe ideologie voor in de plaats had gekregen.

Gevaarlijker zijn de welwillenden. Zij die de ‘bijzaken’ verafschuwen, maar steeds op zoek zijn naar de ‘achtergrond’, het ‘wezen’ of de platonische ‘hoofdzaak’. Zij vergeten daarbij naar de oppervlakte te kijken. En het is juist aan de oppervlakte dat men het nationaalsocialisme leert kennen als de leer van de ‘pure’ rancune. Het zijn de formules van de haat, de stembuigingen van de nijd en de schelheid van de laster waarop men de welwillenden steeds weer attent moet maken! Het is de oppervlakte die verraadt dat deze aristocraten geperverteerde democraten zijn. Dat de volksidealisten het ‘volk’ gebruiken voor hun speciale doeleinden, dat de ‘leiders’ willen wat zij in het geheel niet willen. Want wat zij willen is de ongelimiteerde uitleving van hun ressentiment. 

Het gevaar is in laatste instantie ook niet het nationaalsocialisme als ‘leer’ op zich, maar het ressentiment ‘pur’ dat van zijn afkomst niet meer weet en aan de frase gelooft als de zuivere waarheid van de zuivere leugen. Zo gelooft de mens van de rancune ook aan een ‘leider’, die nooit bewezen heeft een leider te zijn, maar ‘(z)onder wie Nederland geen toekomst meer heeft’. Want woorden en rompstanden, de karikatuur van werkelijk begrip en werkelijke waardigheid, dat zijn de geliefkoosde middelen van den mens der rancune. 

In dit tijdsgewricht is het noodzakelijk om ook de betrekkelijkheid van humor en satire te overwegen,

want het ressentiment is verstoken van humor. Er is immers niets dat humorlozer maakt dan het ressentiment. ‘Le ridicule tue’, gaat niet meer op waar het ressentiment zich als absolute waarde aandient onder ronkende leuzen en krankzinnige theorieën. Dat humor ten opzichte van het nationaalsocialisme zijn toepasselijkheid verliest, is een bewijs van de macht van het ressentiment over de zielen. De wrok die de kans krijgt zich eindelijk bot te vieren, neemt een belachelijke figuur (i.e. de komiek) met liefde in haar rangen op omdat hij onder de ressentimentskameraden niet als belachelijk wordt gezien.

Wanneer men van de intellectuelen iets mag verwachten, dan is het dit: dat zij zich geen ogenblik door de façade en de uitnodigende ‘Turkse trom’ laten imponeren, dat zij ieder ogenblik paraat zijn om vervalsingen te ontmaskeren en bulderende frasen in ‘gewone’ woorden te herhalen. Daarvoor is het nodig dat de macht van het ressentiment over onze gehele cultuur wordt erkend. Want de bestrijding van de frase door de contra-frase, die in de strijd om de macht tussen democratie en nationaalsocialisme onontbeerlijk is, verplicht de intellectuelen tot kritisch opportunisme; dit kritisch opportunisme is het teken van hun ‘trouw aan de democratie’.

[1] https://nl.wikipedia.org/wiki/Menno_ter_Braak http://www.mennoterbraak.nl/website/index.php

[2] https://nl.wikipedia.org/wiki/Max_Scheler

[3] https://nl.wikipedia.org/wiki/Nationaal-Socialistische_Beweging

[4] https://nl.wikipedia.org/wiki/Alfred_Rosenberg

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!