Meer geld? Meer maatschappelijke waarde?
Financiering, Wetenschapsbeleid, Innovatiebeleid, Maatschappelijke waarde -

Meer geld? Meer maatschappelijke waarde?

donderdag 23 december 2010 21:50

Het laatste halfjaar verschijnen in de pers vanuit verschillende Vlaamse instellingen voor hoger onderwijs regelmatig kritische reacties op het wetenschaps- en innovatiebeleid van de Vlaamse overheid. Recent hebben een aantal leden van de universitaire gemeenschap een platform ‘Onderzoekers in Actie’ opgericht. Het ongenoegen zit diep: te weinig geld voor onderzoek, te weinig personeel vooral voor onderwijs, te hoge werkdruk, te weinig perspectief voor jonge onderzoekers, versnipperde financieringskanalen (De Wereld Morgen, 21-12-2010).

Het protest is gegrond. Iedereen die de jongste jaren werkzaam was aan een Vlaamse universiteit, zal de grieven beamen. Alleen jammer dat de wetenschappelijke gemeenschap zich, ter motivering van het protest, hoofdzakelijk beperkt tot economische argumenten. De schaarser wordende financiële middelen zijn bijvoorbeeld een probleem omdat het de onderzoekers verhindert de concurrentie aan te gaan met hun collega’s in het buitenland, of ‘omdat de besparingen de opbouw van onze kennismaatschappij dreigen uit te hollen’, of omdat het een bedreiging inhoudt voor onze economische welvaart. Op die manier laten universiteiten zich zonder veel weerstand inschrijven in wat Herman De Dijn een koopliedenlogica noemt (De Morgen, 21-12-2010).

Maar hoe staat het eigenlijk met de maatschappelijke waarde van wetenschap en innovatie? Aan het begin van de 21e eeuw zit de opvatting dat technisch-wetenschappelijke innovaties cruciaal zijn, zowel vanuit economisch als vanuit maatschappelijk perspectief, diep ingebakken in het politieke discours. (In sommige kringen wordt ‘maatschappelijke waarde’ gemakshalve verengd tot ‘economisch valorisatiepotentieel’.) Het wetenschaps- en innovatiebeleid van de Europese Unie schraagt deze opvatting. De economieën van de lidstaten dienen kenniseconomieën te worden: om zich mondiaal te handhaven én om het hoofd te bieden aan de grote maatschappelijke uitdagingen.

Voor welke uitdagingen staan we: een groeiende wereldbevolking, een toenemende vergrijzing in het Westen, een toenemende kloof tussen arm en rijk, klimaatverandering, milieuvervuiling, grondstoffenschaarste, etc.. Klopt het dat meer kennis uitmondt in effectieve antwoorden op de genoemde maatschappelijke uitdagingen? Of anders gesteld: leidt meer geld automatisch tot meer maatschappelijke waarde?

Een korte historische terugblik geeft ons reden tot twijfel: de bijdrage van technisch-wetenschappelijke innovaties tot duurzame ontwikkeling is bijvoorbeeld allesbehalve vanzelfsprekend. De stijgende behoefte aan grondstoffen en energie en de toenemende milieudruk staan haaks op duurzame ontwikkeling. Volgens Thomas Vogt is in de periode 1975?1995 het totale verbruik van materialen in de VS, Duitsland, Nederland en Japan met 30% gestegen, ondanks het feit dat de materiaalintensiteit (hoeveelheid materiaal gebruikt per eenheid van het BNP) met ongeveer 30% gedaald is. Tim Jackson stelt dat onze economie de voorbije vier decennia drie keer energie-efficiënter is geworden, maar de totale groei is zo groot dat de CO2-uitstoot maar blijft toenemen. David Rejeski wijst er op dat tot op heden de productie van koolstof nanodeeltjes—die onder meer zouden kunnen ingezet worden in zeer efficiënte herlaadbare batterijen—zeer energie-intensief is (2 tot 100 keer meer energie nodig dan voor de productie van aluminium; bovendien worden vaak aanzienlijke hoeveelheden toxische chemische producten gebruikt). De confrontatie tussen heersende verwachtingen ten aanzien van technisch-wetenschappelijke innovaties en deze kengetallen leidt ons, met Rejeski, tot de vraag ‘whether a dollar spent preparing for this major industrial transformation [i.e. moleculaire economie, synthetische biologie, bio-nano-convergentie] is worth a hundred dollars spent cleaning up after it’.

Meer geld voor wetenschap en innovatie is op zich geen garantie dat de grote maatschappelijke uitdagingen (de ‘grand challenges’ zoals het in het Europese jargon heet) terdege worden aangepakt. Te meer daar de wetenschaps- en innovatiegemeenschap minder en minder uitgerust is om haar verantwoordelijkheid in deze op te nemen.

Jan Vlegels verwijst naar de toenemende noodzaak bij onderzoekers om naar private financiering op zoek te gaan (De Wereld Morgen, 22/12/2010). Dit zet de deur open tot beïnvloeding van het onderzoek. Zelfs indien het onderzoek ‘objectief’ verloopt (daar gaan we van uit), houdt dit risico’s in. Onwelgevallige resultaten worden stil gehouden. Wetenschappelijke vorderingen worden met vertraging vrijgegeven. En erger nog: de onderzoeksvragen zijn gefilterd door privé-belangen.

Zowel Jan Vlegels (De Wereld Morgen, 22/12/2010) als Herman De Dijn (De Morgen, 22/12/2010) wijzen op nefaste effecten van bibliometrische indicatoren op de kwaliteit van wetenschappelijk onderzoek. Deze indicatoren fungeren als verdeelsleutel voor publieke financiering. Zij resulteren in een hoge publicatiedruk met als gevolg: het verhaspelen en herkauwen van brokjes wetenschappelijke kennis in verschillende wetenschappelijke artikelen (met bovendien vaak ellenlange auteurslijsten), het verengen van de wetenschappelijke vraagstelling tot de ‘veilige’ domeinen—conformisme dus—, het voorbij gaan aan veel onderzoeksresultaten binnen de sociale en humane wetenschappen. Bovendien straft deze verdeelsleutel onderzoekers af die tijd besteden aan hun andere kerntaken: onderwijs en, vooral, maatschappelijke dienstverlening.

Niet alleen verhindert het strikt kwantitatieve karakter van de bibliometrische meetmethode onderzoekers om aan maatschappelijke dienstverlening te doen. De verdergaande specialisering binnen de onderzoeksinstellingen maakt het onderzoekers ook moeilijk om deze kerntaak op zich te nemen. De tendens tot specialisering leidt er toe dat veel onderzoekers heel veel weten over een heel beperkt thema, maar nog nauwelijks in staat zijn daarover te communiceren met mensen buiten het eigen expertisedomein. Het heeft ook tot gevolg dat veel onderzoekers het zicht verliezen op de bredere maatschappelijke betekenis van hun eigen onderzoeksactiviteiten. In theorie zijn wetenschappers bij uitstek goed geplaatst om het publieke debat over nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen te voeden; in de praktijk zijn zij daarvoor slecht gewapend en er zeker weinig voor opgeleid. Velen zien de (beloftevolle kanten van de) zich ontwikkelende bomen, maar weinigen zien (de eventuele dreigingen van) het toekomstige bos.

Laat er geen misverstand ontstaan: er is wel degelijk meer geld richting wetenschap en innovatie nodig om de grote maatschappelijke uitdagingen van de 21e eeuw effectief aan te pakken. Maar dat alleen zal niet volstaan. Zorg voor meer democratische inspraak in het wetenschaps- en innovatiebeleid (dat nu in grote mate het resultaat is van gelobby van de zijde van machtige bedrijven en onderzoeksgroepen). Besteed meer aandacht aan sociale en culturele dimensies; geen ‘technologische fix’. Maak maatschappelijke relevantie tot een criterium voor financiering van afzonderlijke onderzoeksprojecten . Verruim de transparantie over en de publieke betrokkenheid bij technisch-wetenschappelijke ontwikkelingen. Maak werk, zowel in onderwijs als in onderzoek, van een mooier evenwicht tussen een specialistische en een generalistische benadering. Creëer meer samenwerking tussen de ‘harde’ en de ‘zachte’ wetenschappen.

Besparingstijden zijn zelden voor de hand liggende momenten om problemen ten gronde aan te pakken. Maar de kordate uitspraak van Hillary Clinton, ‘never waste a good crisis’ is een uitdaging waar de Vlaamse wetenschapsgemeenschap nu voor staat. Benieuwd hoever we komen…
 

Referenties

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!