Loonmatiging: een rationeel economisch beleid?
Vakbonden, Werkgevers, Werkgelegenheid, Competitiviteit, Poliargus, Export, IPA, Brutoloonmassa, Economische innovatie, Lonen, CRB, Productiviteit -

Loonmatiging: een rationeel economisch beleid?

zaterdag 27 november 2010 12:39

Moet België zijn lonen matigen om op internationaal vlak competitief te blijven? Deze vraag staat weer in het middelpunt van de belangstelling nu de sociale partners onderhandelen over het volgende IPA (inter-professioneel akkoord). Een recent rapport van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) opende de discussie door te stellen dat de ‘loonhandicap’ van België ten opzichte van onze buurlanden gestegen is. In dit stuk gaan we dieper in op een aantal afwezige elementen in de discussie over loonmatiging. Eerst bekijken we kort wat de verschillende sociale partners voorstellen en vatten we de orthodoxe opinie over loonkosten samen. Daarna houden we de gebruikte cijfers en indicatoren kritisch tegen het licht en bekijken we wat de effecten zijn van loonmatiging in landen als Nederland en Duitsland.

1. De orthodoxe opinie en de wensen van de sociale partners

Lonen en loonkosten staan in het centrum van het conflict tussen werknemers en werkgevers. Waar de werkgevers de kosten verbonden aan de productiefactor arbeid zo veel mogelijk willen drukken, willen de werknemers netto net zoveel mogelijk overhouden aan hun arbeidsactiviteit. Daartussen staat de sociale zekerheid en de regering die via RSZ en belastingen een groot deel van zijn inkomsten uit arbeid haalt. Maar naast deze tegengestelde belangen heeft het loonbeleid en de hoogte van de lonen ook een invloed op de algemeen economische situatie van het land. Het traditionele verhaal gaat als volgt: te hoge lonen drijven de kosten van de producten de hoogte in waardoor ze op internationaal vlak niet meer concurrentieel zijn. Dat heeft als gevolg dat Belgische ondernemingen minder producten in het buitenland kunnen afzetten en buitenlandse producten beter afgezet kunnen worden in België. Op zijn beurt betekent dat een verlaging van de economische activiteit en een verlaging van het aantal arbeidsplaatsen.

In 1996 werd de wet ter behoud van de concurrentiekracht in werking gesteld door de Belgische wetgever. Deze wet stelt dat de Belgische lonen niet sneller mogen stijgen dan de veronderstelde stijging van de lonen in onze buurlanden, die tevens onze belangrijkste handelspartners en concurrenten zijn. De toegelaten loonsstijging wordt bij deze de ‘loonnorm’ genoemd. Recent weer stelde de Nationale Bank dat deze wet niet nageleefd wordt en dat de Belgische lonen relatief gezien sneller stijgen dan de lonen in onze buurlanden.

Momenteel zitten de sociale partners samen om op basis van de cijfers van de CRB, de wet van 1996 en de economische en maatschappelijke realiteit een nieuw inter-professioneel akkoord (IPA) te onderhandelen met daaraan vastgekoppeld een loonnorm voor de volgende twee jaar. Net voor de onderhandelingen pleitten werkgeversorganisaties VOKA en Agoria en minister Van Quickenborne [1] (OpenVLD) onvervalst voor een beleid van loonmatiging naar voorbeeld van Duitsland. Daarnaast stelde het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO)voor om de index creatief te gebruiken. De vakbonden reageerden verbolgen en wezen op het verlies aan koopkracht, wat het fundament is van de binnenlandse vraag, en de gevolgen van het Duitse loonbeleid in de vorm van zeer precaire arbeidsplaatsen.

2. Een kritische blik op de gebruikte cijfers

Eerst en vooral kijken we naar de gebruikte cijfers. Deze zijn een aggregaat, dat wil zeggen dat ze een optelsom zijn van alle cijfers in alle sectoren en van alle soorten werknemers in de private sector. Zo’n geaggregeerd cijfer heeft verschillende nadelen. Zo worden loonsevoluties in verschillende sectoren niet weergegeven in dit cijfer. Waarschijnlijk stegen de lonen in sectoren die blootstaan aan sterke buitenlandse concurrentie minder dan in sectoren die daar minder last van hebben. Een tweede nadeel van het aggregaat is dat de categorie lonen zeer divers is, en ook de lonen van topmanagers en hoge functies bevat. Die toplonen stegen in 2009 bijvoorbeeld al met 23 procent [2], al een pak meer dan de 3,9 procent die het CRB uitkwam voor de periode 2009-2010. Als je toplonen uit de statistiek filtert, kan je vaak een andere trend zien (zie bijvoorbeeld een artikel van de Franse econoom Michel Husson over de lonen in de VS).[3] Deze nuances betekenen niet dat de loonkosten in de concurrentiegevoelige sectoren minder snel gestegen zijn dan in de buurlanden (daarvoor zou meer gespecialiseerd onderzoek nodig zijn), maar het toont wel aan dat het argument van de concurrentie nogal gemakkelijk en onzorgvuldig wordt gebruikt, als een dogma.

Daarnaast houden de cijfers geen rekening met de evolutie van de productiviteit van de werknemers. Een stijgende loonkost die samengaat met een stijgende productiviteit is op zich geen probleem in termen van de concurrentiepositie van de economie, die blijft namelijk op niveau. Kijkend naar deze cijfers, zien we dat de productiviteit in België de laatste jaren sneller steeg dan in de ons omliggende landen, niet genoeg om de stijging in lonen volledig te compenseren, maar dit  nuanceert de zogenaamde ‘loonhandicap’ van België wel. Het centrale probleem is dus niet loonkosten op zich, maar de relatieve hoogte van de productiekosten tegenover de productiviteit. Dit betekent dus dat niet enkel loonskosten een rol spelen, maar ook bijvoorbeeld energiekosten die bij ons relatief hoger liggen dan in de buurlanden.

3. Loonmatiging: wat zijn de gevolgen?

3.1. Werkgelegenheid

De verdedigers van loonmatiging wijzen steevast naar de positieve effecten van loonmatiging op de werkgelegenheid. Door de verbeterde exportpositie stijgt de afzet van bedrijven waardoor ze mensen kunnen aannemen om te zorgen voor de extra productie. Daarnaast kunnen kmo’s met een beperkte omzet gemakkelijker mensen aannemen door een verlaagde algemene loonkost. Deze positieve effecten op het vlak van werkgelegenheid zijn ook empirisch bewezen in Nederland [4] en recent ook in Duitsland [5]. Maar een recent onderzoek [6] naar de kwaliteit van de gecreëerde arbeidsplaatsen door het beleid van loonmatiging doet ons vragen stellen. Van Klaeren, Salverda en Tijdens [7] bewezen dat het Nederlandse beleid van loonmatiging studenten en net afgestudeerden dreef naar precaire arbeidsplaatsen met lage loonsvoorwaarden, onstabiele contracten en flexibele arbeidsuren. Dit toont dat het werkgelegenheidseffect vooral te danken is aan de lagere kosten die verbonden zijn aan een loonmatiging en minder aan de verbeterde exportpositie en de daaraan gekoppelde verhoogde productie. De werkgelegenheid stijgt dus inderdaad, maar we kunnen ons vragen stellen over de wenselijkheid van dergelijke arbeidsplaatsen.

Daarnaast onderzocht een onderzoeker van de Katholieke Universiteit Leuven, Paul Van Rompuy [8], recent de effecten van het Duitse beleid van loonmatiging en projecteerde deze op de situatie in België. Hij constateerde dat op middellange termijn de effecten in Duitsland op het vlak van werkgelegenheid negatief uitvielen en dat dit in België zeker ook het geval zou zijn. Door loonmatiging daalt de binnenlandse consumptie immers, en het negatieve effect van die daling op de werkgelegenheid is groter dan het positieve effect van de vermeende verbeterde concurrentiepositie. Loonmatiging zou dus in België op termijn eerder leiden tot jobverlies.

3.2. Productiviteit

Naast de twijfelachtige effecten op het vlak van werkgelegenheid is er ook discussie over het effect van loonmatiging op de productiviteit van de werknemers. De concurrentiepositie van een land wordt namelijk niet enkel door de loonkosten bepaald, maar door alle kosten. De arbeidskosten op zich staan ook in relatie tot de productiviteit van die arbeid, arbeid mag duur zijn als ze ook zeer productief is. Volgens een aantal Nederlandse wetenschappers [9] is er een positief oorzakelijk verband tussen hoge lonen en een hoge arbeidsproductiviteit. Volgens het neoklassiek economisch model zetten hoge arbeidskosten de ondernemer aan om meer te investeren in arbeidsbesparende kapitaalgoederen [10], die zorgen voor een hoge arbeidsproductiviteit. Lage lonen echter zetten de ondernemers aan om te desinvesteren op kapitaalgoederen. Dat wordt gestaafd door empirische cijfers. Tijdens het Nederlandse beleid van loonmatiging vervingen de Nederlandse ondernemers hun kapitaalgoederen relatief trager dan in de andere Europese landen.[11]

3.3. Innovatie

Investeren in kapitaalgoederen betekent meestal innovatie in termen van productie, maar innovatie is meer dan enkel productinnovatie. Zo bestaat er ook procesinnovatie, arbeidsorganisatie innovatie etc. Al deze vormen van innovatie hebben een positief effect op de performantie van het bedrijf. Innovatie is de zogenaamde ‘high road’ naar competitiviteit die een concurrentie op de kwaliteit van de processen en producten veronderstelt. Deze staat tegenover de ‘low road’ die een concurrentie op het vlak van arbeidskosten betekent. De tweede vorm van concurrentie is maatschappelijk niet wenselijk omdat het leidt tot lage kwaliteit van goederen en slechte arbeidsomstandigheden. Om dit te voorkomen op nationaal vlak heeft België het systeem van sectorale cao’s ingevoerd. Deze leggen de loon- en arbeidsvoorwaarden vast voor alle bedrijven in een bepaalde sector waardoor deze bedrijven in de onmogelijkheid verkeren om de anderen weg te concurreren door lage lonen te geven aan hun werknemers.

Op internationaal vlak trekt men deze redenering blijkbaar niet door. Loonmatiging betekent namelijk dat niet-innovatieve bedrijven uit verschillende landen, maar ook uit verschillende sectoren, concurrentieel blijven doordat ze hun arbeidskosten kunnen drukken. Dit vertraagt het proces van ‘creatieve destructie’ beschreven door Schumpeter [12]. Dit proces houdt in dat innovatieve bedrijven niet-innovatieve bedrijven uit de markt drijven en zo het algemene technologische niveau van een economie de hoogte in drijven. Om deze redenen besluiten Kleinknecht en zijn collega’s [13] dat Nederland met zijn beleid van loonmatiging ervoor kiest om liever ‘dom en vlijtig’ te zijn dan ‘slim en lui’.

3.4. Een verbeterde exportpositie

Ten vierde blijkt ook de verbeterde exportpositie van een economie door een beleid van loonmatiging niet verzekerd. Zoals ook Fons Verplaetse [14] stelt, is de loonkost maar één aspect dat de concurrentiepositie van een land bepaalt. Daarnaast zijn ook andere kosten bepalend voor de internationale concurrentiepositie, zoals energiekosten en transportkosten. Ook het scholingsniveau van de werknemers, de technologische concentratie en dergelijke spelen mee. De concurrentiepositie van een land is dus niet gemakkelijk te manipuleren via de reductie van een van zijn factoren, de arbeidskost. Dat een beleid van loonmatiging geen verbetering van de concurrentiepositie veroorzaakt, maar een verslechtering, werd ook door de academische literatuur opgepikt en de ‘Kaldor Paradox’ gedoopt, naar zijn ontdekker. Ook Nederland werd geconfronteerd met een gedaalde internationale competitiviteit als gevolg van een beleid van loonmatiging.[15] Opnieuw blijkt dat loonmatiging verre van een mirakeloplossing is.[16]

4. Conclusie

Loonmatiging blijkt niet zo’n gemakkelijke en fantastische oplossing voor onze economische situatie als velen ons doen geloven. Loonmatiging zou negatieve effecten hebben op de kwaliteit van de arbeid, op de werkgelegenheid, de productiviteit van de werknemers, de innovatie in bedrijven en misschien zelf op onze exportpositie. De Europese coördinatie van het loonbeleid is wenselijk en in afwachting daarvan moet een beleid van loonmatiging vermeden worden.

Dat betekent concreet dat er geen sprake mag zijn van een aanpassing van de index, nog van een algemeen beleid van loonmatiging. Daarnaast moet wel ten volle ingezet worden op innovatie, wat wél leidt tot de creatie van duurzame en kwalitatieve werkgelegenheid en onze internationale concurrentiepositie waarborgt.[17] Dit kan door in te zetten op vorming en onderwijs, te investeren in R&D maar ook sociale innovatie in bedrijven te promoten.

Stan De Spiegelaere en Sacha Dierckx

zaterdag 27 november 2010

Deze tekst verscheen eerder op www.poliargus.be


[1]
 Zie De Morgen (2010). Komende jaren geen stijging lonen bovenop indexering. Geraadpleegd op 8 november 2010 op http://www.demorgen.be/dm/nl/996/Economie/article/detail/1179376/2010/11/05/Komende-jaren-geen-stijging-lonen-bovenop-indexering.dhtml.

[2] Zie Michielsen, S. (2010). Topmanager ziet salaris met 23 procent aandikken. De Tijd, donderdag 8 april 2010, p. 3; Pironet, E. (2010). Het goede voorbeeld. Knack, 14 april 2010, p. 41.

[3] Onaran (2010). Global crisis and the policy reaction in Western and Eastern European Union. Geraadpleegd op 8 november 2010 op http://www.internationalviewpoint.org/spip.php?article1797; Moseley, F. (2008a). Some notes on the crunch and the crisis. Geraadpleegd op 8 november 2010 op http://www.isj.org.uk/index.php4?id=463&issue=119.

[4] Kleinknecht, A., Oostendorp, R. M., Pradhan, M. P., & Naastepad, C. (2006). Flexible labour, firm performance and the Dutch job creation miracle. International Review of Applied Economics, 20(2), 171-187.  

[5] Verreet, E. (2010) Het Duitse Mirakel. Vacature, 13 november 2010.

[6] Van Klaveren, M. et.al. (2009). Retail jobs in the Netherlands: low pay in a context of long-term wage moderation. International Labour Review, 148 (4), 413-438.

[7] Van Klaveren, M. et.al. (2009) Retail jobs in the Netherlands: low pay in a context of long-term wage moderation. International Labour Review, 148 (4), 413-438.

[8] Van Rompuy, P. (2010). Het dalend aandeel van arbeid in het nationaal inkomen: oorzaken en gevolgen. Leuvense Economische Standpunten, 130.Te raadplegen op de website van de KUL.

[9] Waaronder Kleinknecht en zijn collega’s, Naastepad & Storm.

[10] Kapitaalgoederen is een term uit de neoklassieke economische theorie. Het zijn investeringsgoederen die, in combinatie met arbeid, productie  mogelijk maken. Concreet betekent dit machines en ander productiemateriaal.

[11] Naastepad C. W. M., & Kleinknecht, A. (2004). The Dutch productivity slowdown: the culprit at last? Structural Change and Economic Dynamics, 15(2), 137-163. ; Kleinknecht, A., Naastepad, C. & Storm, S. (2006). Nederlandse economie in de fuik van de loonmatiging. Spil, 5(229-230).

[12] Voor meer info over Schumpeter en het begrip ‘creative destruction’, zie: Andersen, E. S., Dahl, M. S., Lundvall, B. \., & Reichstein, T. (2006). Schumpeter’s process of creative destruction and the Scandinavian systems: a tale of two effects. In DRUID conference.

[13] Kleinknecht, A., Naastepad, C., & Storm, S. (2006). Nederlandse economie in de fuik van de loonmatiging. Spil, 5(229-230).

[14] Pironet, E. (2008). Zijn onze loonkosten echt een probleem? Knack, 13 februari 2008, pp. 46-50.

[15] Naastepad, C. W. M., & Kleinknecht, A. (2004). The Dutch productivity slowdown: the culprit at last? Structural Change and Economic Dynamics, 15(2), 137-163.

[16] Van Schaik, A. (2004). Loonmatiging gunstig voor economische groei? Economisch Statistische Berichten, 91 (4498), 534-536.

[17] Ook hier zou het rationeler zijn om te pleiten voor samenwerking tussen staten op vlak van R&D en onderwijs dan om te concurreren. Bovendien moet je opletten dat de concurrentie op vlak van innovatie en onderwijs niet leidt tot (nog meer) vermarkting en andere schadelijke effecten. Zie daarvoor bijvoorbeeld het laatste boek van Riccardo Petrella (Petrella, R. (2010). Een nieuw verhaal van de wereld. Berchem: EPO). Maar als je dan toch móet concurreren in de huidige context, lijkt concurreren met nieuwe technologie (zoals groene technologie) en beter onderwijs voor alle sociale klassen ons minder schadelijk dan concurreren door steeds lagere lonen.

take down
the paywall
steun ons nu!