De community ruimte is een vrije online ruimte (blog) waar vrijwilligers en organisaties hun opinies kunnen publiceren. De standpunten vermeld in deze community reflecteren niet noodzakelijk de redactionele lijn van DeWereldMorgen.be. De verantwoordelijkheid over de inhoud ligt bij de auteur.

Loonkostenvoordeel van 1,5% in België

zaterdag 9 november 2013 13:42
Spread the love

De loonkloof van 5,2% (Onkelinx, CRB) wordt weggewerkt door 6,5 mia € loonsubdsidiering (-4,7%) en 5,2 mia € werkgeversbijdragenvermindering (-2,0%). De loonkloof volgens de werkgevers is evenwel 15,2% (39€/u België tav 34€/u buitenland), 10,0% dateert van voor 1996, waarna de loonkloof niet meer mocht stijgen volgens de wet van 1996. Daar had dan in 1996 of later wat over moeten gezegd/geregeld, maar nu bittere tranen wenen over iets van 17 jaar geleden, ja zeg, komaan. Dat de schapen stoppen met blaten en terug naar de schaapskooi gaan. Al 17 jaar produceert België door de lastenverminderingen aan voordeliger loonkosten dan de buurlanden, zonder dat de situatie vóór 1996 de economie benadeelde, of België in een minder gunstige positie bracht om de crisis te bestrijden.

– Tabel Lastenverminderingen naar aard 1995-2013
Tabel Lastenverminderingen 1995-2011 categorie en sector
– Tabel Lastenverminderingen 2011 naar aard en sector

Voor alle extracties uit tabellen, zieBuG 205.
 

0. Documenten, opinies en commentaar

Wet van 21 juli 1996 op het concurrentievermogen
Expertenrapport juli 2013
Technisch verlag CRB 2012
Bijlage bij het technisch verslag CRB 2012
Commentaar van het VBO
Beschouwing Mark Leemans ACV in De Wereld Morgen
Commentaar De Standaard 18/09/2013
Guido Deckers ACV in DWM van 02/10/2013
Eric Goeman van Attac zegt maar wat
Tuur Vanempten in DWM van 07/11/2013

1. De Expertengroep, mensen die zo een werkstuk afleveren mogen wel eens genoemd worden:

Bevers Tom Hoge Raad voor de Werkgelegenheid
Bogaert Henri Federaal Planbureau
Delhez Philippe Nationale Bank van België
Delporte Jean-Marc SPF FOD Economie
De Mulder Jan Hoge Raad voor de Werkgelegenheid
Denayer Luc Centrale raad voor het Bedrijfsleven
Recktenwald Joachim Eurostat
Swartenbroekx Carine Nationale Bank van België
Tollet Robert Centrale raad voor het Bedrijfsleven
Verschooten Jan Federaal Planbureau
Vermeulen Pieter FOD Economie – ADSEI
Versonnen Annie FOD Economie – ADSEI

2. De synthese, voor wie de exploratie van dit 349 blz tellende expertenrapport rapport er wat teveel aan is.

In het rapport wordt heel wat interessant statistisch materiaal uit de doeken gedaan. Zo ook de lastenverminderingen met groot detail per deelsector, en in tijdsreeksen waarin de jaren geselecteerd zijn waar enige verandering van samenstelling en grootheid is gewijzigd, het is dus (spijtig genoeg) geen volledige tijdsreeks.

2.1. De opdeling van sectoren in “‘voor winst marktdiensten” en “niet-voor winst” marktdiensten, een revolutionair concept

Het is even wennen maar de experten van de Nationale Bank, het Planbureau, de Centrale Raad van het Bedrijfsleven, de ronde Tafel van de Tewerkstelling en het AD SEI (het vroegere NIS),hebben geoordeeld om een aantal subgroepen te moeten/mogen maken van de 916 nacebel2008 sectoren, waarin de al of niet gerichtheid op winst het onderscheidingscriterium is, een unieke en nog nergens anders gezien begrippenapparaat.

1. Verwerkende nijverheid (secundaire sector), aangeduid met VN
2. De “voor winst marktdiensten” (tertiaire sector, met inbegrip van spoor, post en andere meer klassieke overheidsactiviteiten), aangeduid met MDW (MarktDiensten Winst), ook nog vermeld als ‘profit’.
3. De “niet voor winst marktdiensten” (quartaire sector zonder overheid en onderwijs, maar wel met de commerciële bejaardenhomes en commerciële kinderopvang, alsmede persoonlijke dienstverlening zoals kappers en begrafenisondernemers, aangeduid met MDN (MarktDiensten Non-Profit), ook met de vermelding ‘non-profit’.
4. De primaire sector, aangeduid met PS
5. De overheidssector (openbaar bestuur) en onderwijs, aangeduid met NMD (Niet-Marktdiensten)

Verduidelijking van de inhoud van deze activiteitscategoriën 1 tot 3 op blz 46, de afkortingen in tabel 8, blz 98 blz waar ook de juiste verdeling van sectoren terug te vinden is, met aanduiding van de sectieletters. Er wordt ook een subselectie gemaakt de MDI (Marktdiensten Internationaal), een selectie ven ‘profit’ relevant voor de internationale vergelijking. Op deze subonderverdelingen gaan we niet verder in.

2.2. Men kan zich afvragen waar deze opdeling, die niet zo goed in het Nederlands bekt, vandaan komt.

Eerst was er de slogan ‘Hier komt de Non-Profit’, de Walter Cornelis-mobilisaties eind 90ger jaren en 2000, voortgezet in ‘Geen commerce in de Non-Profit’. Het betrof dan de sectoren van de gezondheidszorg, welzijnszorg en cultuur. In het Frans werd dat gelijkgeschakeld met ‘les secteurs non-marchand’, en dat heeft daar een eigen leven beginnen leiden. De experten zijn dan in juli 2013 over akkoord gekomen om niet meer het Engelse non-profit te hanteren, maar deze activiteitsgroep terug vanuit het Frans te vertalen, marchand en non-marchand met het voorvoegsel ‘voor winst’ en ‘niet voor winst’ marktdiensten, en dit maar meteen grosso modo af te lijnen op de tertiaire en quartaire sectoren. Als effect van de mobilisatieslogan Non-Profit (altijd met hoofdletter) kan dat tellen en het is uniek dat een slogan de politieke boodschap tot in de gebruikte begrippen weet te determineren.

Het equivalent in het Frans van deze opdeling van de Belgische economie is (zie blz 18 van het rapport)
1. Industrie manufacturière
2. Services marchand ‘profit’ (met aanhalingstekens)
3. Services marchand ‘non-profit’ (met aanhalingstekens, allicht om aan te geven dat het hier om de Franse en niet om de Engelstalige begrippen gaat, in het Nederlands zijn deze aanhalingstekens niet aanwezig bij het woord ‘winst’).
4 en 5 zijn in de Franstalige tabellen niet aanwezig.
 
2.3. Commercie en winst in de niet voor winst marktdiensten, een achterhoedegevecht?
 
Als je de overheidsinkomsten beperkt, zal dat uitmonden in lagere uitgaven” zo stelt Tuur Vanempten in DWM van 07/11/2013. “Ik zie dat een deel van onze politiek popelt om te snoeien in de sociale zekerheid en de zorg. Kijk naar Open VLD, N-VA, CD&V. Met haar herbronningsoperatie Innesto zet CD&V de deuren wagenwijd open voor ‘de privé’, zelfs in de sociale sector. Ze blijken zelfs bereid NV’s te subsidiëren die actief worden in de zorg.”. Blijkbaar is dit al een achterhoede gevecht, toch wat de zorg betreft, die is al lang gebetonneerd in haar niet voor winst karakter, ondermeer door de Non-Profit vakbonden en zoals de experten geadviseerd hebben aan Di Rupo en de politiek. Maar dagelijkse waakzaamheid is natuurlijk geboden, ook voor losse flodders zoals het voorontwerp Persoonsvolgende Financiering van Vandeurzen.

2.4. De wet van 1996 op het concurrentievermogen betreft een globale beoordeling van de concurrentiepositie
 
Een van de grote kiezels in de schoen van de wet van 1996 is het feit dat de lastenverminderingen globaal dienen afgemeten aan de globale loonkost: “”We merken overigens op dat de wet van 1996 het macro-economisch doel  nastreeft om de werkgelegenheid te bevorderen en het concurrentievermogen  te vrijwaren en als dusdanig betrekking heeft op alle bedrijfstakken samen.” (blz 56 van het Expertenrapport). De discussie over een wijziging van de wet van 1996 gaat in essentie over een doorbreken van deze globale berekening, het uitsluiten van de echte tewerkstellingsbevorderende maatregelen en de fixatie op sectoren die ‘internationaal vergelijkbaar zijn en die exportgericht zijn. Het expertenrapport ondersteunt dit standpunt van de werkgevers en de politiek en levert gedetailleerde berekeningen af die moeten toelaten deze sectoren te detecteren. Daar gaan we hier niet verder op in.
 
Een onderschat element in het doorvoeren van een globale analyse is de tewerkstelling van 165.000 mensen langs dienstencheques en sociale maribel. Hiermee wordt de koopkracht verhoogd, de binnenlandse vraag omhooggestuwd en op die wijze ook de export goedkoper gemaakt. Ook specifieke regio’s en sectorgerichte lastenverminderingen hebben hetzelfde effect, ook al zullen ze zich nog veel te weinig omzetten in (controleerbare) extra tewerkstelling. Het is op dat vlak dat in feite een aanpassing van de wet van 1996 zou dienen te gebeuren, nl het hard maken van lastenverminderingen in extra tewerkstelling, iets dat in de dienstencheques en de sociale maribel wel gerealiseerd wordt, maar het zijn nu juist deze lastenverminderingen waar men van af wil. De schapen blaten maar er wordt weinig wol van gespind.
 
2.5. Omvang van de subsidiëringsgraden in België zijn heel wat hoger dan in de buurlanden(blz 51) – Zie tabel hierboven.

2.6. De impact van de 5,9 mia € loonsubsidering, de goede helft van de 11,0 mia € lastenverminderingen

Om de logica en meteen ook perversiteit van gans de loonkostendiscussie te documenteren, hierbij een uitgebreid uittreksel uit het expertenrapport, dat anders allicht niet zal gelezen worden en dus ook niet zal gekend zijn:

In tegenstelling tot de buurlanden, is de evolutie van de loonsubsidies in België uiterst belangrijk, vooral vanaf 2004. Men moet zich ervan bewust zijn dat de loonsubsidies niet enkel als doel hebben het concurrentievermogen te vrijwaren, maar tevens de non-profitsector te ondersteunen (de sociale maribel, nvdr) en werkgelegenheid te creëren in de buurtdiensten (de dienstencheques, nvdr). Aangezien zowel de subsidies als de daaruit voortvloeiende jobcreatie belangrijk zijn voor die sectoren, verdient de impact van die maatregelen op de evolutie van de arbeidskosten in België bijzondere aandacht.

Het opnemen van de loonsubsidies en andere gelijkaardige maatregelen in de berekening van de arbeidskosten per uur van het Technisch verslag moet overwogen worden in de context van de wet van 1996. Die laatste heeft een macro-economische werking, aangezien hij een ijkpunt instelt voor de collectieve onderhandeling op het niveau van de paritaire comités en de ondernemingen binnen de beschikbare marge voor loonevolutie.

De verschillende beleidsmaatregelen ter ondersteuning van de werkgelegenheid (vermindering van de werkgeversbijdragen of loonsubsidies) zijn gericht op doelgroepen (hoog-/laaggeschoolden, langdurig werklozen, werkzoekenden…) of modaliteiten voor werkorganisatie (overuren, nacht- en ploegenarbeid) die de bedrijfstakken de facto op verschillende manieren beïnvloeden. In het kader van de macro-economische werking van de wet van 1996 is het de evolutie van de verhouding tussen het totaal bedrag dat wordt besteed aan die maatregelen en de loonmassa, d.w.z. de evolutie van de verminderingsvoet van de macro-economische arbeidskosten, die zal inwerken op de evolutie van het arbeidskostenverschil.

Door het arbeidskostenverschil te verminderen, vergroten die beleidsmaatregelen inzake werkgelegenheid tevens de beschikbare marge, aangezien die laatste afhangt van enerzijds de verwachte evolutie van de arbeidskosten per uur in de referentielanden en anderzijds het arbeidskostenverschil uit het verleden. Wanneer de verminderingsvoet van de arbeidskosten zeer sterk verschilt tussen de paritaire comités onderling, verliest het door de wet bepaalde macro-economische ijkpunt aan relevantie. Voor de paritaire comités die het minst baat hebben bij de loonsubsidiemaatregelen, laat het voor de gehele privésector vastgelegde ijkpunt immers een te snelle groei van de lonen toe, met een te sterke stijging van de arbeidskosten als gevolg. In dat opzicht heeft de expertengroep beslist om het effect daarvan op het arbeidskostenverschil te tonen op basis van verschillende varianten wat betreft de perimeter van de in aanmerking te nemen loonsubsidies.

De arbeidskostenverschillen geraamd in dit rapport werden berekend door verschillende simulaties voor de evolutie van de arbeidskosten per uur na verrekening van de loonsubsidies in België en de buurlanden te combineren. De parameters van die verschillende simulaties verschillen vooral op basis van de opties betreffende de perimeter van de weerhouden loonsubsidies. De arbeidskostenverschillen die voortvloeien uit de combinatie van de verschillende simulaties worden voorgesteld in tabel 8. “

2.7. Enkel de loonsubsidie zorgt al voor een reductie met 4,05% van het loonkostenverschil van 4,60% tot 0,55%

In tabel 8 blz 55 wordt als eerste scenario het loonkostenverschil berekend wanneer geen loonsubsidiering in rekening gebracht wordt: “Een eerste optie bestaat in het behoud van het arbeidskostenverschil zoals momenteel berekend in het Technisch verslag, dus zonder de loonsubsidies in mindering te brengen voor België en de drie buurlanden. Deze optie … leidt tot het arbeidskostenverschil in 2011 zoals gepubliceerd in het Technisch verslag van de CRB van 2012 (over het jaar 2011, nvdr), m.n. 4,6 procent sinds 1996. Merk op dat dit verschil voor het jaar 2012 in het Technisch verslag 2012 geraamd werd op 5,1 procent.” (blz 53), en Minister Onkelinx spreekt over 5,3% in 2013.

Het tweede scenario brengt de loonsubsidiering, nl. 5,9 mia € in rekening (zie tabel 7, blz 50) : “Een tweede optie bestaat erin de uurloonkosten van België en de drie buurlanden te corrigeren voor alle geïdentificeerde loonsubsidies. …. Binnen deze optie … bedraagt het arbeidskostenverschil in 2011 0,55 procent. (blz 53)

De dienstencheques en de Sociale Maribel spelen voor 1,2% mee om dit verschil te reduceren: “We kunnen dus vaststellen dat alleen reeds de creatie van lagergeschoolde jobs binnen de geneutraliseerde maatregelen het arbeidskostenverschil verlaagt met 1,2 procent in 2010.” Dit maar ten informatie, deze en andere scenario’s hollen de vergelijkingsbasis uit en zijn een argument om de wetgeving te veranderen in het voordeel van de ondernemingen, en daarmee verwijdert men zich alsmaar verder van de globale loonkloof en de tewerkstellingseffecten, de fundamentele referentiepunten van de wet van 1996.

2.8. En wat is de impact van de 5,1 mia € andere lastenvermindering op de ‘loonkloof’?

De Belgische loonsubsidie van 5,9 mia € is dus goed om 4,60% – 0,55% = 4,05% (2011) loonkostenverschil met Frankrijk, Nederland en Duitsland af te dekken.

Vraag is evenwel hoe de andere lastenverminderingen, 5,1 mia € langs de werkgeversbijdragenverminderingen verrekend zijn of worden en in welke mate zij de loonkloof verder dichten of in feite voor een loonkostenvoordeel van België zorgen. Alles hangt er dan van af of in de buurlanden een gelijkaardige vermindering van sociale bijdragen terug te vinden is, en dat is weinig waarschijnlijk of toch slechts in beperkte mate. Zelfs als de impact maar de helft is van deze zoals vastgesteld bij de loonsubsidiëring zou België nog eens 2% lagere loonkosten hebben als gevolg van de werkgeversbijdragenverminderingen, dan de buurlanden. De twee samen, 5,9 mia € loonsubsidiering en 5,1 mia € werkgeversbijdragenverminderingen zorgen dan samen voor een loonkostvoordeel van 1,5% in België tav de buurlanden, berekend vanaf 1996, jaar waarin de wet is tot stand gekomen. en als geen vergelijkbare inspanning bij de buurlanden wordt gedetecteerd dan kan het loonkostvoordeel 3,5% bedragen.

En wat doe je dan met de 10% loonkloof die in 1996 al bestond, moeten wij die op onze buik schrijven vragen de werkgevers. De Belgische economie heeft zich meer dan door de wet van 1996 bedoeld was geconformeerd en is standvastig gebleken, ondermeer zoals uit de wijze waarop België de crisis doorstaat blijkt. Maar dat is in feite oude koeien uit de gracht halen, en de schapen blijven blaten, terwijl er langs het surplus op de wet van 1996 al aan die vermeende achterstand van 10% geknaagd wordt.

Tijd nu om de lastenverminderingen verder in detail bekijken en te zien welke maatregelen en sectoren hierin de sterktste ‘afnemers’ zijn met onderscheid tussen loonsubsidiëring en werkgeversbijdragenverminderingen, en dit tot op het kleinste detail van de sector en de diverse maatregelen.
 
3. Lastenverminderingen cash doorgerekend in de Belgische economie van 1996 tot 2013 – Tabel
Lastenverminderingen naar aard 1995-2013
 
In de expertencommissie wordt een beeld opgehangen van de lastenverminderingen tot 2011. In het jongste rapport van de CRB worden ook de gegevens voor 2012 vermeld en 2 maatregelen zijn ook al voor 2013 gekend, nl. de groei van de dienstencheques en de structurele lastenverlaging voor de ‘profit’sectoren, ze worden ook in het overzicht verwerkt. Door %ges om te zetten in absolute getallen wordt ook het beeld gegeven van de loonkosten om een beter zicht te krijgen op het relatieve belang van elke maatregelen tav het geheel van de uitgaven. Als bron voor onderstaande tabel geldt het rapport van de CRB, voor alle andere tabellen de Expertencommissie.

In 2013 zullen in totaal 11,7 mia € aan lastenverminderingen zijn toegekend aan de Belgische private werkgevers. Voor 6,5 mia betreft het ‘loonsubsidies’ die zorgen voor een dichten van de loonkloof van om en bij de 5,2%, zoals Minister Onkelinx recent nog meldde, met ongeveer 4,6% zodat er uiteindelijk, op basis van de 6,5 mia € loonsubsidies nog een loonkloof van 0,5% overblijft. De 5,2 mia € werkgeversbijdragenvermindering in 2013 dicht niet alleen dit kloofje maar geeft aan België een concurrentiëel voordeel. Als deze werkgeversbijdragenverminderingen maar de helft van het effect hebben als dit van de loonsubsidies zou het loonvoordeel tav de drie omliggende landen 1,5% bedragen, en zou er in feite geen sprake meer zijn, in de globale analyse zoals bedoeld door de wet van 1996 van een loonkostenhandicap maar van een loonkostenvoordeel voor België.

4. Evolutie loonkost en lastenverminderingen naar de diverse sectoren 1995-2011 – Tabel Lastenverminderingen 1995-2011 categorie en sector

In een uniek samenvattend overzicht wordt de loonkost, de lastenverminderingen onderscheiden naar loonsubsidiering en werkgeversbijdragenverminderingen en in een tijdsperspectief gesteld van 1995 tot 2011, zowel in aantal als % op de loonlast, % verdeeld over de sectoren, en % verdeeld over de lastenverminderingen, zie de unieke samenvattende tabel:

4.1. Loonkosten

4.2. Lastenverminderingen

4.3. % lastenverminderingen op loonkost

Landbouw is de hoofdsector met het meeste lastenverminderingen, 9,0% van de loonkost, alhoewel zij de Administratieve en logistiek ondersteuning (door de reiniging gebouwen=dienstencheques) met 19,6% en de Welzijnszorg met 10,8% (Sociale Maribel én dienstencheques) als deelsector moeten laten voorgaan. De verwerkende nijverheid zit met 6,9% lastenvermindering tav hun loonkost boven het gemiddelde van 5,7%, maar dat is vooral het gevolg van het feit dat de Overheid en Onderwijs maar 1,1% lastenvermindering op hun loonkost krijgen. In feite ligt de loonkostvermindering, overheid en onderwijs niet meegerekend boven de 7% van de globale loonkost in de verwerkende, de voor winst en de niet voor winst marktdiensten samen.

In de tabel wordt verder nog een berekening gemaakt van de verdeling van de loonkost en lastenverminderingen over de verschillende sectoren, maar daar gaan we hier niet op in.

5. Aard van de lastenverminderingen voor de diverse sectoren 2011 – Tabel Lastenverminderingen 2011 naar aard en sector  

Op basis van de gedetailleerde tabellen in het Expertenrapport kan een zeer gedetailleerd beeld gegeven worden van elke maatregel van lastenvermindering voor elk van de gespecificeerde sectoren in 2011, en dit zowel in aantallen als in % tav de loonkost, % binnen de sector per maatregel en tussen de sectoren als % op het totaal. Het betreft een uitplooibare tabel waarvan hieronder het beginbeeld wordt weergegeven; Langs de +jes links en bovenaan kan elk gewenst detail zichtbaar gemaakt

5.1. Lastenvermindering volgens de grote opdelingen per sector  2011

Naast de Bijdrageverminderingen voor Sociale Zekerheid zijn er volgende grote categorieën Loonsubsidiering::

– Via de Sociale Zekerheid
– Via de Bedrijfsvoorheffing
– Via Gewesten en Gemeenschappen
  
5.2. Detail lastenvermindering langs loonsubsidiering via de Sociale Zekerheid

– Activeringen
– Dienstencheques
– Sociale Maribel via gepoolde bijdragen
– Gesco’s ziekenhuizen
– Sociale Maribel via gepoolde bedrijfsvoorheffing
– Jongerenbonus non-profit
 
5.3. Detail lastenvermindering langs loonsubsidiering via de bedrijfsvoorheffing

– Algemeen via bedrijfsvoorheffing
– Nacht- en ploegenarbeid
– Overuren
– Onderzoekers ondernemingen
– Specifieke
– Onderzoekers universiteiten

5.4. Detail lastenvermindering langs Werkgeversbijdragevermindering
 

– Algemeen forfait hoge en lage lonen
– Langdurig werklozen en risicogroepen
– Arbeidsduur
– Jongerenbonus en andere doelgroepen
– Ouderenbonus
– Eerste aanwervingen
– Jongeren excl.
– Rest
 
6. Lastenvermindering in % van de loonkost, van de sector of per lastenvermindering – Tabel Lastenverminderingen 2011 naar aard en sector

Het is onmogelijk om in dit bestek voor alle sectoren en lastenverminderingen het % van de loonkost in tabellen te publiceren, evenmin  als % per sector of per lastenvermindering. Daarvoor kan men op een gemakkelijke wijze de openplooitabel raadplegen. Toch nog  het % lastenverminderingen voor de deelmaatregelen weergeven en dit per sector op het totaal van de lastenverminderingen

6.1. Lastenvermindering naar soort en % per deelsector

6.2. Lastenvermindering langs sociale zekerheid % per sector
 

Detail van het aandeel van elke deelsector in de maatregelen die via de sociale zekerheid als loonsubsidie worden gegeven.

Merk dat 71,4% van de lastenvermindering ten behoeve van de dienstencheques behoren tot de voor winst marktdiensten (met inbegrip van de sociale werkplaatsen die zich als ‘commerciële’ coöperaties hebben laten erkennen) en 27,8% bij de niet-voor winst marktdiensten, een interessante opdeling om te begrijpen dat de commercie langs de dienstencheques zich ook aan de ‘overheidsbetoelaging’ konden te goed doen. Het is een paard van Troje dat de werkgevers behoudender zal maken om de dienstencheques maar meteen uit de lastenverminderingen te lichten, alhoewel. Hoe zal elke van de gewesten ermee omgaan eens ze deze sleutel op (commerciële) tewerkstelling in handen hebben?

6.3. Unieke samenvattende tabel

In de tabel Lastenverminderingen 2011 naar aard en sector worden dus in aantallen en %ges en voor elke deelmaatregel de gegevens toegankelijk gemaakt. In feite worden zo een tiental tabellen uit het rapport samengebracht. Elk van deze maatregelen in elke sector draagt bij voor het globale pakket lastenvermindering dat in 2013 bijna 12 mia € bedraagt. Het zorgt voor een uitstekende positie van België in vergelijking met de drie omliggende landen Frankrijk, Duitsland en Nederland. Met dank voor de beschikbaar gestelde cijfers door de Expertencommisie en de CRB, en moesten alle cijfers niet goed begrepen zijn, graag een aanvulling of correctie.

6.4. Eric Goeman krijgt het laatste woord

En misschien kan Eric Goeman van Attac, zoals blijkt uit z’n artikel in DWM van 07/11/2013, deze cijfers en de rapporten eens bestuderen voor hij zich kritiekloos neerlegt bij de zogezegd niet meer voor discussie vatbare aanname dat de Belgische concurrentiepositie is verzwakt door hogere loonkosten. Maar zoals we nu weten is de loonkost in de Belgische economie, door het globale pakket lastenverminderingen, wezenlijk verminderd en ligt ze 1,5% tot 3,5%  lager dan in de drie omliggende landen. Dat is pas goed nieuws voor de ministers, de vakbonden én de werkgevers (en voor Goeman), die na de verkiezingen van 2014 dus opnieuw met relance en serieuze maatregelen kunnen bezig zijn. En misschien de budgettaire ruimte vinden om het elektriciteitsproject van de PVDA met een vermindering van de factuur met 6% BTW door te voeren.

Jan Hertogen, socioloog
 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!