De community ruimte is een vrije online ruimte (blog) waar vrijwilligers en organisaties hun opinies kunnen publiceren. De standpunten vermeld in deze community reflecteren niet noodzakelijk de redactionele lijn van DeWereldMorgen.be. De verantwoordelijkheid over de inhoud ligt bij de auteur.

Links geweld (6): Hegels visie op de Terreur als existentieel probleem

Links geweld (6): Hegels visie op de Terreur als existentieel probleem

donderdag 23 december 2021 19:37
Spread the love

Kant introduceerde het concept Fortschritt in het intellectuele lexicon van de late Verlichting, volgens Koselleck. In het vorige deel bespraken we kort Kants opvattingen over revolutie, geschiedenis en geweld. We wezen op de rol van de natuur in Kant om de mensheid te leiden tot een moreel bestel. De verwezenlijking van moraliteit werkt in de geschiedenis op het hoogste niveau, en uiteindelijk zal dit leiden tot een Volkerenbond, een federale alliantie tussen republieke staten die de vrede zullen bewaken en bewaren. Met Kant kregen we een vooruitgangsgeloof voorgeschoteld die de Franse Revolutie als evenement kon bejubelen als vooruitgang in de morele basis en politieke ordening van de mensheid. Individuele daden van geweld kunnen beoordeeld worden als moreel nefast, maar een revolutie die een burgerlijk-republikeins staatsbestel kan installeren verdient alle lof, in de optiek van Kant. In dit deel zullen we ingaan op Duitstalig filosoof Georg Wilhelm Friedrich Hegel (1770-1831) zijn interpretatie van de Franse Revolutie en de Terreur. Hiervoor wenden we ons in de eerste plaats tot zijn behandeling in de Fenomenologie van de Geest (1807). Deze vragen staan voorop: wat vertelt Hegel ons over de Terreur en de Franse Revolutie? Hoe situeert dit zich in relatie tot het koppel ervaringsruimte/verwachtingshorizon? Welke rol speelt geweld in ‘de geschiedenis’ volgens Hegel?

 

In de Franse Revolutie kwamen alternatieve concepties hoe de samenleving in te delen naar voren. Uiteenlopende overtuigingen zorgden voor verscheidene facties. Zoals we zagen ontwikkelde zich een dynamiek van oplopend geweld. Parijs had buitenlandse vijanden, maar ook binnenlandse rebellen, zoals in de Vendée. Het Revolutionaire Tribunaal was één van de belangrijkste veroorzakers van dood door executie in deze periode. Wat gebeurde hier volgens Hegel? Hegel spreekt over de Franse Revolutie als de “werkelijke omwenteling van de werkelijkheid” die volgt op de innerlijke omwenteling. [1] De Franse Revolutie masseerde een nieuwe bewustzijnsgestalte, dewelke Hegel ‘absolute vrijheid’ noemt. In de periode van de Verlichting centreerde het bewustzijn zich rond ‘nut’ of nuttigheid. Nuttigheid werd het doel voor het bewustzijn (hoe nuttig is x of y? Hoe maak je jezelf nuttig?). De bewustzijnsvorm van de Verlichting zag al het bestaan en alle geldigheid van geledingen van organisatie in de werkelijke wereld en de wereld waarin geloofd wordt (‘ideologisch’) worden teruggebracht naar dit nut. In een eerdere fase van Hegels fenomenologie bleek dat het zelf, het eigen bewustzijn, zichzelf pas erkent via de ander. Met de Verlichting definiëren we elkaar dan op basis van het nut van elk. Hegel situeert zijn analyse van de Terreur in de beweging van een bewustzijn als verlangend subject naar een willend subject, van de focus op ‘nuttigheid’ naar een focus op ‘wilsvrijheid’. Het individuele bewustzijn ziet af van haar bepaalde of particuliere, belangen, en richt zich op het algemene. Ze begrijpt zichzelf als het algemene subject.

 

Eens ‘ik’ mijzelf als individu begrijp als algemeen op deze wijze, aanvaard ik niet langer de structurering van de samenleving volgens standen, klassen, geledingen zoals ze bestaan. Het zelfbewustzijn bevindt zich in de kern, het wezen van samenlevingssferen en -domeinen, standen en facties. Elk van die “massa’s” pretendeert algemeenheid te hebben, en presenteert zichzelf tegenover elk lid als essentieel en centraal. Ik ben boer, dat is mijn stiel, en als boer sta ik op deze rang van de maatschappelijke orde. Ik ben edelman, dat is mijn lot, en als edele sta ik op deze rang van de sociale orde. Eens ik me als algemeen onderwerp begrijp, aanvaard ik die bepaaldheid, die particulariteit, niet langer. Metafysisch gesproken: als absolute vrijheid is de geest “het zelfbewustzijn dat voor zichzelf vat dat zijn zekerheid van zichzelf het wezen van alle geestelijke massa’s van zowel de reële als de bovenzinnelijke wereld is”. [2]

 

In Hegels lezing is dit algemene subject niet bereidt tot bepaaldheid, tot particularisering: “Het doen en Zijn van de persoonlijkheid zouden zich daardoor echter beperkt zien tot een tak van het geheel […] zou die persoonlijkheid de betekenis krijgen van een bepaalde persoonlijkheid; ze zou ophouden in waarheid algemeen zelfbewustzijn te zijn.” [3] Hegel spreekt over de wil als de faculteit van productieve keuze en handelen; de wil drukt onze persoonlijkheid uit en cultiveert ze ook, en hiermee anderen, en daarmee de samenleving. Zo kom je tot de algemene wil. De algemene wil troebleert de ordening van de samenleving in haar status quo geledingen. Individuele bewustzijnen beginnen in te zien, door deel uit te maken van de algemene wil, dat de “geestelijke massa’s” verouderde, ideologische, particuliere belangen voorhouden. Wanneer individuen de vraag opwerpen waarom x of y nut, efficiëntie en dus bestaansreden heeft, stort – met de juiste sociale omstandigheden – dit complex van geestelijke massa’s ineen. Al de zaken waar we ons mee kunnen oriënteren als betekenisgeving, ons leven naar inrichten, al deze bepalingen gaan verloren met het verliest dat het Zelf in de absolute vrijheid ervaart: “Geen enkel positief werk of daad kan dus de algemene vrijheid voortbrengen; haar blijft alleen het negatieve doen; ze is slechts de furie van het verdwijnen.” [4] ‘Ik’, het bewustzijn dat zichzelf als algemeen onderwerp begrijpt, verlies zo respect voor de individualiteit van anderen; ze leiden betekenisloze levens: “Het enige werk en de enige daad van de algemene vrijheid is derhalve de dood […] de koudste, platste dood, met niet meer betekenis dan het in tweeën hakken van een kool”. [5]

 

Enkel de algemene wil is algemeen. Probleem: als ik me identificeer met de algemene wil, ben ik de algemene wil. De individuele willen die zich in het algemene wil geweten hebben kunnen zich niet langer binden via vertegenwoordiging, representatie. Hoe zijn individuele willen als individuele willen met elkaar te verzoenen in een gecoördineerde gemeenschap, in iets met een algemene wil? “Opdat het algemene tot een daad komt, moet het zich in het Ene van de individualiteit samenballen en een enkel zelfbewustzijn aan het hoofd stellen, want de algemene wil is alleen in een Zelf dat één is een werkelijke wil.” [6] De leidende regering wilt en volbrengt tegelijk een bepaalde orde en handeling: zo sluit ze overige individuen uit van haar daad. Anderzijds constitueert ze zich daardoor als een regering die een bepaalde wil is, tegengesteld aan de algemene wil: ze is een factie. Enkel de zegevierende factie heet regering. Juist omdat ze factie is, is ze schuldig: legitimiteit blijkt nooit afgehandeld, nooit volledig. De anderen, die nu spreken voor de algemene wil, hebben niet de regeringsmacht: ze zijn verraders voor de regering. ‘Verdacht worden’ wordt ‘schuldig zijn’. Nietigheid doorweeft het sociale weefsel als verdachtmaking en dood: “de negatie van het Zelf is de betekenisloze dood, de zuivere verschrikking van het negatieve”. [7] Uit vrees voor de dood, “hun absolute heer”, hebben de individuele bewustzijnen geleerd te accepteren de specifieke, bepaalde rollen aan te nemen die de staat van hen verlangt. Ze “laten zich deze negatie en de onderscheiden weer welgevallen, voegen zich in de massa’s, en keren terug naar een gedeeld en beperkt werk, maar juist daardoor naar hun substantiële werkelijkheid.” [8]

 

De transitie van bewustzijnsgestalte kent telkens een negatief moment van kritiek, een tegenstellen waarna de terugkeer verrijkend werkt. Metafysisch gesproken wordt absolute vrijheid in het moordende “werk” van de regering en individuen in de Terreur een voorwerp voor zichzelf. Absolute vrijheid ontwikkelt zich tot de algemene wil die de vorm aanneemt van een enkele wil. Het zelfbewustzijn ervaart wat absolute vrijheid betekent. De absolute vrijheid heeft de negatie, daarmee ook onderscheid, in zich. Dit ontwikkelt tot werkelijk onderscheid. Met de Revolutie werden de geledingen van de samenleving ondergebracht onder de algemene wil. Na de revolutie moeten de geledingen opnieuw ingesteld worden: iemand moet zaaien voor graanoogst, iemand de manden weven, … De spreker van de algemene wil vertelt de individuele bewustzijnen wat ze moeten doen. Deze laatsten met vrees voor de dood ervaren te hebben, laten zich terugvoeren naar de geledingen, de “geestelijke massa’s”. Het bewustzijn als absolute vrijheid verzekert mijzelf als individueel bewustzijn evenzeer het centrum te zijn van het morele universum als degene naast of boven mij. Door te participeren in deze cultuur wordt het bewustzijn op een hoger plateau getild – “die wil niet als de revolutionaire regering of als de anarchie”, noch middelpunt van facties, maar “de algemene wil” als “het zuivere weten en willen”. Het bewustzijn van vrijheid onder de Franse Revolutie neemt nu de gestalte van de “morele geest” aan. [9]

 

Hegel plaatste de Terreur en de Franse Revolutie in zijn verhaal over de ontwikkeling van de geest, het menselijk bewustzijn. Een diep en ernstig probleem stelt zich met de totstandkoming van de gestalte van de geest in de Franse Revolutie. “Absolute vrijheid” betekent voor mijn individueel bewustzijn dat de ervaringsruimte die me generationeel een plek geeft in de sociale geledingen haar geldigheid verliest. Ik richt me tot het algemene, en mijn verwachtingen van wie ik kan zijn, zijn niet langer gebonden door die ervaringsruimte. Voor Hegel stelde het probleem zich alsvolgt: eens het moderne individu tot het inzicht komt dat zij de macht heeft zichzelf algemeenheid te geven, alle particulariteit uit te wissen, hoe kan vervreemding van alle samenlevingsstructuren – sociale rollen, beslissingsprocedures e.d.m. – voorkomen of genezen worden? Voor Hegel is vrijheid ‘positief’ in plaats van ‘negatief’: vrijheid staat het subject toe om te leven in de samenlevingsstructuren door haar eigen plek erin te vinden.

 

Gedragen wij ons volgens principes met het doel vrijheid te verwezenlijken? Neen, zegt Hegel. Historische actoren ageren volgens hun passies en eigenbelang meer dan volgens morele principes – wat we ook al zagen bij Kant. De rede (de “natuur” bij Kant) gebruikt onze zelfzuchtigheid om haar doelen te verwezenlijken. Achter onze rug vindt het doeleinde van het verloop van de geschiedenis plaats.

 

Voor Hegel was geschiedenis een rationeel proces, conformerend aan wetten, en verloopt ze naar de noodzaak van het begrip. [10] Voor Hegel waren deze wetten teleologisch: ze zijn voor hun doeleinde. Het doel, bij Hegel, is de essentie van het ding. Het is wat moet verklaard worden, maar pas verwezenlijkt wordt door de activiteit van bepaalde actoren. Hegel contrasteerde zijn begrip van vooruitgang met het typische 18e-eeuws Verlichtingsidee, volgens dewelke geschiedenis bestaat uit graduele verbetering. Hegel merkt op dat conflict en strijd in zo’n opvatting worden uitgesloten van de ontwikkeling van spiritualiteit, of de verwording van de zelfbewust geest. Net als bij Kant wordt geweld in Hegels schema ingebracht, nu als noodzakelijk moment ten tijden van verschil, innerlijke deling en zelfvervreemding van de geest, zoals Beiser aanstipt. Hegel hield vast aan een opvatting van cultuur als organisme, onderworpen aan de ontwikkeling van de natuur. Net als een organisme, is historische ontwikkeling dialectisch: het beweegt van een rudimentaire eenheid naar onderscheiding tot re-integratie (eenheid-in-verschil). Geschiedenis gedraagt zich, schreef Hegel, volgens de wetten van de geest. Anders gezegd, vooruitgang in de geschiedenis heeft betrekking op de ontwikkeling van geest tot zelfbewuste geest, tot vrijheid – maar als de geschiedenis verloopt volgens (organische) wetten, hebben wij als historische actoren wel keuzevrijheid? Zijn wij überhaupt historische actoren?

 

Het doel of de betekenis van het leven komt uit het vervullen van mijn plaats in de ‘goddelijke orde’, nu begrepen als een immanente orde. Een mens, hoewel die een “oneindig waardige” innerlijke bron van morele waarden bezit, is niet bij machte haar leven – buiten diens gedragenheid in de geschiedenis – betekenis te geven, de waarden te vormen waarmee zij leeft (in contrast met Nietzsche later die eeuw zou beklemtonen). Neen, die waarden, zedelijkheid, verwezenlijken zich pas in de grotere gehelen: samenleving, staat en geschiedenis. Het doel van het leven ligt besloten in een specifieke vorm van leven op aarde: z’n politieke vorm. Net als bij Kant is dat de staat, hoewel de latere Hegel eerder monarchie boven republiek verkoos. De individuele (historische) actor moet haar levensbetekenis vinden door zich te verzoenen met het geheel waarin ze zich bevindt. Niettemin was Hegel geen totalitair denker (daar komen we later nog op terug): ondanks zijn romantische blik op het klassieke Athene eerde Hegel de burgerlijke rechten en vrijheden – zo pleitte hij voor gelijke burgerrechten voor Joden – die met de klassieke grote politieke revoluties eind 18e eeuw voor het eerst in grondwetten werden verankerd.

 

Met deze behandeling van de Franse Revolutie via Burke, Kant en Hegel binnen het bestek van ‘links geweld’, bewegen we ons in de komende delen naar de kwestie van geweld bij Karl Marx.

 

De Coene Pieter, Gent

 

Noten:

[1] Georg Wilhelm Friedrich Hegel, Fenomenologie van de Geest (Amsterdam: Boom, 2013): p. 357.

[2] Hegel, Fenomenologie van de Geest, p. 358.

[3] Hegel, Fenomenologie van de Geest, p. 360.

[4] Hegel, Fenomenologie van de Geest, p. 360.

[5] Hegel, Fenomenologie van de Geest, p. 361.

[6] Hegel, Fenomenologie van de Geest, p. 360.

[7] Hegel, Fenomenologie van de Geest, p. 363.

[8] Hegel, Fenomenologie van de Geest, p. 362.

[9] Hegel, Fenomenologie van de Geest, p. 364.

[10] G.W.F. Hegel, Vorlesungen über die Philosophie der Geschichte, Berlijn: Suhrkamp, 2020. Deze verdere bespreking over het lot en betekenis te leven haalt z’n mosterd bij Frederick C. Beiser, Hegel, New York: Routledge, 2005.

 

 

 

Creative Commons

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!