De community ruimte is een vrije online ruimte (blog) waar vrijwilligers en organisaties hun opinies kunnen publiceren. De standpunten vermeld in deze community reflecteren niet noodzakelijk de redactionele lijn van DeWereldMorgen.be. De verantwoordelijkheid over de inhoud ligt bij de auteur.

Links geweld (4): Edmund Burkes conservatieve respons op de Franse Revolutie

Links geweld (4): Edmund Burkes conservatieve respons op de Franse Revolutie

zaterdag 18 december 2021 10:49
Spread the love

In dit deel en de volgende delen gaan we in op de respons op de Franse Revolutie en de linkse Terreur van drie denkers: Edmund Burke, Immanuel Kant, en Georg Wilhelm Friedrich Hegel. We vangen aan met Burke.

Iers politicus en denker Edmund Burke richtte zich in zijn 1790 Reflecties op de Franse Revolutie zoals die zich tot dan ontwikkeld had. We gaan aan de hand van enkele citaten dieper in op bovengeschetst werk, met de volgende vragen: hoe vormde Burke een eigen samenhang tussen ervaringsruimte en verwachtingshorizon? En hoe stond hij tegenover het geweld van de Franse revolutionairen tot op moment van schrijven?

Kort samengevat was de publicatie een pleidooi tegen de Franse Revolutie en haar Verlichtingsgeloof in de maakbaarheid van de samenleving, in het voordeel van een christelijk staatsbestel dat de belangen van de gentlemen en de clerus behartigde. Burke verdedigde wel de 17e eeuwse Glorious Revolution omdat deze traditionele vrijheden zou hersteld hebben. Met zijn Reflecties bracht Burke de intellectuele armatuur voor het moderne conservatisme.

Burke trok expliciet een zeer lange lijn van een traditie, die deugd en eerbied verschafte aan contemporaine Britten: “We hebben (naar mijn begrip) de vrijgevigheid en de waardigheid van het denken van de veertiende eeuw niet verloren; noch hebben we ons tot nu toe de subtiliteit van wilden toegeëigend. Wij zijn niet de bekeerlingen van Rousseau; wij zijn niet de discipelen van Voltaire; Helvetius heeft bij ons geen vooruitgang geboekt. Atheïsten zijn niet onze predikers; gekken zijn niet onze wetgevers.” [1] Voor Burke waren de Europese gewoontes en beschaving “eeuwenlang” gestut op de geest van de gentleman en van religie. [2] De ervaring leerde, schreef Burke, dat “onze vrijheden” – die van de gentlemen – enkel verzekerd konden worden als “ons erfelijk recht” door een “erfelijke kroon”. [3] De Magna Carta van 1215 was het fundament voor een reeks rechten die door de Glorious Revolution (1688-89) herwonnen en verzekerd waren. De rechten die golden voor gentlemen waren het recht eigen regeerders te kiezen, ze te bestraffen voor wangedrag, en zelf een overheid in te kaderen: “De Revolutie werd gemaakt om onze oude, onweerlegbare wetten en vrijheden, en dat oude staatsbestel dat onze enige garantie voor recht en vrijheid is”. [4]

In contrast met de legitieme Glorious Revolution was de Franse Revolutie een bastaardkind. De Franse Assemblée nationale was gebaseerd op “barbaarse filosofie” ontsproten uit “koude harten en troebel begrip”, even verstoken van solide wijsheid als van alle smaak en elegantie, worden wetten enkel ondersteund door hun eigen “terreur”. De Assemblee was een pover bedacht orgaan, “hun vrijheid [liberty] is niet liberaal. Hun wetenschap is overmoedige onwetendheid. Hun menselijkheid is wild en brutaal.” [5] Het Assemblee was onderhevig aan de oproer van de clubs en cafés met hun lage moeurs, waardoor ze beleid erdoor jaagden zonder deliberatie. Deze rol van clubs en (clandestiene) bijeenkomsten in en met het werk van Burke wordt dus nog eens bevestigd, in lijn met de besproken these van Margaret Jacob over de Radicale Verlichting. [6] De Nationale Assemblee was een perversie van wetgevende organen, met een negatieve macht – om te vernietigen en te ondermijnen – maar geen constructieve macht. Burke beklaagde de revolutionairen hun confiscatie van land en goederen van de Kerk en van heren, en de “atheïstische” (een scheldwoord voor Burke) aanval op de clerus en op religie als charlatans en schadelijk bijgeloof. Voor hem was religie de basis van de civiele samenleving. [7]

Burke viel de Franse revolutionairen hun beroep op natuurrecht aan: “Overheid wordt niet gemaakt op grond van natuurlijke rechten die er totaal los van kunnen bestaan, en dit ook doen; en veel duidelijker en in veel hogere mate van abstracte perfectie bestaan: maar hun abstracte perfectie is hun praktisch gebrek.” En nog: “de primitieve rechten des mensen ondergaan zo’n waaier aan versplintering dat het absurd wordt erover te spreken alsof ze in de eenvoud van hun oorspronkelijke richting blijven gaan. De “aard van de mens is ingewikkeld”, en dus ook het rechtsstelsel dat voor mensen gebouwd moet worden. [8]

Het geweld dat zich in 1789 voltrokken had kondigde voor Burke een angstvallige tijd aan, en hij trachtte in zijn publicatie gericht aan een Britse voorstander van de Franse en Amerikaanse revoluties duidelijk te maken hoe funest de situatie dat het fundament van de samenleving werd weggeveegd door de revolutionairen was voor Europa. Het geweld van 1789 was niet goed te praten, zowel de aanslag op de koninklijke familie, de confiscatie van eigendom als het gewoel van de straat. Laatstgenoemde hield Burke al verantwoordelijk voor ontsporingen in geweldpleging tijdens de Revolutie – voor we spreken van de druk van de sans-culottes tijdens de Terreur. Zij die “de glorie” bezitten “de moordenaars te zijn in de achttiende [eeuw]”, de atheïstische “fanatici” die land en goed van de Kerk ontvreemdden, de aanval op de edelmannen: voor Burke was dit de grofste schending van zedelijkheid en moraal.

Het Assemblee, opgemaakt door brute geesten, kon enkel afschaffing en vernietiging voortbrengen als hervormingsbeleid. “Woede en razernij kan meer naar beneden halen in een half uur, dan voorzichtigheid, deliberatie en vooruitziendheid kan opbouwen in honderd jaar.” [9] Dit was een van de belangrijkste boodschappen van Burke: een gestaag opgebouwde ervaringsruimte dempte de verwachtingen zoals de Franse revolutionairen ze als vanuit het niets aan het optrekken waren. Hoe dieper gelaagd de ervaringsruimte, hoe lager de onmiddellijke verwachtingen.

Voor Burke waren de Franse revolutionairen fanatici die genot verkregen uit gewelddadig spektakel: “Samenzweringen, moordpartijen, moorden, lijken voor sommige mensen een onbeduidende prijs voor het verkrijgen van een revolutie.  Een sobere, bloedeloze reformatie, een schuldeloze vrijheid, is volgens hun smaak plat en smakeloos […] er moet een prachtig podiumeffect zijn;  er moet een groots spektakel zijn om tot de verbeelding te spreken.” [10] De grote indruk die de moord op de koning maakte komt ook naar voren in Burke. Interessant hier is de verwijzing naar “de geschiedenis” en haar oordeel dat Burke hierbij maakt: “de geschiedenis, die een duurzaam verslag bijhoudt van al onze daden en haar vreselijke afkeuring uitoefent over de handelingen van allerlei soorten vorsten, zal deze gebeurtenissen niet vergeten, noch het tijdperk van deze liberale verfijning in de omgang met de mensheid. De geschiedenis zal optekenen dat op de ochtend van 6 oktober 1789 de koning en koningin van Frankrijk, na een dag van verwarring, alarm, ontzetting en slachting, neerlegden, onder de beloofde veiligheid van het openbare geloof, om zich over te geven aan de natuur in een paar uur van uitstel, en verontruste, melancholische rust.” De politieke en intellectuele actoren van de Franse Revolutie hielden de moorddadige passies van het Parijse volk levend, dixit Burke, om hun bloeddorstig beleid te laten werken. [11]

Burke was sterk onder de indruk van de Franse Revolutie in 1789. Zo schreef hij: “de Franse Revolutie is het meest verwonderlijke dat zich tot nog toe heeft plaatsgevonden in de wereld.” Dit was niettemin een negatieve zaak: “Alles lijkt buiten de natuur te vallen in deze vreemde chaos van lichtzinnigheid en wreedheid, en van allerlei soorten misdaden door elkaar gegooid met allerlei dwaasheden.” [12] De Franse Revolutie betekende dus ook voor haar critici een verbrijzeling van hun generationele ervaringsruimte en opende een verwachtingshorizon van totale ontbinding van samenleving en beschaving. De notie van een gouden tijdperk was voor Burke dan ook volkomen implausibel. Integendeel, de Franse Revolutie leek net een periode van decadentie en barbarij aan te kondigen.

Het is de moeite waard een lange passage te citeren over het oordeel van de Franse Revolutie door “de geschiedenis”:

“Dat is het effect van de verdraaiing van de geschiedenis door degenen die, voor dezelfde kwaadaardige doeleinden, elk ander deel van het onderricht hebben verdraaid. Maar degenen die zullen staan ​​op die verhevenheid van de rede, die eeuwen onder ons oog plaatst, en de dingen tot het ware vergelijkingspunt brengt, die kleine namen verduistert en de kleuren van kleine partijen uitwist, en waarnaar niets anders kan opstijgen dan de geest  en morele kwaliteit van menselijk handelen, zullen de leraren van het Palais Royal zeggen: – De kardinaal van Lotharingen was de moordenaar van de zestiende eeuw, je hebt de glorie de moordenaars te zijn in de achttiende;  en dit is het enige verschil tussen jullie.”

Burke gaat verder:

“Maar de geschiedenis van de negentiende eeuw, beter begrepen en beter gebruikt, zal, vertrouw ik, een beschaafd nageslacht leren de wandaden van deze beide barbaarse tijdperken te verafschuwen. Het zal toekomstige priesters en magistraten leren om geen wraak te nemen op de speculatieve en inactieve atheïsten van toekomstige tijden, de gruwelijkheden die zijn begaan door de huidige praktische en woedende fanatici van die ellendige dwaling, die in zijn stille staat meer dan gestraft wordt, wanneer het wordt omarmd.  Het zal het nageslacht leren geen oorlog te voeren tegen religie of filosofie, vanwege het misbruik dat de huichelaars van beide hebben gemaakt van de twee meest waardevolle zegeningen die ons zijn verleend door de milddadigheid van de universele Beschermheilige, die in alle dingen het menselijk ras bevoordeelt en beschermt.” [13]

De geschiedenis’ zal de Franse revolutionairen in hun woede veroordelen. De historische rol die ze zichzelf aanmeten zal gezien worden als een verwoestende overmoed. Het is precies deze les over geschiedenis die Burke wil onderwijzen:

“We trekken niet de lessen uit de geschiedenis die voorhanden liggen. Integendeel, achteloos kan het gebruikt worden om onze geesten te bezoedelen en ons geluk te vernietigen. In de geschiedenis ontvouwt zich een groot volume om ons te onderwijzen, het materiaal van toekomstige wijsheid puttend uit de verleden fouten en zwakheden van de mensheid. […] De geschiedenis bestaat voor het grootste deel uit de miserie op de wereld gebracht door trots, ambitie, hebzucht, wraak, lust, seditie, hypocrisie, onbeheerste ijver […]. [14]

“De geschiedenis” als rechter is een opmerkelijke evolutie in vroegmodern en modern Europees gedachtegoed. De notie van een singuliere geschiedenis, waarop in de 19e eeuw geschiedkunde als beroep kon groeien, was deel van de intellectuele ontwikkelingen van de scharnierperiode die Koselleck identificeerde met de latere 18e – vroeg 19e eeuw. In dit oordeel van Burke in naam van de geschiedenis wordt een parallel gemaakt met de slachtingen in de Bartholomeusnacht van 1572 door katholieken op hugenoten, en expliciet op een lineaire tijdslijn geplaatst. De geschiedenis herhaalt zich niet helemaal, noch is het voorspelt bij wijze van Bijbelse mimesis.

Daartegenover plaatst Burke een eeuwenoude traditie – teruggaand tot 1215 – waarin in se dezelfde rechten bevochten en erkend waren, ‘traditie’ dat zich generationeel herhaalt. Traditie kan ook in verval geraken, en dit legitimeerde voor Burke de Glorious Revolution: als een restauratie van vooraf legitieme rechten. Traditie krijgt via verwijzing naar God als opperste soeverein van een ondermaans politiek bestel een zweem van eeuwigheid, eeuwige geldigheid die elke generatie voor zich moet doen gelden. Burkes pleidooi tegen de Franse Revolutie erkende en ontkende dus cruciale facetten van een nieuwe relatie tussen ervaringsruimte en verwachtingshorizon. De Franse Revolutie is een singulier ‘evenement’ (à la Badiou) dat eeuwenoude zekerheden op de schop plaatst voor een nieuwe republikeinse egalitaire vrijheidsideologie op de seculiere chronologische tijdslijn dat de geschiedenis behelst. Tegelijk is eeuwenoude traditie getrouw doorgegeven langs generaties, waarvan de rechten zich vestigen binnen een door God gewild en Godsgeleid politiek bestel. De wereld van de geschiedenis is ondermaans, maar goddelijke voorzienigheid geldt nog steeds, en God is de verzekeraar van het hele systeem.

Zo komen we tot een afdoende weergave van Burkes respons op de Franse Revolutie gezien vanuit de optiek van ervaringsruimte/verwachtingshorizon en geweld. We zullen verder de notie van een lineaire chronologische geschiedenis en de soevereiniteit van God uitdiepen in de volgende delen: eerst over Immanuel Kant, dan Georg Wilhelm Friedrich Hegel.

De Coene Pieter, Sleidinge

Noten:

[1] Edmund Burke, Reflections on the Revolution in France, uitgegeven door Frank M. Turner (New Haven: Yale University, 2003): p.73.

[2] Burke, Reflections on the Revolution in France, p. 67.

[3] Burke, Reflections on the Revolution in France, p. 22.

[4] Burke, Reflections on the Revolution in France, p. 14, 27.

[5] Burke, Reflections on the Revolution in France, p. 66, 68.

[6] Burke, Reflections on the Revolution in France, p. 57.

[7] Burke, Reflections on the Revolution in France, p. 58, 77, 89.

[8] Burke, Reflections on the Revolution in France, p. 51-52.

[9] Burke, Reflections on the Revolution in France, p. 142.

[10] Burke, Reflections on the Revolution in France, p. 55.

[11] Burke, Reflections on the Revolution in France, p. 60, 120.

[12] Burke, Reflections on the Revolution in France, p. 9.

[13] Burke, Reflections on the Revolution in France, p. 121.

[14] Burke, Reflections on the Revolution in France, p. 119.

Creative Commons

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!