De community ruimte is een vrije online ruimte (blog) waar vrijwilligers en organisaties hun opinies kunnen publiceren. De standpunten vermeld in deze community reflecteren niet noodzakelijk de redactionele lijn van DeWereldMorgen.be. De verantwoordelijkheid over de inhoud ligt bij de auteur.

Links geweld (2)

Links geweld (2)

woensdag 8 december 2021 15:51
Spread the love

In het eerste deel van deze reeks over ‘links geweld’ werd een kort relaas van de Franse Revolutie van 1789 aangeboden, zonder veel omkadering of diepere analyse. De Franse Revolutie krijgt zoveel aandacht als ze in deze reeks zal krijgen omdat we haar opvatten als stichtende mythe van het moderne Europa. Ze ligt aan de basis van het verloop van de politiek in de 19e en 20e eeuw. Ze werd referentiepunt voor latere revoluties, niet zelden socialistisch of communistisch van aard. Haar Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger is in zekere zin een oermanifest geworden van latere revolutionairen, natiestaten en supranationale organisaties zoals de Verenigde Naties. De Terreur werd op het moment zelf al een beladen kwestie, en zou in de 19e en 20e eeuw nog cruciaal blijken voor links geweld.

 

We introduceerden Kosellecks tweeledig schema van ervaringsruimte en verwachtingshorizon om een houvast te hebben bij de vraag naar de ideologische conceptualisering van tijd, zodanig dat we haar relatie tot geweld standvastiger en eenvoudiger kunnen bevragen. Via Koselleck gaan we na hoe de Terreur paste in een dialectiek tussen een volatiele ervaringsruimte en een hoogzwangere verwachtingshorizon. De Eed op de Tennisbaan, de executie van Louis XVI, en de Verklaring van de Rechten van de Mens en Burger zouden, ons inziens, cruciaal zijn voor deze dialectiek.

Deze vragen staan voorop in dit en het volgende deel:

  1. Hoe werd de Terreur mogelijk gemaakt en gelegitimeerd?
  2. Hoe veranderde het koppel ervaringsruimte/verwachtingshorizon van de Franse revolutionairen tijdens de Revolutie?
  3. Hoe verschijnt de Terreur vanuit de dialectiek ervaringsruimte/verwachtingshorizon?

 

Wat was de Terreur? Ontsproot de Terreur uit een gedeiend filosofisch gedachtegoed, of ontspoorden gebeurtenissen willens nillens?

Het beginpunt van de Terreur wordt anders ingevuld in verschillende interpretaties. Volgens sommigen begint het met de moorden in september 1792 in de gevangenissen, volgens anderen in maart 1793 met de stichting van het Revolutionair Tribunaal, en volgens nog anderen in juni of september van dat jaar. Het eindpunt is 9 Thermidor, Jaar II: de executie van Robespierre en companen. Jacobijnen pleegden gewapend een opstand eind mei – begin juni 1793 en sloten de Girondijnen uit de Nationale Conventie. Deze greep naar de macht werd vooraf gegaan door wetgevende beslissingen die de Jacobijnen met behulp van het wijfelende midden, La Plaine, doorvoerden. In deze periode breidden de Jacobijnse machthebbers democratische voorzieningen uit, riepen staatsgeleide gezondheidszorg voor zieken en gehandicapten in het leven, dwongen maximumprijzen voor basisgoederen af, en droegen een radicale egalitaire filosofie uit. De achterzijde van de medaille was de sterkere mate van censuur en surveillance, uitsluiting en gevangenzetting, en de ‘politieke’ executie.

 

De Nationale Conventie vaardigde wetten uit tegen verdachten en schreven de doodstraf uit voor politieke misdaden. Op 19 maart 1793 decreteerde de conventie de vorming van het Revolutionair Tribunaal, dat zo dodelijk zou zijn voor velen. Het maart 19, 1793 decreet, gericht tegen de rebellen in de Vendée in Frankrijk, was de voornaamste wetgeving wat executies betreft. Volgens Donald Greer leidde dit tot het merendeel van de executies.[1] Marc Bouloiseau spitst het aandeel van de executies door het tribunaal op 78 %, al werden bepaalde districten meer, en andere veel minder, getroffen.[2] We mogen niet vergeten te vermelden dat dit decreet ook militaire en civiele commissies in het leven riep die velen keren meer doden zouden opeisen dan het Revolutionaire Tribunaal. Het Revolutionaire Tribunaal wordt vaak aanzien als de eerste grote toegeving aan populaire druk meer gewelddadig op te treden tegen zogenaamde verraders van de revolutie en verdedigers van de oude garde. In marxistisch geïnspireerde geschiedschrijving wordt het Tribunaal klassiek beschouwd als toegeving aan de bloeddorstige sans-culottes, aan het geweld van de straat. Zo gaf Danton, eerste president van het Committee van Openbare Veiligheid, een toespraak waarin hij verklaarde, “soyons terribles pour dispenser le peuple de l’être”.[3] Voor de Girondines achteraf was het Tribunaal de institutionalisering van de afslachtingen in gevangenissen in september 1792, toen zowat de helft van Parijse katholieke gevangenen werden vermoord.

 

In de analyse van Timothy Tackett leidde een traject van gewelddadige praktijken tot de Terreur: het begon min of meer met de pro-republikeinse demonstraties bij de terugkeer van Louis XVI naar Parijs. Deze demonstraties werden gewelddadig onderdrukt door Parijse troepen die de staat van beleg uitriepen. Dit leidde tot de onderdrukking van republikeinse/Jacobijnse leiders, met voorstanders die elders in het land onderdrukking in tegenovergestelde richting aanvatten. Zo werden vijandigheden in een geweldadige spiraal gezogen.[4] De militaire toestand van de Republiek in het voorjaar van ‘93 contextualiseert de Terreur op andere wijze. Ten eerste waren er de troebelen in de Vendée, die vijandige legers tot in Parijs hadden kunnen brengen. Ten tweede kantten velen zich tegen de levée (die zo’n 300 000 man trof). Deze toestand vereiste drastische maatregelen om de Revolutie te redden. Wie zich onwillig toonde de Revolutie te dienen, verklaarde zich tot vijand van de natie. Op 10 oktober ‘93 verklaarde de Conventie dat de overheid revolutionair zou zijn tot vredestijd. Ministeries en andere overheidsorganen kwamen onder controle van het Commitee van Openbare Veiligheid. Vredestijd halen zou betekenen dat alle vijanden van de Revolutie verslagen zouden zijn. Alleen dan kon la liberté zegevieren. [5]

 

Hoe werd het Revolutionaire Tribunaal denkbaar en legitiem? Waar lag de soevereiniteit om de hervormingen door te voeren nu de koning was vermoord en een nieuwe sociale orde zich moest stabiliseren? Om deze vragen te beantwoorden zal ik me voornamelijk beroepen op twee prominente Jacobijnse figuren: Maximilien Robespierre en Saint-Just. Hoe zag Robespierre de bestendiging van de revolutie? Met welke middelen en op welke basis zou de Revolutie kunnen overgaan naar de ‘orde van de dag’?

 

Robespierre was consequent in zijn nadruk op de deugd van de burger als bron van een nieuwe sociale orde. Het doel van regeren, zo luidde het in een uiteenzetting over de nieuwe grondwet van de Conventie in 1792, bestaat in het honoreren van de natuurlijke en onherroepelijke rechten van mensen die in essentie vrij en gelijk zijn.[6] De overheid hoort de algemene wil te respecteren. De wet drukt het algemeen belang uit, en het hoort niet aan ambtenaren toe om hun wil te laten primeren op de wil van het soevereine volk:

“Rechtvaardige wetten, wijze wetten, zijn dus die wetten die overeenkomen met de beginselen van rechtvaardigheid en moraliteit die de basis vormen van de menselijke samenleving; de rampzalige wetten, de krankzinnige wetten, de destructieve wetten van de openbare orde, zijn degenen die er van afwijken. Wat is er nodig om deze principes door de natuur in de harten van alle mensen gegrift te kennen en te voelen? Een oprechte ziel en een moreel karakter. Deze ene waarheid verklaart alle verschijnselen van onze revolutie.” [7]

 

De natuur legt rechtvaardige wetten in de deugzame kern van elk mens: daarop kan een rechtvaardige sociale orde gebouwd worden. In een late redevoering (5 februari 1794) in naam van het Commitee van Openbare Veiligheid, verduidelijkte Robespierre dat het “fundamentele principe” van een democratische of populaire overheid de deugd is. “[P]olitieke deugd”, zo schreef hij consequent, “is niets anders dan liefde voor de wetten en het vaderland”.[8] Robespierre: “Welk doel streven wij na? Het vredig geluk van de vrijheid en gelijkheid, de heerschappij van deze eeuwige rechtvaardigheid, waarvan de wetten gegraveerd zijn, niet in steen, maar in het hart van alle mensen”. [9] De natuurwetten staan vast “in het hart” van elk mens. Dit is de fundering van de Revolutie, de strijd tegen vijanden en de belofte van rechtvaardigheid en vrijheid. “Wij willen”, verkondigde Robespierre die 17e Pluviose, Jaar II (5 februari 1794) voor de Nationale Conventie, “een maatschappelijke orde waar […] de ambitie het verlangen is glorie te verdienen en het vaderland te dienen, waar onderscheiding enkel vanuit gelijkheid voortkomt, waar de burger aan de magistraat gehoorzaamt, de magistraat aan het volk, en het volk aan de rechtvaardigheid; waar het vaderland het welzijn van elk individu verzekert, en waar elk individu met trots geniet van de voorspoed en glorie van het vaderland”.[10] Het volk draagt van nature de deugd in zich, en deze deugd in het hart van de burger is de speciale troef van een republiek.[11] Het doel van de revolutie was om “de wensen van de natuur te vervullen, het lot van de mensheid te vervullen, de beloften van de filosofie na te komen, de voorzienigheid te ontslaan van de lange heerschappij van misdaad en tirannie”.[12]

 

Robespierre maakt vanuit die overtuiging de opvallende brug naar terreur: populaire overheid wordt in vredestijd begeesterd door de deugd, in tijden van revolutie door de deugd én de terreur.[13] Want deugd zonder terreur, zo redeneerde Robespierre, is impotent in het woelige tijdsgewricht waarin revolutionairen de nieuwe orde moeten bestendigen en vijanden afslaan. Oorlog vereist andere middelen dan vrede in het omgaan met vijanden. Robespierre oreerde verder: “[d]e terreur is niets anders dan besliste, zware en onbuigzame rechtvaardigheid”, ze is een “gevolg uit het algemene principe van de democratie” – de deugd – dat wordt toegepast voor de drukkende vereisten van de natie.[14] Terreur vloeit voort vanuit deugd, van nature aanwezig in elk mens. Wie in volle revolutie de noodzaak van terreur in twijfel trekt, verloochent de deugd. Z’n status als mens staat op de balans. Dreigt hier dan niet het gevaar dat de democratisch-republikeinse terrorist zich verlaagt tot de barbarij van de despotische? Robespierre was hier consequent. Hij erkende dat de terreur van de ene lijkt op de terreur van de andere, maar hield vast aan de overtuiging dat rechtvaardigheid aan zijn kant stond: de kant van de revolutie, de republiek, de natie en de mensheid. De “gematigde” is een valse revolutionair, die z’n standpunt laat bepalen door opportunisme. De Republiek telde nog maar twee kanten: de republikeinen en de vijanden van de republiek.[15]

 

De leidinggevende toepassing hiervan vinden we in de berechtiging van Louis XVI. Volgens Robespierre kon Louis XVI geëxecuteerd worden omdat hij zou hebben samengezworen tegen de vrijheid en de veiligheid van het Franse volk. Laatstgenoemden hielden het recht in handen om Louis Capet te berechten, niet vanwege een burgerlijke grondwet, maar volgens “de wetten van de eeuwige rechtvaardigheid die niet in zijn [Louis XVI] macht lagen uit te wissen”.[16]

Een volgende toepassing treffen we aan in de Vendée, waar anti-revolutionaire rebellen het revolutionaire leger het leven zuur maakten. Op 8 mei 1793, tijdens een Jacobijnse zitting, declareerde Robespierre onder applaus dat de Vendée-rebellen vijanden waren “tegen de mensheid en tegen het volk”. [17] De Vendée-rebellen zouden een arm zijn van het leger van de aristocratische Coburgs, en werden gegroepeerd met alle vijanden van de revolutie. Die “verachtelijke en gemene wezens” kozen eigenbelang boven het algemene belang, en zweerden samen tegen “de rechten van de mens en tegen het welzijn van alle volkeren”. [18] De Jacobijn Saint-Just verklaarde op oktober 10, 1793: “de tijd is gekomen een waarheid te verkondigen die, in het vervolg, nooit uit gedachten mag verdwijnen van zij die regeren: de Republiek zal enkel gesticht zijn wanneer de wil van de soeverein de monarchale minderheid onderdrukt heeft, en erover heerst bij rechte van verovering. Je hoeft geen terughoudendheid te tonen tegen de vijanden van de nieuwe orde, en vrijheid moet tegen elke prijs triomferen.”[19] De villains van het lompenproletariaat werden ook mikpunt van vervolging vanuit dezelfde soort redenering.

 

Een verdere toepassing vinden we in een redevoering over republikeinse en despotische militaire dienstplicht. Zo verklaarde Robespierre: “Er zijn uitzonderlijke omstandigheden in de geschiedenis van naties, waar de stem van de natuur en de noodzaak met een onweerstaanbare invloed spreekt.” [20] Voor Robespierre was de Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger het fundament, de “eeuwige wet”, waarop de grondwet werd geënt.[21] Wie de oude orde en haar privileges wilde behouden, wie zich keerde tegen de vrijheid van de republiek, werd “de vijand van de natie en de mensheid”.[22]

 

In augustus 1793 koos de Conventie voor de ratificering van de nieuwe grondwet, maar hiefen het op – waarschijnlijk om verkiezingen uit te stellen waardoor hun meerderheid in de Conventie gevrijwaard kon blijven. De Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger werd niet opgeheven, zoals Edelstein opmerkt. Deze Verklaring was de enige grondwet die nodig was. Als de natuur, en niet de algemene wil, bron van alle recht was, was de Conventie niet slechter geplaatst dan andere actoren om het natuurrecht uit te dragen. Robespierre legitimeerde de gewelddaden van het Revolutionair Tribunaal en de Franse revolutionaire legers in naam van het recht dat vanuit de natuur in elk mens aanwezig was als deugd. De Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger was het oermanifest waarin die natuurrechten verkondigd stonden, en waarmee elke nieuwe politieke orde rekenschap aan moest afleggen. De terreur –  zo genoemd door de Jacobijnen zelf – was een noodzaak in revolutionaire tijden, en was innig verbonden met de deugd. Terreur bestaat in verschillende gedaantes, maar enkel de republikeinse terreur was gerechtvaardigd vanuit natuurlijke principes. Hier koppelen we terug naar de these van Edelstein: het decreet hors-la-loi werd uitgebreid naar alle vijanden der Revolutie. Wie zich keerde tegen de terreur van de revolutionaire Conventie en legers keerde zich tegen de eeuwige rechtvaardigheid en vrijheid.

 

Wie stond in voor de vaststelling van die natuurlijke orde? Wie zou ze introduceren, en wat zou de prijs van verzet zijn? Saint-Just geloofde dat de natuur, niet de algemene wil, de bron van alle wet was. De wetgeving van de Terreur verving de strafcode met natuurrecht, hetzelfde recht waaruit de Revolutie putte om haar “natuurlijke, onvervreemdbare en sacrale mensenrechten” (uit de 1789 Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger)  uit te dragen en politieke autoriteit mee te vestigen. [24] Edelstein citeert Saint Just treffend: “Volgens Rousseau kunnen wetten enkel de algemene wil uitdrukken, en besluit daaruit dat een wetgever vereist is. Maar een wetgever kan enkel de natuur uitdrukken, niet de algemene wil. Bovendien, deze wil zal fouten maken en het sociale lichaam hoort niet door onderdrukt te worden door zichzelf, laat staan door anderen.” Enkel natuurwetten konden geldige wetgeving zijn: “Aangezien er geen samenleving kan zijn die niet gesticht is op de natuur, kan de staat enkel de natuurwetten accepteren… De wet is dus geen wilsuitdrukking, maar de verkondiging van de natuur.” [25]

 

Nu we dit gevestigd hebben, rijst de vraag hoe tijdsopvattingen het natuurrechtelijk gelegitimeerd geweld al dan niet mede-ondersteunden. Hoe veranderde het koppel ervaringsruimte/verwachtingshorizon van de Franse revolutionairen? De termen die we met Robbespiere gebezigd hebben duiden al op een deel van het antwoord. In de revolutionairen hun politiek vertoog vinden we vaak verwijzingen terug naar de antiek Griekse en Romeinse politieke constellaties – democratie, republiek, en monarchie. De revolutionairen legden contrasten en parallellen met het imago van Antieke politiek, en gaven zo betekenis aan hun eigen Revolutie. Niettemin konden verwijzingen naar Antieke vrijheden, democratie of tyrannie een nieuwe politieke constellatie niet bedwingen. Het republikanisme als -isme, dat tegenover het despotisme kwam te staan, duidde op een toekomstgericht ontwerp. Dit politieke project, zoals Koselleck zelf al aangaf, verwijderde zich van een gesedenteerde ervaringsruimte naar een toekomstige horizon. [26] Republicanisme begeesterde het tijdsverschil tussen alle eerdere vormen van politiek bestel en de toekomstige, te verwachten, grondwet. Het radicaal nieuwe karakter van dit republicanisme, dat zich vestigde met de Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger, loste gesedenteerde lagen van de ervaringsruimte en omvatte utopische verwachtingen.

 

De intellectuele ontwikkeling van het natuurrecht zoals aangewend door Robbespiere moeten we verder uitdiepen. Zoals we zagen grondde voor Robespierre de Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger als oermanifest van de Revolutie elke republikeinse grondwet. Het burgerlijk recht kwam tweede op het recht vanuit de natuur ingegeven. De eeuwige status toegekend aan de natuurlijke rechten zoals uiteengezet in de Verklaring was één facet van de tijdspolitiek van de revolutionaire Jacobijnen. Het natuurrecht verschafte de Jacobijnen in het bijzonder de intellectuele armatuur om hun revolutionaire visie te voeden.[27]

 

In het volgend deel gaan we verder in op de vraag naar de dialectiek ervaringsruimte/verwachtingshorizonen haa relatie tot geweld.

 

De Coene Pieter, Sleidinge

 

Noten:

[1] Donald Greer, The Incidence of the Terror during the French Revolution: A Statistical Interpretation (Cambridge: Harvard University Press, 1935).

[2] Marc Bouloiseau, The Jacobin Republic, 1792–94 (Cambridge: Cambridge University Press, 1983): p. 211.

[3] Geciteerd in Dan Edelstein, The Terror of Natural Right, (Chicago: The University of Chicago Press, 2009): p.  135.

[4] Timothy Tackett, When the King Took Flight (Cambridge: Harvard University Press, 2003).

[5]  Edelstein, The Terror of Natural Right, p. 144.

[6] Œuvres complètes de Robespierre. Tome V, uitgegeven door Gustave Laurent (Parijs: Librairie Félix Alcan, 1961): p. 18.

[7] Œuvres complètes de Robespierre. Tome IV, uitgegeven door Gustave Laurent (Parijs: Librairie Félix Alcan, 1939): p. 111. Mijn nadruk.

[8] Œuvres complètes de Robespierre. Tome I, uitgegeven door Eugène Deprez (Parijs: Ernest Leroux, 1910): p. 24. Œuvres complètes de Robespierre. Tome X, uitgegeven door Marc Bouloiseau en Albert Soboul (Parijs: Presses Universitaires de France, 1967): p. 353.

[9] Œuvres complètes de Robespierre. Tome X, p. 352.

[10] Œuvres complètes de Robespierre. Tome X, p. 352.

[11] Œuvres complètes de Robespierre. Tome X, p. 355.

[12] Œuvres complètes de Robespierre. Tome X, p. 352.

[13] Œuvres complètes de Robespierre. Tome X, p. 357.

[14] Œuvres complètes de Robespierre. Tome X, p. 357.

[15] Œuvres complètes de Robespierre. Tome X, p. 360; 357.

[16] Œuvres complètes de Robespierre. Tome V, p. 58.

[17] Œuvres complètes de Robespierre. Tome IX, uitgegeven door Marc Bouloiseau, Georges Lefebvre, Jean Dautry en Albert Soboul (Parijs: Presses Universitaires de France, 1958): p. 487.

[18] Œuvres complètes de Robespierre. Tome IX, p. 487-88.

[19] Geciteerd in Edelstein, The Terror of Natural Right, p. 178.

[20] Œuvres complètes de Robespierre. Tome IV, p. 57. Mijn nadruk.

[21] Œuvres complètes de Robespierre. Tome IV, p. 62.

[22] Œuvres complètes de Robespierre. Tome IV, p. 111.

[23] Edelstein, The Terror of Natural Right, 22.

[24] Geciteerd in Edelstein, The Terror of Natural Right, p. 14, 20.

[25] Geciteerd in Edelstein, The Terror of Natural Right, p. 201.

[26] Koselleck, “Erfahrungsraum und Erwartungshorizont”, p. 365.

[27] Edelstein: “All aspects of Jacobin legislative activity, be they penal, civil, or institutional, seem to have been grounded in the same authorizing referent: nature”, in The Terror of Natural Right, p. 21.

 

 

 

Creative Commons

take down
the paywall
steun ons nu!