Leven in de apotheek

woensdag 15 april 2020 23:18
Spread the love

(leestijd 10 minuten)

Hygieia, schone ernstige maagd, meest gerespecteerde der gezegenden, dochter van Asklepios, godin van de properheid, laat me met jou samenzijn voor wat nog rest van mijn al te korte leven, want zonder jou straalt niets of niemand en zonder jou is niemand echt gelukkig.” Aldus klinkt mijn smeekbede richting de plaatselijke apothekersvrouw waarnaar ik mij keer in tijden van ernstige nood om mij te laten behandelen voor een niet te miskennen ouderdomskwaal.

Toen ik het winkelpand van bovengenoemde apothekeres betrad, was evenwel voor mij een gesprek gaande tussen diezelfde uitbaatster en een mij niet nader gekend persoon van vrouwelijke komaf. Iets over muziek zo had ik stellig de indruk, al kon ik moeilijk verstaan waarover het juist ging. Zij hadden oor noch oog voor mijn aanwezigheid. Een hoedanigheid mij zeer welbekend in andere dagdagelijkse situaties des levens en waarmede het voornoemde gesprek naar mijn aanvoelen na een tijdje wel een eeuwigheid leek te duren. En zonder dat een van beiden de geringste indruk wekte ook maar iets te zullen afhandelen: een medische vraag, de aanschaf van een geneesmiddel of eender wat, kabbelde de dag verder aan mijn wegens zinnelijkheidsoverwegingen hier niet nader omschreven ouderdomskwaal.

De apothekeres, geheel volgens de traditie gekleed in een wit gewaad, was danig diep in dat gesprek verzonken dat ze niet merkte hoe mijn ongeduld zich gestaag opwaarts kronkelde zoals de slang volgens de legende haar weg naar de inhoud van de heilzame schaal. Een ontzagwekkende broche met voorstelling van een bijenhuif vervaardigd van een geelachtig allooi en twee, neen drie omzwervende bijen ontbrak niet aan haar gewaad maar was puur cosmetisch bovenop de linkerborst aangebracht daar ze haar tenue omheen haar middel kordaat gesloten hield middels een linnen ceintuur van eerder grof gewoven kunde en de paar minuten dat de conversatie reeds haar gang ging alvorens ze mij een zekere vorm van herkenning gaf, leken mij langer te duren dan een uur in een put vol uitgehongerde schorpioenen, waardoor ik op licht geniale wijze bedacht eens zwaar te moeten kuchen om mijn aanwezigheid aldaar kenbaar te maken, toen de uitbaatster als een donderslag bij heldere hemel een poging deed mij in het gesprek te betrekken.

Iets over muziek had ik begrepen, terwijl ze lachte als een hyena. Ze had mij dus wel degelijk opgemerkt toen ik haar winkel binnentrad, de Griekse feeks, en toch ging ze lekker door staan babbelen met die andere, die blijkbaar nog iets met vossenbont om haar nek gebonden hield, terwijl de ergernis zich bij mij enkel maar hoger opstapelde alsof ik alle tijd van de wereld had en “of ik ken wat nu op de radio speelde?”, dat was wat ze mij vroeg.

En met radio bedoelde ze eigenlijk de muzak waarvoor ze, dat had ik in die veel te lange tussentijd dan wel goed verstaan, maandelijks een pleejlist liet opstellen door een niet nader genoemd maar zeer specifiek en uiterst professioneel bedrijf waardoor ze aan schappelijke prijs, volledig legaal en perfect aftrekbaar van de belastingkost toch kon genieten van wat gezellige meezingdeuntjes gedurende de lange werkuren en schaarse verpozingen in haar winkelpand gelegen tussen de vele empulla met drugs gerelateerde producten, kwakzalfjes en poederdoosjes, waarna ze haar witte gewaad niettegenstaande reeds strak tegen het overigens goddelijke lijf gespannen in de juiste plooi schikte als om aan te geven dat alles in haar pillenfabriek annex drugslabo volgens de laatst geldende regels en als van oudsher smetteloos was ingericht. Zodanig zelfs dat, ware het niet het groen verlichte kruis aan de buitenzijde van het pand en het ontbreken van keurig gedekte eettafels en stoelen aan de binnenzijde, men zich zo in een driesterrenrestaurant kon wanen want men kon er daadwerkelijk ten allen tijden zomaar van de vloer komen eten.

Daar had men recentelijk tevens, zo kwam ik thans eenvoudigweg vast te stellen, een scherm van plexiglas aan de toonbank aangebracht om insecten en andersoortig gedierte dan wel bedenkelijke levensvormen rechtstreekse toegang tot de apothekeres te verhinderen. Een maatregel die ik in deze gure tijden enkel maar kon toejuichen hoewel met evenredig strenge argusogen benaderd. Het werd immers middels een paar lijmklemmen eerder provisorisch op zijn plaats gehouden en leek welhaast een aanfluiting te zijn op eender welk gevoel van veiligheid, te meer daar het een vervaarlijk convexe boog beschreef die van de toonbank tot tegen het plafond aanliep en waarvan elk moment de spanning wel leek te zullen wegschieten, maar allez, het kon er wel mee door als je bereid was een zeker risico te nemen.

Nu moet je weten dat een van de ouderdomskwalen waaraan ik lijd, naast dewelke waarom ik mij toch met de nodige urgentie naar de nabijgelegen apotheek begaf en die ik om redenen van private aard hier niet nader wens toe te lichten, de moeilijkheid is om te focussen, zowel wat betreft geluiden als beelden, zij het evenwel op zeer selectieve basis. Daarom had ik de muzak op de achtergrond in het geheel niet kunnen onderscheiden van haar gepalaver met de mij voorgaande met vos omwonden klant van komaf, en al helemaal niet nu er een uit de kluiten gewassen, buiten proportioneel scherm van plexiglas was aangebracht hetgeen de geluiden danig dempte, met inbegrip van achtergrondgeluiden van lage toonaard waaronder dus het reeds eerder aangehaalde muzakgeluid. Bovendien had ik geen zin hier nog eeuwen te staan schilderen omdat, je weet wel, iets danig begon te jeuken en iets anders mij dan weer vervaarlijk hard op springen leek te staan.

Of ik het muziekje dus niet kende, vroeg ze herhalend? Waarna ik antwoorde dat ik niet naar de radio luister en dus geenszins kon kennen waar ik niet naar luister, wat niet eens zo hard gelogen was, maar “of ik the Beatles echt niet kende?”, repliceerde ze toch wel heel gevat, nadat ze mijn filosofische en als reflectie bedoelde kwinkslag vakkundig de das had omgedaan. Mijn negatie ging haar verstand enigszins te boven. Vervolgens kwinkeleerde ze “dat ze die muziek toch niet meer maken vandaag de dag”. Aldus ging het ogenschijnlijk gezellige theekransje verder tussen de komaf met vossenbont en de Griekse schone, of toch iets in die strekking, omdat ik duidelijk niet aan dat onderonsje wenste deel te nemen als je dat gezwets tussen die twee kletswijven al een gesprek kon noemen, waarna ik mij bijna liet ontvallen dat hooggeëerde dames de zak kenden van de muziek van tegenwoordig omdat ze die muziek niet in pleejlisten van muzakbedrijven steken simpelweg omdat muzakbedrijven enkel heil vinden in grijs- en plat gedraaide muziek van ultra-commerciële platenmaatschappijen en dat ze dus best hun bek houden en voort maken met hun bestelling, zodat ik hier eindelijk mijn pommade kan vragen en huiswaarts kan keren, want dat de rode mieren zich hier van onderen zijn beginnen te roeren en dat het zwaar begint te jeuken waaruit volgt dat een en ander dus zeer dringend is geworden zonder nog rekening te houden met dat dreigend onderuit springend scherm van plexiglas en tenslotte dat ik the Beatles echt niet nodig heb om af te rekenen met mijn hier wegens hygiënische redenen niet verder in detail beschreven euvel. Al zeker niet wanneer ze Let it be ten berde brengen en dat ik het zo-even wel gehad had met mensen, zodat ik wenste dat er wat meer aandacht ging naar social silencing enfin dat ik er schoon genoeg van had dat moet ik je er toch niet bij vertellen zeker.

 

Creative Commons

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!