Let us rob a Bank!

Let us rob a Bank!

maandag 19 september 2016 13:13

Wat een Razernij bij het Instituut van de Post!?” roep ik. (– Toch wel origineel om zo je dag te mogen beginnen.) Ik struikel net niet over mijn traag maar nadrukkelijk woedend uitgesproken woorden. Sinds ik moeder toeriep “Ik doe watta-kik-wil!!” toen ik vier jaar was, heb ik niet meer zo rustig raak woedend gesproken. En ik voeg er nog één korte zin aan toe, zonder de man en de vrouw achter de glimmend nieuwe balie van het Postkantoor bij het park Heuvelhof een tweede blik te gunnen: “Dat is je reinste Waanzin!”. (1525 woorden).


Met mijn pas verworven pelgrimsstaf gemaakt uit een Coudrier de la Forêt d’Ardenne in mijn linkerhand, vertrok ik zonder mijn waren. Bij het binnenkomen had ik in mijn binnenste gezegd: “Ik moet vandaag uitkijken wat ik uitgeef, maar een extra zegel voor moeder, om haar de boodschap te sturen (“Love is a never ending Story. I love you!” op een metal alloy wijnrode kaart), dat moet er af kunnen. Zij mag ook wat hebben.” Moeder Maria Ida Barbara Theresia Hublou heeft tenslotte een schitterende internationale carrière, zowel als topklasse Gouvernante én als gelauwerde en bekroonde Reisgidse in de Balkan stopgezet om mij op te voeden… Dat was in de zomer van 1962 toen ik uit het heelal neerdaalde naar de Matrix.

Ik ben als mini mensje gevoed met Britse havermoutpap en verse peterselie, maar ook met verhalen en getuigenissen. Moeder had het geregeld over ervaringen in exotische naties als Finland (waar zij tot haar grote voldoening en trots tot over de Noordpoolcirkel was getrokken); Zweden (waar de chef van de geheime politie van Helsinki haar ontboden had en opmerkte: “Hoe kan het dat u hier in de winter verblijft? Werkt u misschien als spionne?! “Ik ben hier uitgenodigd, ik verblijf bij mijn vrienden” zei Maria. Rita Knutinen was zo een vermaarde vriendin. “Ik heb zo geen vrienden, waar ik maanden mag logeren..” was het beteuterde antwoord van de commissaris. Toen ik die anekdote van haar hoorde, als kleine zoon, begreep ik zonder te hoeven nadenken volkomen hoe dat gratis logeren evident was geweest. Er was in dit wereldje nu eenmaal zo iets Absoluuts als de innemende magie van deze Moeder Maria); Athene (waar de mensen in de winter volgens mama meer kou leden dan in Leuven, omdat zij weigerden in kachels te investeren. “Och, de winter duurt toch nooit lang” zegden de Grieken tegen elkaar); over Wiltshire (waar zij Engels sprak met de kinderen van de lieden van stand die zij opvoedde, helemaal zoals Mary Poppins zelf); over haar reis naar Turkije… (waar Maria gestrand was nabij Istamboel met 43° koorts, een week met ijlkoortsen te bed bleef, en waar zij met een stem vol dankbaarheid en nederigheid over stelde dat “de toegewijde zorgen van belangeloze, eenvoudige mensen” haar van de dood gered hadden. Later begreep ik: in die twee weken heeft een heldin, gewoonlijk terecht moedig en trots, haar grenzen, haar menselijke beperktheid plots ervaren).

In Griekenland en Turkije was haar reisgezel maanden lang een zekere Chris De Amerikaan. Hij viel onopvallend op. Hij oefende de spieren van zijn handen met een toestelletje met veren, een beetje zoals Grieken van de mannelijke kunne achteloos spelen met hun gebedssnoer. En hij had slechts één teelbal, zo had hij laten verstaan. Hij was verstandig en zachtaardig, Chris. Of er een verband bestaat tussen deze feiten, laat ik in het midden. Een rots om bij je te hebben, in elk geval, in de vier seizoenen in vreemde landen ver van Heverlee. Maar hij was echt een Man. Hij kon een vrouw beschermen, charmeren en tevreden stellen. En verder heb ik zelf de postkaart gelezen, voorzien van exotische postzegels, zowat tien jaar later, in 1967, 68 of ’69, waarin hij liet weten “I shot three Moose”. Hij was in Canada op de elandenjacht. Ik wilde hem uiteraard ontmoeten, maar dat is er nooit van gekomen. Klagen mag ik echter niet, ik heb wel zeven vaders gekend, waaronder enkele nog méér exotische en nog meer interessante. Misschien ligt overigens bij het bewonderend lezen en beschouwen van die kaart met dat jachtverslag, dat boszicht en die elanden wel de oer inspiratie die mij in ’94, bijna dertig jaar later, zou brengen tot het omleggen van zes herten en everzwijnen met mijn Brno 7×64 Torpedo Ideal Geschoss, in de weiden van pijpestrootje en tussen de kerstsparren en zomereiken van het Hertogenwald in de Oostkantons.

Chris sprak vaak met subtiele woorden humor. Het reizende en in Yoegoslavië & Hellas logerende duo wist dat zij onder hun tweetjes een universum waren. Dat zij goede mensen waren. (Ook al had naar verluid een zekere Palestijnse Jood een tijdje daarvoor gezegd: “Noem mij niet goed, alleen de Eeuwige, de vaderlijke JHWH is goed”. Mattheus 19, Marcus 10. Generaties geleerden zijn daar in gelopen. En prezen tegen professionele vergoeding de Heer, maar lieten de eigen moeder en de buurvrouw-moeder levenslang in de schaduw.) Vanuit het voortschrijdende vermoeden dat Maria en Chris misschien wel méér verdienden in dit leven dan hen dagelijks en maandelijks toeviel, een ervaring die hen soms moet hebben doordrongen na een dagreis per Auto Stop in het land van stof, zon en olijven, grapte de reizende Amerikaan wel eens:

Let us rob a bank!

Misschien dat ik juist na het beluisteren in de prille kindertijd van zulke verhalen en verslagen, en het onvermijdelijk goed onthouden en in het hart koesteren ervan, zo een Grote Stripverhalen Lezer ben geworden. Sommigen noemen mij een Romanticus. Maar ik weet wat er in het leven te koop is. Ik weet dat er buiten avontuur, emotie en verhaal niet veel goeds te rapen valt. Of beter,

… dat de soortgenoten, de stamgenoten in Vlaanderen doorschieten in anderen richtingen dat het niet mooi meer is. Dat zij best een dosis “Liefde is de essentie!”-preken kunnen gebruiken, op wekelijkse basis.

De kracht van Vriendelijke Woordenloze Aanwezigheid (m/v)

is misschien wel de grootste Kracht in de mensenkosmos.

En zeker de meest miskende.

Geen wonder dat Vlamingen uitblinken in een prachtige verbale Klaagcultuur, en een cultuur van de Sensatie & het Kankeren in media en pers. En een idiote cultus van de Xenofobie, recently.

Die moeder dus, zal voorlopig op het bericht van haar zoon moeten wachten. De rode kaart van bij De Slegte was net twee millimeter te breed voor een gestandardiseerde enveloppe. Als je een grotere neemt, is dat op slag een “niet genormaliseerde zending”, en moet je van Vadertje Post niet twee maar meteen drie zegels “Europa 1” plakken. Mijn liefdesbericht was na een week dus vlotjes teruggekomen, met een klever erop “3010 Zending onvoldoende gefrankeerd”. Met in de rechterbovenhoek twee machinaal afgestempelde zegels, een duo Koning Filip met zwarte krassen. Als de kippen erbij om de fout te herstellen, net na de opening van het kantoor dat is heropend na een klein jaar van verbouwingen, tref ik achter de balie een blonde vrouw van rond de veertig met een brilletje en lang blond haar. Maar dat bleek niet relevant. Cherchez l’homme, als je de vinger wil leggen op wat er in dit land, dit westelijk deel van het continent verkeerd gaat. Meer dynamiek straalt ja de man uit, een lange slanke kerel van een jaar of drieëndertig, met gitzwart, licht krullend kort geknipt haar en zware dito wenkbrauwen. Ik stap daar dus binnen met mijn staf en mijn zilveren geitenbaardje. Ik veronderstel dat een jongen met die leeftijd en positie wel de leeftijd kan schatten van een heer van boven de vijftig. For the record, ik ging gehuld in mijn roestbruine, subtiel gestreepte Harris Tweed-colbertje “Hand woven in the Outer Hebrides”. Je zou er toch mogen van uit gaan dat een bestuursassistent, of een Adviseur, Godbeterd, geleerd heeft dat je een man in kostuum in dit werelddeel niet moet betuttelen? “We zullen eens ziiiiiiiien” kinkt het toch luid en vol vervreemdende neerbuigendheid als ik hem vraag naar één zegel Europa. Alsof hij zich een hersenarts weet die een ingreep gaat doen waar mijn leven van zal afhangen en zijn reputatie. Wat een arrogantie.

Maar ik begrijp dat. Welke man kan scheefgroei in het hoofd vermijden als hij voor een bureel-beroep kiest en dat al twintig jaar beoefent? Als ik de toelichting geef dat de zending is teruggekomen, en ik daarom een zegeltje méér behoef, schudt hij het hoofd “Dan moet u drie nieuwe zegels plakken, de andere twee zijn dan gedevaloriseerd!”. Mijn antwoord zal trotse pennenlikker wel niet hebben zien aankomen: “Dat doe ik niet”, zeg ik terwijl ik recht in zijn ogen kijk. En ik draai mij om en stap buiten. “Wat een razernij in het Instituut De Post. Dat is je reinste waanzin!” Bij vorige gelijkaardige gevallen in afgelopen jaren had ik gewoon thuis een extra zegeltje geplakt, en de zending was opnieuw de wereld om gegaan en toegekomen.

Als ik buiten mijn paard, pardon, mijn hond losmaak van de glanzende stalen reling (waarlangs rolstoelgebruikers naar boven kunnen), kijk ik even om, door het raam naar binnen. De jongeling staat bijna onbewogen maar gebogen, intens in gesprek met zijn oudere, vrouwelijke collega. Dat wil ik geloven. Er valt wel iets uit te leggen bij de Geest die op brutale manier maar volkomen onterecht meent dat hij mag heersen in dit landje.

Stefaan Hublou Vojvoditz

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!