Bron: Pixabay
Opinie - Piet Arfeuille

‘La Ballade des gens heureux’

maandag 23 september 2019 15:16

In de straat waar ik woon, is een café waar ik dikwijls koffie ga drinken. Het is een volkscafé dat in alle opzichten de etnische diversiteit van de buurt weerspiegelt. De wijk ontstond omstreeks 1860 als arbeiderswijk en werd in Vlaanderen vooral roemrucht na een Panoramareportage in 1988 over het ontstaan van het Vlaams Blok. ‘Vooral het taalgebruik waarmee migranten werden omschreven, veroorzaakte toen veel commotie,’ lees ik op de Wikipedia pagina.

Toen ik hier in 2006 kwam wonen moest ik erg wennen. In vergelijking met de voorspelbare gezapigheid van de binnenstad viel mij met name de luidruchtigheid op en de plotse vechtpartijen op straat. Op de eigenste dag van mijn verhuis was ik vanuit m’n auto eersterangstoeschouwer van een carjacking op een kruispunt vlak voor mij. Ik dacht aan mijn ouders die op hetzelfde moment de stad binnenreden om een handje te komen toesteken. Welkom in de grootstad.

Op vrijdag is er markt op het grote plein vlakbij mijn huis. Als ik met m’n boodschappentas het café binnenkom, zie ik de vrouw zitten waar ze altijd zit. In de hoek. Tussen mannen. Kaartend. Ze kijkt me aan en lacht vriendelijk. Bij wijze van groet. Ik ken haar als een montere vrouw die geniet van het kaarten en dapper haar mannetje staat in het spel. Als de mannen met veel pathos tegen elkaar uitvallen omwille van een gemiste slag, brult ze luidkeels mee, minstens even fanatiek. Af en toe zingt ze mee met de muziek en harkt ondertussen de kaarten naar zich toe. Ze drinkt bier. Zoals iedereen hier. Jupiler uit het flesje. Als ik m’n boodschappentas neerzet, lacht ze me nog eens vertrouwelijk toe. Ik lach terug. We hebben nog nooit met elkaar gesproken.

Ik ken ondertussen best veel mensen in dit café. Nou ja, wat is kennen? Ik kom er, zoals gezegd, koffie drinken, blader in de krant waarop ik niet geabonneerd ben, lees m’n horoscoop en verbaas me erover dat die bijna altijd klopt, iets waar ik verder niet over nadenk, en omdat ik daar regelmatig kom, behoor ik inmiddels tot het meubilair, wat in een café meestal betekent dat niemand opkijkt als je binnenkomt. Behalve zij dus. Ze staat op om naar de wc te gaan. Moeizaam. Ze heeft last van haar heup.

Een enkele keer heb ik wel eens een gesprek met één van de stamgasten. Met Hubert bijvoorbeeld – in het café zeggen ze Hubèrke – die alleen met me praat als hij totaal beschonken is. In één van die lal-gesprekken, waarbij ik voornamelijk knik maar meestal niets begrijp, is hij te weten gekomen dat ik theaterregisseur ben. Op avonden dat de ondraaglijke lichtheid in z’n nek is gaan zitten, wiebelt hij op me af, steekt demonstratief zijn duim in de lucht en slist het woord ‘theaterregisseur’. De hoog in de lucht priemende duim interpreteer ik als ‘respect!’ of iets van dien aard. ‘Is datgene wat je regisseert om te lachen?’ is de vraag die hem het meeste bezighoudt. Zonder hier totaal ernstig op in te gaan, leg ik hem uit wat een tragi-comedy is. Hij kijkt me aan alsof hij het hoort donderen in Keulen. Dan steekt hij met grote beslistheid opnieuw z’n duim op.

Ik zie die mensen wel graag. Op een bepaalde manier. Na al die tijd. Of laat ik zeggen dat ze mij raken. In hun alledaagse routine, die verraadt dat er weinig anders in hun leven is dan dit standvastige caféritueel. Soms totaal onverwacht, als ze een flard uit hun geschiedenis vertellen en ik versteld sta over het desolate en uitzichtloze verhaal dat onder hun drankzucht huist. Ze dragen elkaar. Letterlijk. Als het nodig is. Wankelend door de straat, de armen in elkaar gehaakt. Maar ook daadkrachtig als er iets met één van hen gebeurt. Als die of die iets ‘voorheeft’. Dan worden er zaken georganiseerd en daar moet niet over nagedacht worden.

Als ik diezelfde vrijdagavond laat binnenkom voor een slaapmutsje, zie ik de armzalige restanten van een aflopend feestje. De muziek staat harder dan anders en op de toog zie ik een bord met zoutjes, zwanworstjes en uitgelopen ketchup. Mondain kan je het niet noemen. Op de hapjes zitten prikkertjes met vlaggetjes van verschillende Europese landen. Mijn kaartvriendin zit wat droefgeestig voor zich uit te staren op een kruk aan de bar. In de loop van de dag is ze van de kaarttafel opgeschoven richting toog. Maar we zijn inmiddels wel bijna twaalf uur verder. ‘Wat is de waarheid?’ hoor ik haar licht verongelijkt zeggen, ze spreekt het gewoon uit, voor niemand specifiek, voor zichzelf, voor haar biertje dat op de toog staat te verschralen. ‘Wat is de waarheid?’ Zie daar, voorwaar, een grote filosofische vraag. Die in het onbestemde blijft hangen. Niemand in het café voelt zich geroepen hier op in te gaan. Op de vraag ‘wie drinkt er nog iets,’ komt doorgaans sneller een antwoord.

Waar is datgene wat als waar aanvoelt. Wat voorstelbaar is, en aan onze ervaring raakt. Een kwestie van taal dus. Want het is de vorm ‘die de inhoud voor mekaar krijgt.’ Zo kan een compleet tegenovergestelde inhoud even waar aanvoelen omdat hij treffend geformuleerd is en weer een andere snaar raakt. De waarheid is dus nooit één, maar complex en tegenstrijdig, en daarom zijn we als mens ook vaak op onze intuïtie aangewezen, in de hoop dat we daar snel en makkelijk bij kunnen. Dat bedenk ik me. Maar het lijkt me onbegonnen werk om dat met haar te delen.

‘Ik ben geen racist,’ murmelt ze voor zich uit. ‘Ik kom hier in dit café!’ argumenteert ze, impliciet verwijzend naar de cafébaas die een ingeweken Armeniër is, die z’n klanten altijd vriendelijk de hand schudt en bovendien ook nog eens voortreffelijk in het pak zit. ‘Maar ik heb wel op het Vlaams Belang gestemd,’ ratelt ze verder. Om haar heen drukken uitgedoofde gezichten zich tegen het glas van de flipperkast, een breed glimlachende vrouw met hoed duwt een liedje op de jukebox, aan beide kanten van een tafeltje wordt druk overlegd en gegesticuleerd in een taal die ik niet kan definiëren.

‘Want zo kan het toch ook niet verder,’ valt nog uit haar mond. Op de jukebox begint Gerard Lenorman. En alsof dit één of ander vooraf met iedereen doorgesproken teken betreft, ontwaakt het hele café en zingt mee.

Notre vieille terre est une étoile, ou toi aussi tu brilles un peu. Je viens te chanter la ballade, la ballade des gens heureux.

‘Ik ben geen racist,’ bevestigt ze nogmaals als Lenorman zijn vreugdeboodschap heeft neergelegd. En onmiddellijk daarna: ‘Ben ik een racist? ‘ Ze stelt zichzelf de vraag en ik zie haar in haar brein afdalen met de laatste beetjes hersenkracht die haar rest. Ik ben al enigszins gerustgesteld dat ze zich wel vragen blijft stellen. Ervan overtuigd dat het pas echt gevaarlijk wordt als we de waarheid in pacht menen te hebben, blijf ik zweren bij vraagstelling en twijfel.

‘Zo kan het toch niet verder.’ ‘Er moet toch iets gebeuren.’

Sloganeske taal die ons al decennialang voorgekauwd wordt, en door de werking van de tijd gewoon is geworden: door langdurige exploitatie verheven tot waarheid. Schijnwaarheden. Die ook nog eens aan elkaar gelinkt worden. Verkeerde verbindingen. Een te beperkte aandacht voor de sociale behoeftes van de gewone man, een terechte verzuchting, die kromtrekt omdat ze gekoppeld wordt aan een zondebokverhaal. ‘Als het niet goed met me gaat, dan is dat de schuld van de ander.’ Het moet toch iemands schuld zijn. Die causaliteit is onuitroeibaar. En aangepraat. Want ‘eigen volk eerst’ suggereert- of je het nu wil of niet- dat de allochtoon eerder bediend wordt dan de geboren en getogen Belg. Stoere anekdotes over vluchtelingen die hier allerlei cadeaus krijgen, titanenverhalen die onvoldoende tegengesproken worden door politiek en media.

In het oude Griekenland was de pre-occupatie met waarheid groter dan in deze tijd, lijkt het wel, als ik lees in het boeiende boek ‘Waarheid spreken’ van cultuurfilosoof Rob Devos. Ook daar worstelde de democratie met een dilemma dat sinds de verkiezingen van eind mei ook weer op onze agenda staat: hoe moet je een partij waarop zoveel mensen stemmen- een bad waar dus ook mijn lieve cafévriendin in meegetrokken is- benaderen als je tegelijkertijd racistische stemmen uit het debat wil weren?

De democratische gelijkheid, die alle verkozen burgers toelaat zich uit te spreken, staat op gespannen voet met de politieke noodzaak alleen die burgers aan het woord te laten die het algemeen welzijn behartigen. Een complexe tegenstrijdigheid die inherent is aan de democratie.

Welke intellectuele en vooral ethische kwaliteiten zijn vereist voor waarheidsspreken? Daar waar het publiek en de toehoorder belangrijker worden dan het onderwerp zelf krijg je retoriek. Het waarheidsspreken, de parrèsia zoals de Grieken dat noemden, veronderstelt een exclusieve en geëngageerde band tussen de spreker en zijn onderwerp. Als het sturen van gedrag belangrijker wordt dan de boodschap, komt de verleiding om de waarheid geweld aan te doen meteen om de hoek kijken.

In de parrèsia is de toehoorder geen discussiepartner die overtuigd moet worden, en al zeker niet iemand die over de streep getrokken moet worden om ‘zijn stem te geven aan’ …

Als je dan kijkt naar de voetjeslichtende veldslag die bij nieuwe verkiezingen telkenmale op het televisiescherm aan ons voorbijtrekt, dan kun je niet veel anders dan besluiten dat ook de politiek- naast zoveel andere domeinen- ten prooi is gevallen aan de onzalige vermakelijkheid van deze tijd, met dank aan de media voor het faciliteren van deze – het woord alleen al – verkiezingsshow!

Het vrijuit en onverbloemd spreken is absoluut een kwaliteit van de parrèsias maar verbonden aan een ethische component en niet verwikkeld met machtsuitoefening en manipulatie. Zie daar het verschil tussen de echte waarheidsspreker en de soms overgewaardeerde vrije meningsuiting. Tussen een spreken dat het juiste midden zoekt vanuit deugdzaamheid, en een roekeloos ‘erop los praten’ waarbij de dubbelzinnigheid niet geschuwd wordt.

Te midden van deze Babylonische spraakverwarring is het voor de burger niet makkelijk kiezen. Hij moet ‘een onderscheid kunnen maken tussen waar en vals, tussen drogredenen en echte argumenten, tussen het aanlokkelijke en het waardevolle, tussen eigenbelang en algemeen welzijn, tussen de korte en de lange termijn.’ (dixit Rob Devos)

Dat is veel gevraagd. En met het tanende geloof en vertrouwen in de instituties, groeit dan ook de neiging om een foertstem uit te brengen.

Ondertussen vloeit gelukkig wel steeds meer inkt over de terechte verzuchtingen die aan de basis liggen van wat misschien al te makkelijk wordt afgedaan als ‘verzuring’. Politici haasten zich evenwel om dat- geheel in het verlengde van hun o zo gekoesterde logica- toe te schrijven aan economische tekortkomingen en alle oplossingen ook in dat kamp te gaan zoeken. Meer jobs, ja natuurlijk meer jobs. Een goed geregeld pensioen op een verdedigbare leeftijd enz. …

Maar dat mensen een gevoel van zinloosheid hebben, is niet alleen maar het gevolg van meetbare en materiële parameters maar vooral ook de uitwas van een maatschappelijke inrichting die al veel te lang geen aandacht meer besteedt aan sociale cohesie. De vreugdevolle zegetocht richting individuele vrijheid, die een fundament van het neo-liberalisme is, heeft een ommekant die zo stilaan onontkenbaar is geworden: de kwalijke gevolgen van onze obsessie met werk, de desastreuze impact van de prestatiedruk op onze psyche, de totaal niet meer vormgegeven behoefte aan samenzijn en connectie met anderen.

In dat neo-liberale paradijs is de ommekant van individualisme eenzaamheid. Het gevoel geen betekenis te hebben, een radertje in het netwerk te zijn, waar niemand wakker van ligt, noch van je functioneren, noch van je disfunctioneren. Want the show must go on. En de attractie moet de lucht in, of je nu wel of niet gelukkig in het kermisstoeltje zit.

Betekenis ontleen je allerminst aan deel uitmaken van deze hele productiemachine. Betekenis ontleen je aan het gevoel dat wat je doet, er iets toe doet. Je betekent iets als je in de ogen van anderen iets betekent. Maar zoek dat maar eens uit in een samenleving die van het sociale verhaal geen prioriteit meer maakt.

Dit is wat arts en psychotherapeut Alain Mahjoub zegt in een interview met Ann-Sofie Dekeyser: ‘Miljoenen jaren hebben we geleefd en gedacht als leden van een groter geheel, een gemeenschap. Dat heeft ons evolutionair veel opgeleverd en dat zit nog altijd diep in onze genen. Al die tijd was de samenleving gebaseerd op nabijheid met elkaar en met de natuur. Het contrast met ons huidig leven kan niet groter zijn. We zijn genetisch niet aangepast aan de razendsnelle, abstracte en egoïstische moderne beschaving.’

Het is voorbij middernacht, als datgene gebeurt waar ik al enige tijd voor gevreesd had: mijn lieve kaartvriendin valt van haar barkruk. ‘Aiai,’ denk ik, ‘haar heup!’ Als ik rechtop veer, zie ik dat de 2 meest nabije cafégangers al in de weer zijn om haar op te tillen. Als ze even later weer op haar kruk zit, meen ik te zien dat ze stilletjes huilt. In elk geval breekt de vermoeidheid genadeloos door op haar gezicht.

‘Wie gaat er voor mij zorgen?’

‘Wie gaat er voor mij zorgen?’

Als ik de komende week het café zal binnenstappen, en haar aan de kaarttafel zal zien zitten, zal ze naar me opkijken en lachen, en niets meer weten, of besloten hebben het te vergeten, het uit te wissen. Dan zal het eruitzien alsof ze haar leven onder controle heeft. Zo zien mensen eruit als ze niet gedronken hebben.

Als ik iets later de kroeg verlaat, galmt het zachtjes door mijn hoofd:

Journalistes, pour ta première page,
tu peux écrire tout ce que tu veux
Je t’offre un titre formidable:
La ballade des gens heureux.
Je t’offre un titre formidable:
La ballade des gens heureux.

 

Piet Arfeuille is artistiek leider van theater Malpertuis.

Creative Commons

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!