Kunnen we tegelijk zonder kernenergie én zonder steenkoolcentrales of andere fossiele brandstof? Tegen het jaar 2050? Ik zeg JA!

Kunnen we tegelijk zonder kernenergie én zonder steenkoolcentrales of andere fossiele brandstof? Tegen het jaar 2050? Ik zeg JA!

zaterdag 26 maart 2011 22:52

Kunnen we tegelijk zonder kernenergie én zonder steenkoolcentrales of andere fossiele brandstof? Tegen het jaar 2050? Ik zeg JA!
Om de gevolgen van de klimaatontaarding binnen enige perken te houden vraagt het IPCC dat tegen het jaar 2020 géén verder stijging van de uitstoot aan broeikasgassen zou zijn en dat we tegen het jaar 2050 wereldwijd nog maar de helft zouden uitstoten tegenover het referentiejaar 1990. Dat betekent een vermindering van uitstoot met 95 à 98 % voor onze geïndustrialiseerde landen. Terwijl er voor de ontwikkelingslanden nog enige ruimte voor groei gelaten wordt.
Is het mogelijk om op duurzame wijze onze energiebehoeften te voldoen tegen het jaar 2050 met een volledige afbouw van de kerncentrales en tegelijk een bijna volledige afbouw van centrales op fossiele brandstof? Om te beginnen in onze geïndustrialiseerde wereld. Ik zeg volmondig “ja!”. Droom ik dan? Waarop steun ik om dit te beweren tegen de heersende trend in?
Heel wat studies werden uitgevoerd. Ik hoef die niet over te doen. Beter is ze te interpreteren.
Twee grote NGO’s, WWF en Greenpeace hebben studies besteld bij gerenommeerde grote studieburelen en hebben aan de pers een plan voorgesteld hoe het kan tegen 2050.
Maar evengoed zeggen ingenieurs van studieburelen zoals het VITO dat. Ook vele ingenieurs van bedrijven stellen dat koolstofvrij tegen 2050 best kan. Ik volgde dit op in studiedagen van de ingenieurskoepel KVIV. In Groot Brittannië schreef de milieuactivist George Monbiot een heel boek hoe het koolstofvrij zou kunnen in dat land. De Nederlandse vertaling onder de titel “Hitte” geeft bruikbare ideeën ook voor ons land. Ook al blijkt hij er nu op terug te komen.
Wat verstaan we onder koolstofvrij tegen het jaar 2050? Hoe interpreteren we dat? De antwoorden lopen nogal uiteen. De randvoorwaarden waarop de studies steunen lopen natuurlijk ook uiteen. Ik wil mijn redenering opbouwen vanuit de interpretatie van die randvoorwaarden om te bewijzen dat ik niet in het luchtledig praat. Alle studies hebben apart hun waarde. Door de verschillende pluspunten te combineren verkrijgen we een sterkere argumentatie.
De Décroissance-stroming in de klimaatbeweging predikt dat indijking van de broeikas uitstoot enkel kan met een sterke wijziging van de consumptie en met een weigering van verdere groei van de economie. Een eerste opmerking is dat het begrip “verdere groei van de economie” niet automatisch gelijk geschakeld kan worden aan een verdere vermeerdering van broeikasgassen. Gewoon omdat een verdere groei op basis van duurzame koolstofvrije energie géén meeruitstoot geeft aan broeikasgassen. De studies van Greenpeace en WWF hebben het voordeel dat ze wél uitgaan van een verdere groei van de economie met gemiddeld 3,39% per jaar (wereldwijd gemiddelde). Dat ze ook een verdere stijging van de wereldbevolking tot 9 miljard in 2050 in rekening brengen. Het kan dus volgens hen.
Greenpeace behoud nog een klein deel kernenergie in haar scenario. WWF behoudt CCS in haar scenario. CCS is het afvangen van CO2 uit de rookgassen en opslag in de zeebodem of ondergronds. Wij zouden eerder uitgaan van volledige uitdoving van kernenergie op korte termijn. Wij weigeren ook CCS enerzijds omwille van de absurde verspilling aan energie en anderzijds omwille van het doorschuiven van de risico’s naar de komende generaties. Bijkomend zeggen ook al heel wat ingenieurs dat CCS achterhaald is. Vergelijkende studies tonen dat de enige werkelijke verwijdering van CO2 uit de atmosfeer de normale omzetting in plantengroei is. Er wordt verder gestudeerd om dit versneld te doen. Bijvoorbeeld door rookgassen door zout water te leiden en de CO2 om te laten zetten in algenmassa, die geoogst kan worden. Een andere piste, die ik ook de moeite waard vind, wordt uit de doeken gedaan door de Amerikaanse chemicus en Nobelprijswinnaar George Olah in zijn boek “Beyond oil and gas: the methanol economy”. Je kan de brandreactie onder bepaalde omstandigheden omkeren en CO2 uit rookgas laten reageren met waterstof, waarbij je methanol vormt. Methanol wordt ook houtalcohol genoemd, het is de eenvoudigste vorm van alcohol. Het is een basisbouwsteen in de petrochemie en kan ook gebruikt worden als brandstof.
Beide studies (van Greenpeace en WWF) gaan uit van verbeterde energie-efficiëntie, zowel in de productie als in de infrastructuur. Verbeterde energie-efficiëntie in de productie is het verlagen van de benodigde energie om een bepaalde hoeveelheid producten te produceren. Verbeterde energie-efficiëntie in de infrastructuur zijn zaken zoals verbeterde isolatie van gebouwen, verbeterde brandstofprestatie van het wagenpark, minder energieverbruik in gebruiksapparaten zoals koelkasten,… Wij ook zijn absoluut voor die zaken. Maar we gaan verder We zijn bovendien voor verbeterde energie-efficiëntie op het vlak van organisatie van de maatschappij. Wij vragen niet enkel een herdenken van productie, transport en distributie maar ook van de gehele ruimtelijke ordening én eigendomsverhoudingen.
Dat het herdenken en herschikken van de organisatie van heel het land een enorme potentie heeft voor beperking van het energieverbruik illustreren we aan de hand van het petrochemisch bedrijf BASF in de Antwerpse haven. Een groot modern kapitalistisch bedrijf met duizenden arbeiders. Ook heel wat syndicale activiteit. Wat wel nodig is, maar dat doet niets af aan ons voorbeeld. Het bedrijf bestaat eigenlijk uit een 50tal productie-eenheden, die je elk op zich als een fabriekje zou kunnen beschouwen. Door die verschillende bedrijven handig te schikken wordt de reststof van de ene de grondstof van de andere. De restwarmte van de ene koeling wordt gebruikt voor de andere opwarming. Zo heeft dit kluwen in een termijn van 15 jaar, minder dan één generatie, tegelijk haar productie in volume verdubbeld en haar totale broeikasuitstoot gehalveerd. Tesamen genomen is dit een efficiëntieverbetering van 75 %, of nog maar een kwart van de oorspronkelijke benodigde energie per ton product. Trek hier de technologische efficiëntieverbetering van af, die ze natuurlijk ook uitgevoerd hebben, dan blijft er nog een aanzienlijk efficiëntieverbetering over enkel te wijten aan planmatige organisatie. Bedenk eens hoeveel efficiëntieverbetering dit zou kunnen zijn als we dat beleid zouden toepassen over heel de petrochemische industrie? Over heel de industrie in het algemeen? Over de industrie en het gebouwenpark, over de ruimtelijke ordening?
Waarop stoten we als we dit zouden willen toepassen? Waarop stootte George Monbiot, dat hij zijn standpunt over kernenergie omdraaide? Op de kapitalistische eigendomsverhoudingen. Op de ideologische weerstand van heel wat beleidsmakers die geen planmatige aanpak willen hebben die aan een socialistische maatschappij doet denken. Alles moet volgens marktprincipes gaan. Laat juist dat de grote beperking zijn die de ingenieurs uit de industriële praktijk zien. Ook zij zien het mogelijk om technologisch over te schakelen naar koolstofarme of koolstofvrije energie. Al heel wat projecten worden in de praktijk uitgeprobeerd. Wat hindert hun veralgemening? De markt! Zonder subsidies of regelgeving kunnen ze nog niet opconcurreren tegen de zelfde producten op petroleumbasis. De nodige investeringen worden maar druppelsgewijs gedaan door grote kapitalen die eerst kijken naar de waarborgen op winst op relatief korte termijn. In marxistische terminologie kunnen we zeggen dat de bestaande productiekrachten voldoende ontwikkeld zijn, maar dat de bestaande productieverhoudingen hun veralgemening afremmen. Als we socialistische productieverhoudingen zouden hebben, dan zou de omschakeling stukken makkelijker zijn.
De studies van Greenpeace en WWF blijven hangen in het bestaande kapitalistische systeem. Heel wat anderen doen dit eveneens. Hoe dan de noodzakelijke energetische omschakeling in gang trappen? Allen komen ze uit op zware prijsverhoging voor energie. Al dan niet begeleid met compensatiemaatregelen voor de sociaal zwakkeren. Zonder compensatiemaatregelen zal de doorsnee bevolking zwaar betalen, wat onaanvaardbaar is voor ons. Compensatiemaatregelen zijn vaak ook twijfelachtig, ze bereiken niet iedereen die het nodig heeft en er dient steeds weer klassenstrijd gevoerd te worden om ze te behouden. Hoogste waakzaamheid is geboden. Wij willen liever weg van heel dat concurrentiedenken, er zijn andere oplossingen denkbaar.
Onder andere energiemanagement professor Aviel Verbruggen van de Antwerpse universiteit legt omstandig uit in zijn boek “De ware energiefactuur” dat steenkool en kernenergie zwaar onder gefactureerd worden omdat allerlei verborgen kosten naar de openbare maatschappij doorgeschoven worden. Wat ten zeerste waar is. Tegen dat doorschuiven van de kosten strijden wij ook. Maar waarom weer op de blinde marktwerking betrouwen om over te schakelen naar duurzame vormen van energie, via het duurder maken van de energie? Wij zijn eerder voor een optreden vanuit de overheid die stapsgewijs aan alle sectoren oplegt om over te schakelen naar duurzame hernieuwbare energie of anderzijds evenredig aan energie-efficiëntie te doen. Bijkomend pleiten wij dat elk bedrijf of sector zelf moet instaan om de schadelijke gevolgen van zijn emissies technisch te verhelpen, door maatregelen aan de bron. Dit zou pas “internaliseren van de milieukost” zijn. Op slag worden duurzame alternatieven stukken interessanter.
Op een betoging in Antwerpen werd ik aangesproken door een 60jarige doorwinterde milieuactivist. Dat het verkeerd van mij was om te pleiten voor het uitfazeren van de steenkool, want dan zouden de kerncentrales blijven bestaan. Het omgekeerde wordt ook vaak verteld, door de kernenergielobby: de kerncentrales moeten blijven bestaan om de steenkoolcentrales uit te schakelen en zo minder CO2 uit te stoten. Terwijl grote energiemultinationals zoals “EON” pleiten voor een “goede mix” van steenkool en kernenergie en misschien nog een beetje duurzame energie. Professor Aviel Verbruggen legt in zijn boek omstandig uit dat kernenergie en duurzame energie elkaar uitsluiten .Aan te raden literatuur. We geven wat uitleg: Elektriciteit is een heel edele vorm van energie, want kan in nagenoeg alle andere vormen van energie omgezet worden en is gemakkelijk transporteerbaar via een kabelnetwerk. Elektriciteit heeft wel het grote nadeel dat ze geproduceerd moet worden op het zelfde ogenblik dat ze gebruikt wordt. Dat betekent dat we enerzijds installaties nodig hebben voor de basislast, voor het volume elektriciteit dat zowel dag als nacht steeds gebruikt wordt. En anderzijds hebben we installaties nodig die aangezet worden om de wisselende pieken op te vangen. De eerste soort dat zijn nu de grote steenkoolcentrales en de kernenergiecentrales. De tweede soort dat zijn de centrales op stookolie en op aardgas. En ook de windmolens die steeds meer gebouwd worden. Maar bij wegvallen van de pieken in het verbruik worden éérst de windmolens stilgelegd, ook al is er voldoende wind. Kerncentrales kan je niet moduleren volgens het verbruik en de steenkoolcentrales reageren ook heel traag. Bovendien wordt binnen onze kapitalistische marktsysteem het gehele elektriciteitsverbruik verkocht aan de prijs van de productie-eenheid die het laatst ingeschakeld werd. Momenteel is kernenergie relatief goedkoop omdat de installaties reeds lang afgeschreven werden en nog steeds draaien. Steenkoolcentrales zijn iets duurder, Stookoliecentrales nog wat meer en aardgascentrales nog meer. Windmolens daar en tegen zijn goedkoop. Als de aardgascentrale als laatste ingeschakeld is, dan brengt de verkoop van elektriciteit het meest op. Heel het marktdenken werkt contraproductief voor het bevorderen van duurzame energie.
Professor Aviel Verbruggen berekent en argumenteert dat de duurzame niet fossiele en niet nucleaire energiebronnen best als eerste producent genomen worden om de dag en nacht basisbehoeften te dekken. De pieken kunnen dan alsnog opgevangen worden door stookoliecentrales en aardgascentrales, terwijl steenkoolcentrales en kerncentrales afgestoten worden. Technisch kan de omschakeling zeker gebeuren in een tiental jaar, waarmee we de tussentijdse IPCC-doelstellingen voor 2020 kunnen halen. Wij kunnen die redenering volgen en daarbij een voorkeur uitspreken voor moderne “steg” aardgascentrales als tussenstap. Het is geweten dat aardgascentrales voor dezelfde warmte-inhoud, slechts de helft van de CO2 uitstoten van een steenkoolcentrale, om van de andere vervuilingparameters nog niet te spreken. De afkorting STEG staat voor gecombineerde “stoom en elektriciteitproductie gascentrale”. Men spreekt ook van “warmtekrachtkoppeling”. Elke elektriciteitsproductie op basis van fossiele brandstof of kernenergie gaat eigenlijk langs de omweg van water opwarmen tot stoom om turbines te laten draaien. Veel van de restwarmte wordt gewoon in de atmosfeer of in het oppervlaktewater geloosd. Wat een geweldig verspilling uitmaakt. Door die warmte te recupereren verhoogt de efficiëntie van de centrale naar 70% of meer, waar een steenkoolcentrale blijft hangen rond 30%. Een andere bijkomende reden waarom wij aardgascentrales wel als tussenstap zien zitten is omdat zij op termijn omgebouwd kunnen worden om te draaien op biogas of andere gasvormige nevenstromen.
De bezwaren tegen duurzame vormen van energie, die we steeds het eerst horen, zijn hun onregelmatig karakter en het groot ruimtebeslag van de verspreide installaties. Terecht wordt vastgesteld dat de wind niet altijd even hard waait en dat de zon ’s nachts niet schijnt. Een eerste antwoord is dat gelijkstroom over veel grotere afstand kan vervoerd worden dan wisselstroom zonder al te veel energieverlies. We hebben het over leidingen van duizenden kilometers. Over die afstand waait de wind wel altijd ergens. George Monbiot verduidelijkte dit voor Engeland en West-Europa. In China worden dergelijke leidingen momenteel al aangelegd, vernam ik van een ingenieur die er mee bezig was.
Een tweede meer structureel antwoord vertrekt van de vaststelling dat die duurzame bronnen vaak veel meer kunnen produceren dan het momenteel verbruik. De kneep ligt dus in het opslagen van die overtollige energie bij piekproductie om achteraf te gebruiken. Opslagsystemen voor elektriciteit dus. Klassiek denkt men aan batterijen. Maar dat is ondoenbaar voor die grote volumes. Het ingenieursstudiebureau Royal Haskoning heeft een doenbare oplossing uitgewerkt samen met de Nederlandse provincie Limburg: een “ondergrondse pompaccumulatiecentrale”. Het werkt zoals de bestaande bovengrondse pompaccumulatiecentrale van Electrabel in het Belgische Coo. Hun oplossing bestaat uit een meer van 30 ha als bovenreservoir en een uitgegraven benedenreservoir op 1400 meter diepte. We hebben de nodige mijnbouwingenieurs om dit te verwezenlijken. Wanneer er een piek in de elektriciteitsvraag is, opent men de kranen en stort het water door schachten 1400 meter diep waar het turbines doet draaien. Bij dal in het verbruik wordt het water terug naar boven gepompt met dezelfde turbines in pompmodus. De installatie is uitgetekend voor een opslagcapaciteit van 8 gigawattuur, dat is van dezelfde grootte orde als de nieuwe steenkoolcentrales die men vandaag de dag probeert door te duwen en die wij proberen tegen te houden. Het rendement is 79%, opstart is binnen de minuut. Maar kostprijs 7 miljard. Dat is tot nu toe de drempel om het uit te voeren. Zoals ik al zei, de productiekrachten zijn voldoende ontwikkeld, maar de productieverhoudingen remmen af.
Er zijn nog heel wat andere denkbare opslagmogelijkheden, die her en der al gebruikt worden. Een goed voorbeeld is die handelaar in diepvriesproducten die een eigen windmolen plaatste. Als de windmolen goed draait, koelt hij zijn diepvrieskasten veel verder af dan noodzakelijk, zodat hij een ruime marge heeft als de wind wegvalt. Hetzelfde kan omgekeerd in de opslagtanks van de petrochemie, zoals de vloeibare opslag van bitumen bijvoorbeeld: veel verder opwarmen dan de minimum opslagtemperatuur om zo de dalen in de elektriciteitsproductie op te vangen.
Perslucht is nog een goed doenbare opslagmogelijkheid. In de petrochemie wordt voor vonkvrij werk een beroep gedaan op boormachines en ander draaiend gereedschap op persluchtenergie. Het is een relatief simpele mechaniek. Waarom niet veralgemenen? In het zuiden van Frankrijk is een bedrijf begonnen met auto’s op perslucht te bouwen.
Koude-warmte-opslag is een nieuwe techniek om energiearm gebouwen te verwarmen of af te koelen door middel van warmtepompen. Het werd toegepast voor het Klina-hospitaal in Brasschaat en voor het Academisch Ziekenhuis Sint Vincentius in Antwerpen. Toepasbaar daar waar stabiele grondwaterlagen zijn. Met relatief heel weinig energie voor de warmtepompen wordt bij koude dagen warmte uit de ondergrond naar boven gehaald en bij warme dagen koude om af te koelen. Omgekeerd wordt de weggenomen warmte bij de koelingsmodus terug in de grondwaterlagen opgeslagen. Het VITO richtte de firma “Terraenergy”op om dit commercieel uit te baten. Tesamen met doorgedreven isolatie is koudewarmteopslag een enorme besparing in energieverbruik met behoud van een hoog comfort.
Ingenieurs van het VITO spelen met de gedachte heel het toekomstig elektrisch wagenpark als opslagbatterij te gebruiken. Je kan ze bij pieken in de productie meer opladen dan nodig voor de geplande af te leggen afstand en het overschot weer naar het net leiden bij dalen in de productie. Zij spreken van een “slim” elektriciteitsnetwerk dat signalen uitzendt wanneer welke toepassing mag gebruikt worden. Zo komen we ook bij de gedachte die bij verschillenden mensen leeft om bepaalde energiebronnen specifiek voor te behouden voor bepaalde toepassingen. Dat zou het bewustzijn over het energieverbruik verhogen en aansturen op zuinigheid. Maar vooral zou het gehele netwerk beter beveiligen tegen uitval door een wanverhouding tussen productie en verbruik, zoals nu wel eens gebeurt.
Een andere bekende opslagmogelijkheid is overtollige elektriciteitsproductie te gebruiken voor de hydrolyse van water naar zuivere zuurstof en zuivere waterstof. Zuurstof en waterstof worden alom gebruikt in de petrochemie. Ondergrondse transportleidingen liggen door heel het industriegebeid langs de Atlantische kust, van Duinkerken over Antwerpen naar Nederland en Duitsland. Het elektrisch splitsen van water in zuurstof en waterstof is een overbekende techniek. Maar die wordt momenteel enkel gebruikt als men zeer zuivere waterstof nodig heeft. Blijkbaar is het nu nog altijd gewoon goedkoper om waterstof te maken door het kraken van nafta of aardgas of andere organische stoffen, wat op zich ook weer veel CO2 in de lucht brengt, niet enkel door het benodigde energiegebruik maar ook door de splitsingsreactie op zich. Eigenlijk is dit gewoon achterlijk en milieuonverantwoord. Het zou op redelijk korte termijn verboden moeten worden. Waterstof en zuurstof zijn door hun aard volumineuze gassen en redelijk gevaarlijk bij ondoordachte behandeling. Niet te doen voor individueel verbruik. Maar in de petrochemische bedrijven is de nodige vakkennis aanwezig om hier verantwoord mee om te gaan. Waterstof kan benut worden als reactiestof in verschillende chemische processen, als rechtstreekse brandstof of als reactiemiddel om CO2 te neutraliseren tot methanol zoals hoger gezegd. De zuurstof kan benut worden om allerlei oxidatiereacties die nu met lucht gebeuren sneller te laten verlopen door aanrijking met zuivere zuurstof. We hebben het over alle klassieke verbrandingsovens in de industrie, waardoor ook minder stikstofoxiden gevormd worden in de rookgassen, dan in verbrandingsprocessen met gewone lucht. Stikstofoxiden zijn ook een gevaarlijk broeikasgas! We hebben het verder ook over allerlei aërobe waterzuiveringsprocessen. Door zuivere zuurstof te injecteren in plaats van atmosferische lucht verbruikt het zuiveringsproces minder energie voor zijn pompen. Deze technieken worden al toegepast, maar zouden veralgemeend moeten worden.
Als we over onze grenzen kijken, dan zien we dat Iran bijvoorbeeld ook al waterstof gebruikt om ijzererts om te zetten tot ijzer. Deze reductiereactie wordt traditioneel bijna overal uitgevoerd met behulp van cokes. Cokes dienen niet enkel om de nodige warmte op te leveren maar ook om het ijzererts te reduceren, waarbij grote hoeveelheden CO2 vrij komen. Blijkt dat dit met waterstof evengoed kan, zonder de vrijstelling van CO2. Spijtig genoeg produceert Iran zijn waterstof nog steeds uit aardgas, dat ze anders gewoon zouden affakkelen. Voor ons is het wel een demonstratie dat ook de staalindustrie in ons land zou kunnen overschakelen op koolstofarme productiewijzen.
Blijft de kwestie van het plaatsbeslag. Bestaande studies, zelfs ook het milieueffectrapport van EON, zien mogelijke oplossingen voor windmolenparken in de Noordzee. Dat kan gecombineerd worden met wateropslag achter dijken van een kunstmatig eiland. Heel wat kleinere projecten kunnen uitgevoerd worden met wateropslag in onze havendokken en kanalen. Pompen die zouden werken op het getijdenverschil kunnen de wateropslag verhogen met tientallen centimeters waardoor verspreid over ons waterwegennet turbines kunnen draaien.
In ons verstedelijkt gebied is dakoppervlak ruim aanwezig. Bij renovatie zou naar de stevigheid gekeken moeten worden. Dan kunnen die daken algemeen gebruikt worden voor verschillende toepassingen. Fotovoltaïsche panelen zijn al welbekend. Wateropwarming met zonnestraling zou veel meer aandacht mogen krijgen. En waarom niet ook regenwateropslag veralgemenen? Wat overblijft aan dakoppervlak maken we groendaken.
Samenvatting:
Duurzame energievoorziening zonder steenkoolcentrales en zonder kerncentrales is goed mogelijk.
a) energie-efficiëntie in de gemaakte producten, in de gebouwen
b) energie-efficiëntie in de productieprocessen met inbegrip van de energieproductie zelf
c) energie-efficiëntie door herdenken van de ruimtelijke ordening, door het planmatig samenwerken in industrie, door openbare iniatieven…
d) Duurzame energieproductie als basis van het energiebevoorradingssysteem
e) Sluiten van de kerncentrales, uitfaseren van de steenkoolcentrales en stookoliecentrales.
f) Tussentijds opvangen van pieken met moderne aardgascentrales met warmtekrachtkoppeling
g) Uitbouwen van accumulatiesystemen voor opslag overtollig geproduceerde energie uit duurzame bronnen.
h) Heroriënteren van de productie naar koolstofarme productieprocessen
i) Stimuleren van heel het omschakelingsproces door opleggen van emissiereductiequota’s vanuit de overheid. Emissiereductie door andere aanpak van het productieproces of emissiereductie door overschakelen aar duurzame energieopwekking.
j) Geen anti-volkse prijsverhogingen.

Referenties:
• Studie Greenpeace
• Studie WWF 3 februari 2011: “Energy report: 100% renewable energy by 2050”
• Aviel Verbruggen : “De ware energiefactuur”
• George Monbiot: “Hitte”
• Francis Meunier: “Domestiquer l’effet de serre”
• KVIV Studiedag Antwerpen 24 januari 2011: “winnen met de diepe ondergrond”
• KVIV Studiedag Antwerpen 10 februari 2011: “Duurzame chemie vanuit biomassa”
• KVIV Studiedag Antwerpen 30 november 2010: “Potentieel van algen in de industrie”
• Toespraak Gerrit Jan Schaeffer, onderzoeksdirecteur VITO op EnergyVille , Genk, 14september 2010
• Bezwaarschrift PVDA tegen de plannen van EON voor een steenkoolcentrale in de Antwerpse haven.
• Notities uit hoorzittingen en MER bij projecten van BASF en E.ON  2009, 2010

Met vriendelijke groeten,
Wiebe Eekman
 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!