Kernenergie: Problematiseren en politiseren
Kernenergie -

Kernenergie: Problematiseren en politiseren

maandag 14 maart 2011 01:10

Dirk Bannink schreef in 2005 dit artikel over kernenergie en de strijd ertegen. Aanleiding was de dreiging van een terugkeer van kernenergie in Nederland. Tussen 2005 en vandaag stond de kernenergiemaffia inderdaad niet stil en bereikte ze resultaten, ook in België. De voorbije weken nog bevestigde Leterme het principe-akkoord van Van Rompuy om de kerncentrales 10 jaar langer open te houden en klonken de stemmen voor nieuwe kerncentrales steeds luider, zelfs uit de hoek van Jong CD&V.

En plots waren er de kernrampen in Japan. Geen toeval gezien de gevaren van kernenergie, maar wel een verrassing. In eerste instantie voor de Japanse bevolking die het slachtoffer is van dit verschrikkelijke gebeuren, maar eveneens voor de propagandisten van kernenergie, ook in België. De lobbyisten van het nucleair forum, de rechtse politieke partijen,… hadden de voorbije jaren zo hun best gedaan om kernenergie te verkopen als een duurzame technologie. Ze waren erin geslaagd de perceptie van de burger te beïnvloeden en hem/haar in het kamp van de kernenergie te krijgen. Van de ene dag op de andere is de situatie echter volledig veranderd.

Ergens is er zelfs een vergelijking mogelijk met de revoluties in de Arabische wereld. Zoals de na 9/11 gecreëerde mythe van de islam als gevaar voor de “vrije Westen” doorprikt werd door de democratische verzuchtingen van de Arabische volkeren, kreeg de even gecreëerde mythe van kernenergie als oplossing voor de klimaatverandering een gigantische klap door de kernrampen in Japan.

Dirk Barrink vraagt zich af “hoe we (de strijd tegen) kernenergie weer op de agenda kunnen krijgen.” Wel, door de verschrikkelijke gebeurtenissen in Japan is het moment gekomen om het verzet tegen kernenergie opnieuw op te bouwen. Én te politiseren. Door aan te tonen dat kernenergie enkel kan gedijen in een rechts, autoritair klimaat en dat een machtige lobby de grote middelen in de strijd gooit om een mythe te creëren die het de beleidsvoerders mogelijk maakt om te kiezen voor een technologie die in het uitsluitend belang is van het kapitaal en die de samenleving met ernstige problemen opzadelt.

Kernenergie: problematiseren en politiseren

door Dirk Bannink

Kernenergie lijkt helemaal terug van weggeweest. De kranten en vooral de tijdschriften staan er vol over; het optimisme van de atoomlobby lijkt zich elke maand te verdubbelen en de positieve kanten zijn, zo moeten we geloven, legio.

Nieuwe argumenten?

Als kernenergie terug is van weggeweest, waar ligt dat dan aan? Zijn er nieuwe steekhoudende argumenten, of heeft het gewoon de wind mee? Uit welke hoek waait de wind dan? Het belangrijkste argument voor de hernieuwde belangstelling voor kernenergie is het broeikaseffect. De stelling mag bekend worden geacht: kernenergie stoot geen broeikasgassen uit, is dus schoon en zal daarom een belangrijke stap kunnen zijn in de bestrijding van het broeikaseffect. Maar evenzoveel keren is ook duidelijk gemaakt dat kernenergie wel degelijk een bijdrage levert aan de uitstoot van broeikasgassen, bijna vergelijkbaar met een ‘schone’ gascentrale. De hele uraniumcyclus levert uitstoot van broeikasgassen op: van de uraniumwinning, via de bouw van een kerncentrale, tot de bijna oneindige afval-opslag. Verder duurt het minimaal een jaar of tien voor een kerncentrale gepland en gebouwd is (terwijl er snel oplossingen moeten komen), heb je er ongelooflijk veel van nodig om een beetje resultaat te krijgen, kan de nucleaire industrie dat op dit moment helemaal niet aan en is de grootste hap van de uitstoot afkomstig van het verkeer, waar kernenergie echt geen bijdrage in kan hebben. Als we het broeikaseffect aan willen pakken, zullen we snel met oplossingen moeten komen en de grootste winst is te behalen bij het verkeer. Allemaal zaken waar kernenergie geen invloed op heeft, zelfs als het geen uitstoot van broeikasgassen zou veroorzaken, wat het dus wel doet.

Het verkorten van de levensduur van het afval is een volgend argument wat vaak genoemd wordt. Als je door het bombarderen van het afval met neutronen het lang gevaarlijk blijvend afval zou kunnen veranderen in kort levende isotopen (250 tot 1000 jaar), zou je het probleem in tijd ‘beheersbaar’ maken en daarmee ‘oplossen’. En die mogelijkheid zit er aan te komen, want ‘er wordt onderzoek naar gedaan’, dat is ongeveer de boodschap. Fantastisch! In theorie. Alleen weet iedereen dat er een groot verschil is tussen theorie en praktijk en zelfs in de theorie kleven er problemen aan die men liever vergeet te vermelden. Om te beginnen is een groot probleem dat het afval dat al bestaat voor het overgrote deel zo verwerkt en verpakt is dat het technisch vrijwel onmogelijk is het nog uit elkaar te halen en de langlevende isotopen te bombarderen. Dat afval zal dus sowieso voor hele lange periodes opgeslagen moeten worden. Want als je kernafval op deze manier wilt reduceren zul je door moeten gaan met opwerken, een van de meest vervuilende onderdelen van de kernenergie-keten. Sterker nog, je zal een complete nieuwe generatie opwerkingsfabrieken moeten ontwikkelen en bouwen omdat de huidige niet geschikt zijn…
 

Maar dan nog (even een technisch intermezzo): in brandstof dat uit een kerncentrale komt zitten ongeveer 350 isotopen die gevormd zijn door splijting van uranium en plutonium in de meest voorkomende ‘gewone’ kernreactoren. Dat afval bestaat voor 96 procent uit Major Actinides (uranium en plutonium), ongeveer 0,13 procent uit Minor Actinides en 4 procent uit Long Lived Fission Products, de lang levende splijtingsproducten. (Actiniden zijn elementen met een atoomgetal hoger dan 89 – actinium; dat zijn er ongeveer 20, met een paar honderd verschillende isotopen. Alle actiniden, behalve uranium, zijn door mensen gemaakt en komen niet oorspronkelijk in de natuur voor). De Major Actinides worden in de huidige opwerkingsfabrieken gescheiden van de rest. Om P&T (Partitioning and Transmutation zoals het officieel heet), moet je al deze stoffen scheiden (en voor de volle honderd procent wat technisch vrijwel onmogelijk is) en dan in nieuwe generatie kerncentrales (de huidige zijn niet geschikt) ‘opbranden’. Dat lukt echter niet in één keer, maar zo is de schatting, er zijn 10 tot 15 cycli nodig van scheiden (partitioning) en veranderen (transmutation) van de actiniden (ongeveer 100 jaar), nodig om een redelijk percentage kwijt te raken. Maar sommige actiniden zijn kortlevend en worden omgezet in langlevende. Sommige niet-radioactieve isotopen moeten gescheiden worden van radioactieve isotopen van het zelfde chemische element (cesium bijvoorbeeld). Dit is extreem moeilijk, maar als het niet gebeurt krijg je het omgekeerde effect en verander je een niet-radioactief isotoop in een isotoop dat wel radioactief is. Zelfs met zeer geavanceerde scheidingstechnieken is het zeer moeilijk om splijtingsproducten te scheiden. Toch zal er elke keer een scheiding van 100 procent nodig zijn. Dat wordt onmogelijk geacht, maar zonder 100 procent blijven er dus langlevende isotopen achter en blijft het afval extreem lang radioactief en gevaarlijk. Het belangrijkste argument is dat je een hele nieuwe kernenergie cyclus moet ontwerpen en dus tot in den eeuwigheid door moet gaan met kernenergie. Dat was nu net niet de bedoeling. En dan nog: het is zeer aanmatigend om te beweren dat een opslag van 1000 jaar (of zelfs 300 jaar) geen probleem is. D’r is veel gebeurt de afgelopen 300 jaar. En trouwens, als de nucleaire industrie gelooft dat de opslag veilig is waarom zou je die dan inkorten: onderzoek naar P&T (dat trouwens in de jaren zeventig al een keer stopgezet werd door gebrek aan perspectief) is het beste bewijs dat langdurige geologische opslag niet veilig kan. Of zoals in een advies van de ICK (Interdepartementale Commissie voor Kernenergie, erg pro-kernenergie in die tijd) in 1978 wordt gesteld: “De keus (tussen wel of geen P&T) kan worden vermeden indien men van oordeel is dat men beschikt over een permanente bergplaats van het gehele kernsplijtingsafval die voldoende veilig is”. Dan hoor je het eens van een ander.
 

Volgend argument is de “waterstof economie”. Wat dat met kernenergie te maken heeft is op het eerste gezicht niet zo duidelijk, maar in de publieke opinie is dat vaak op één of andere manier gekoppeld. Vergeten wordt dan dat waterstof een energie-drager is, geen energie-opwekker. Waterstof moet je produceren en dat kun je op verschillende manieren doen. De nucleaire sector wil ons graag doen geloven dat kernenergie om verschillende redenen een fantastische manier is om dat te produceren en dat zonder kernenergie een waterstof-economie vrijwel onmogelijk is… Daarom is het gevaarlijk voor een waterstofeconomie te pleiten (als oplossing voor milieuproblemen, want waterstof is schoon), zonder te zeggen hoe waterstof geproduceerd moet worden. Vooral in de Verenigde Staten wordt de discussie over waterstof gedomineerd door de nucleaire industrie, zonder dat dat expliciet duidelijk is.

Ach ja, een ander argument is dan dat we kernenergie nodig hebben als tijdelijke oplossing totdat werkelijk duurzame energie in voldoende mate beschikbaar is. Kernenergie als tijdelijke oplossing, da’s alleen al grappig. Maar in de echte wereld is het zo dat het geld dat de afgelopen vijftig jaar in de ontwikkeling van kernenergie is gestoken, de ontwikkeling van werkelijk duurzame energie alleen maar belemmerd en vertraagd heeft. Euro’s (en zo was dat vroeger met guldens ook al) kun je immers maar één keertje uitgeven. Het zou wel erg dom zij om die fout steeds maar te blijven herhalen. En hoe kun je nu iets dat zulke langdurige gevolgen en milieu-schade veroorzaakt als tijdelijk zien. Onderzoek na onderzoek wijst uit dat de inzet van (al dan niet kleinschalige) alternatieven veel sneller en succesvoller kan dan kerncentrales. Plus goedkoper, milieu-vriendelijker en werkelijk duurzaam. Tel uit je winst!
 

De lobby
 

Waarom dan toch die oplevende discussie en de snel veranderende opinie over kernenergie? Dat is moeilijk te beantwoorden. In de eerste plaats hadden we vroeger ook al de betere argumenten, hebben die nu weer, maar zoals zo vaak: het gaat nauwelijks om argumenten, maar om macht en middelen. Ontegenzeggelijk is er de laatste jaren een trend, vooral en in eerste instantie in de journalistiek, waarin het niet meer ‘cool’ is om tegen kernenergie te zijn. Uit een soort recalcitrantie (“weer eens wat anders”) worden andere standpunten ingenomen: “we plaatsen al dertig jaar stukken tegen kernenergie, dat hebben we nu wel een keer gehad”. Daarnaast is het zo dat bij gebrek aan publieke discussie (en die was er de laatste vijftien jaar niet meer over kernenergie), meningen afzwakken en argumenten verdwijnen. En dan hebben de groepen die de macht en middelen hebben om hun boodschap het best te ventileren en onder de aandacht te brengen, scoringsmogelijkheden. Daarnaast, en dat moeten we niet onderschatten, is er een trend waarneembaar dat milieuproblemen minder belangrijk gevonden worden, mensen minder kritisch zijn (hoewel het soms het tegenovergestelde lijkt, maar dat zijn onderbuik gevoelens, die eerder oppositie inperken dan bevorderen) en de ruimte die oppositionele groepen hebben is sowieso enorm ingeperkt (deels een gevolg van eigen zwakte en polderen). Groepen (zoals de anti-kernenergie beweging) hebben ook geen structuur meer waarlangs hun ‘boodschap’ verspreidt en mensen bereikt en/of gemobiliseerd kunnen worden (dat laatste al helemaal niet).
 

Net als in de rest van de maatschappij lijkt ook de ge-engageerdheid in de wetenschap verdwenen, waardoor het ontwikkelen van wetenschappelijke argumenten en het doen van noodzakelijk tegen-onderzoek steeds problematischer wordt.

De standpunten van politieke partijen in het parlement zijn ook niet bepaald hoopvol. Wel een belangrijk verschil met vroeger, waar de lobby wel garen bij kan spinnen, is dat steeds minder beslissingen door de politiek zullen worden genomen. Dat is niet omdat er zoveel hoop is dat partijen standvastig een verstandige positie innemen: het fiasco van de D66 die laf haar positie verandert over de sluiting van Borssele terwijl in haar laatste verkiezingsprogramma kernenergie nog onaanvaardbaar wordt genoemd, is symptomatisch voor het niveau. Maar ‘t gevolg is wel dat alles nu nog ondoorzichtiger en minder beïnvloedbaar geworden is. Alles lijkt nu een zaak van marktpartijen te zijn geworden, waar geen politieke discussie en besluitvorming meer aan te pas komt. Duidelijk werd dat voor het eerst bij het terugdraaien van de politieke beslissing om Borssele in 2004 te sluiten. Er kwam geen politiek besluit te pas aan het terugdraaien van een politieke beslissing een paar jaar eerder. De markt regelde het wel en dat is nu ook een gevleugeld begrip: we kunnen er niets aan doen, we hebben er niets meer over te zeggen. Het is zelfs maar zeer de vraag of een politiek besluit de bouw van een eventuele kerncentrale tegen kan houden: de overheid heeft zich niet te bemoeien met hoe elektriciteit opgewekt wordt, dat is iets wat de markt zelf wel regelt. En met de enorme centralisatie van de bedrijven op de elektriciteitsmarkt (er blijven maar een paar grote ‘spelers’ over) is de invloed op beleid nog minimaler dan die toch al was. Het beleid voor de Nederlandse elektriciteitsmarkt zal worden ontwikkeld in de directiekamers in Stockholm, Parijs, Berlijn en Brussel door bedrijven die al decennia lang in kernenergie geloven en daar grote belangen hebben. Of door een toevallige Rotterdamse zakenman (Benno Wiersma), die gelooft in zonne-energie en in de hoge-temperatuur reactor en naar verluidt volgend jaar een vergunning zal aanvragen voor de bouw van een dergelijke kerncentrale op de Maasvlakte. Maar in de Borssele affaire werd ook duidelijk dat het ambtenarenkorps zeer laks is geweest in het uitvoeren van politieke beslissingen en op sommige momenten die zelfs actief tegenwerkte. Daar (op Economische Zaken) zit van oudsher een belangrijke kernenergielobby en die zit er nog steeds.
 

Opleving?

De nucleaire lobby heeft de afgelopen periode in stilte kunnen overleven. Niet vergeten moet worden dat het nog steeds niet veel meer is dan een kwestie van overleven. Van een echte concrete renaissance van kernenergie is nog steeds geen sprake, wel van hergroepering en hernieuwd zelfvertrouwen. Het is de hoogste tijd om wakker te worden.

Wereldwijd zijn er nu ongeveer 440 kerncentrales, dat zijn er maar een paar meer dan tien jaar geleden. De gemiddelde leeftijd van die centrales is nu ongeveer 22 jaar. Om het aantal van 440 de komende tien jaar te handhaven, zouden er nu ongeveer 80 kerncentrales gepland of in aanbouw moeten zijn en er 200 moeten worden gebouwd in de tien jaar daarna. Dat is echter lang niet het geval. Nog steeds is levensduur verlenging van de bestaande kerncentrales (zoals ook met Borssele gebeurt) de enige manier van de nucleaire industrie om haar positie te consolideren. Er zijn de laatste tijd enorm veel vage plannen voor nieuw kernvermogen, in vrijwel alle landen, en de vooruitzichten en verwachtingen door bijvoorbeeld de IAEA worden zo ongeveer elke maand naar boven bijgesteld, maar concreet is er nog steeds weinig te verwachten. Er is een groeimarkt in China en Zuid-Korea en dan heb je het al ongeveer gehad. Natuurlijk zal er incidenteel ergens anders ook nog wel een centrale gebouwd worden (Z-Afrika, Frankrijk, Finland, Japan en misschien zelfs wel de VS) maar substantieel zal dat niet zijn. En hoewel de “phase-out” scenario’s van bijvoorbeeld Duitsland, België en Zweden, ter discussie staan, is het nog lang niet zeker dat dat pad ook werkelijk verlaten wordt. Maar dat zou wel een enorme tegenslag zijn, vooral omdat een land met eens een groot percentage atoomstroom een voorbeeld functie kan zijn om te laten zien dat zonder kernenergie het licht echt niet uit gaat. Maar de tijd is geweest dat we ons afzijdig konden houden. Nieuwe mensen, nieuwe impulsen en nieuw elan is gevraagd.
De grote vraag is dan ook hoe we (de strijd tegen) kernenergie weer op de agenda kunnen krijgen. En dat heeft te maken met waarom kernenergie nu in Nederland terrein wint.
 

aanzet tot discussie

Net als in de jaren zeventig is de manier om een breed scala van mensen te betrekken in de strijd tegen kernenergie om het onderwerp (ja, weinig verrassend) te problematiseren. Dat zou je kunnen proberen te bereiken door inhoudelijk op alle argumenten in te gaan en tegenwicht te bieden. Moeten we ook direct doen, en is belangrijk. Maar mijn inziens, is het heel belangrijk, om een imago van (sfeer rond) kernenergie te creëren dat veel negatieve connotaties heeft, zonder dat het nu heel erg inhoudelijk vastgelegd is. Zo was het in de jaren zeventig zo dat kernenergie tot symbool gemaakt werd voor een technocratische gecentraliseerde samenleving waar steeds minder invloed van ‘gewone burgers’ mogelijk zou zijn. En dat was iets waar veel mensen geen zin in hadden.
 

maatschappelijk verzet
 

Een korte terugblik. De verwachtingen waren hoog gespannen in de vijftiger en zestiger jaren, de ‘sky’ was nog niet eens ‘the limit’, er was geen limiet aan de ongebreidelde fantasieën over allerlei toepassingen van kernenergie en wat dat tot gevolg zou hebben voor de maatschappij (wat toen nog, en nu weer, voornamelijk vertaald werd als ‘welvaart’). Eind jaren zestig kwamen de eerste bedenkingen en in de jaren zeventig, hoewel op een staatsniveau (regeringen, elites) nog volop wilde plannen werden gemaakt, was de sjeu eraf en konden plannen alleen nog maar doorgezet worden met enorme (politionele) middelen en repressie. Zeker in West-Europa, maar ook in de VS, was de strijd rond kernenergie enorm gepolitiseerd (niet alleen links – rechts, maar ook elite – basis) en geradicaliseerd en was het onmogelijk voor de heersende orde (politiek, industrieel en financieel) om geplande kernenergieprogramma’s te realiseren. Door het gevaar in die strijd heel veel van hun voorrechten te verliezen, werd weifelend afgezien van die programma’s, soms na felle, bittere strijd (in Duitsland en Frankrijk bijvoorbeeld, soms na minder felle strijd, maar altijd met machtsverlies van de heersende orde, het establishment.
Kernenergie kan nu eenmaal alleen maar functioneren in een gecentraliseerde maatschappij, die geworteld is in grootschaligheid, vooruitgangs- (groei) denken, geloof in technologie, sterke autoriteit (sterke staat) en een zekere mate van repressie die hoort bij een autoritaire staat. Her is niet voor niets dat dat juist de zaken zijn die in de jaren zestig en zeventig bestreden werden: kernenergie werd er een symbool voor. En het is niet voor niets dat de landen waar kernenergie het (relatief) goed doet, landen zijn met een sterke gecentraliseerde autoritaire staat, het zijn niet de beste voorbeelden van democratieën: China, Japan, Zuid-Korea. Het moet dan ook niet verwonderlijk zijn, dat nu er een ruk naar rechts plaats vindt, en er een teruggrijpen op dat soort waarden zichtbaar is in West-Europa en Noord-Amerika, de roep om kernenergie weer luider klinkt.

Dat er zich een sterke staat aan het ontwikkelen is lijkt in strijd met verdergaande privatisering en liberalisering. Maar het is absoluut niet tegenstrijdig, want het gaat nog steeds om elites. De staat laat zich weer gelden als repressief instrument om bepaalde economische en politieke voorrechten te verdedigen: nationaal (of regionaal), maar zekere ook in groter verband (Fort Europa, vluchtelingenbeleid, globalisering).
 

Sterker: op dit moment wordt kernenergie zelfs heel duidelijk direct gebruikt om belangen te verdedigen (de eigen verrijkingsindustrie, door landen verrijking te ontzeggen, hoewel dat volgens alle verdragen, toegestaan is), om onwelgevallige regimes te bedreigen (veel conflicten gaan over kernenergie-programma’s: Irak, Noord-Korea, Iran) en het wordt steeds duidelijk dat weliswaar ieder land gelijk is, maar sommigen wel veel meer gelijk dan anderen: wat de een mag mag de ander beslist niet.
 

Lakmoestest
 

Wie herinnert zich niet die oude leus uit de jaren zeventig: “Kernenergie leidt tot politiestaat”. Misschien moeten we die opnieuw lanceren maar dan ietsje aangepast: “Kernenergie gedijt in een politiestaat!” Het is toch bijzonder (en een teken des tijds) dat Amsterdams hoofdcommissaris Welten kan pleiten voor een verregaande controle van iedereen die Amsterdam binnen wil. Op de vraag welke data men dan wil hebben, antwoord hij zonder blikken en blozen: “alles wat afwijkt van het normale”. Het is niet voor te stellen dat iemand daar dertig of twintig jaar (of misschien zelfs maar tien jaar) geleden mee weg zou zijn gekomen. En nu: alleen maar oorverdovende stilte!
 

In zo’n maatschappij (waar we hollend naar toe gaan) past kernenergie vlekkeloos. Kernenergie is rechts, repressief, autoritair, grootschalig, milieu-vernietigend (in de zin van technologisch denken, in tegenstelling tot aandacht voor natuur(lijke processen), past in het groei-denken en in elitairisme.

Daarom zou je kernenergie eigenlijk als een soort lakmoestest moeten gaan zien van de richting waarin de maatschappij zich ontwikkelt en dat vervolgens moeten definiëren als een richting die we niet willen. Dat zou al voldoende moeten zijn om kernenergie af te wijzen, zonder je tijd te verlummelen met inhoudelijke technische argumenten, waar nooit consensus over zal ontstaan. Vroeger werd nog wel eens geprobeerd te kijken naar wie er gelijk had wanneer er twee ergens oneens over waren, nu is dat in het publieke debat niet meer aan de orde: het is goed want er is een debat, het debat is interessant, niet wie er gelijk heeft, dat lijkt er niet toe te doen, onbelangrijk te zijn. Zolang er debat is gaan ‘we’ gewoon door met de ontwikkelingen die eenmaal ingezet zijn. Gevolg is dat de zure regen en broeikas-discussie heel lang gesaboteerd werd door een paar wetenschappers, waardoor ‘men’ kon volhouden dat ‘we’ het er nog niet over eens zijn. En dat is blijkbaar een alibi om niets te hoeven te doen, gewoon door te gaan. Zo zullen er ook altijd wetenschappers blijven, die beweren dat het probleem van het radioactief afval is opgelost (of althans heel snel opgelost zal worden). Daarom gaat het er om, nog zonder dat we inhoudelijk een discussie hoeven te voeren over kernenergie (waar we heel goed toe in staat zijn; we hebben de argumenten, dat komt er nog eens bij) kernenergie te bestrijden, omdat het een teken is dat de maatschappij marcheert in een richting die we niet willen. In de jaren zeventig zeiden Zwitserse anti-kernenergie-aktivisten al: “de gevaarlijkste kerncentrale is een veilige kerncentrale!”

Wat zijn de “onderbuik-gevoelens” van kernenergie? Waarom wil ‘men’ dan toch kernenergie, wat is het ‘appeal’, want bij de hernieuwde discussie wordt er natuurlijk niet bijgezegd welke maatschappij je er gratis bij krijgt. Enerzijds is het het simpele geloof in technologie, in de mogelijkheid van de techniek haar eigen problemen op te lossen. Anderzijds heeft het ontegenzeggelijk nog steeds iets (en weer steeds meer) met status van doen. Net als bij kernwapens geeft ook kernenergie een zekere status, je laat zien dat je tot ‘t ontwikkelde deel hoort (ook een geloof in technologie). Verder zit er natuurlijk nog een generatie wetenschappers en technologen, planologen en vooruitgangsdenkers, die hun ongelijk echt niet gaan bekennen. Het is ook het geloof in vooruitgangsdenken, in eindeloos en onbeperkt groei-denken (en kernenergie heeft nog steeds de associatie met eindeloos, “too cheap to meter”. “als we nog een paar probleempjes oplossen”) Want: besparen? Hallo, wat denk je wel! Onze individuele vrijheid is in het geding als daar over begonnen wordt. En dan de term ‘alternatieven’ voor duurzame en milieuvriendelijke manieren van energie-opwekken … Ach, zeg nu zelf, wie wil er tegenwoordig nog alternatief zijn, of geloven in alternatieven? (Geitewollensokken, sociale academies -bestaan die nog?- baarden, tuinbroeken, sandalen). Als er één term in diskrediet is gebracht in deze no-nonsense periode, is het wel ‘alternatief’. En hoewel we allemaal vinden dat we enorm individueel zijn, uniek en apart (en de reclame die daar op inspeelt met termen als “vrijheid, eigen, rebel, individu” en “nonchalant” -en dan een half uur met ons haar bezig moeten zijn om het er uit te laten zien alsof we net uit bed gestapt zijn) is het weer in om met de stroom mee te gaan. En dan is het moeilijk (en gevaarlijk, kijk maar naar Welten!) om anders, alternatief, te zijn; om buiten de boot te vallen, want de boot is immers vol en dan kom je er niet meer in!

En tot slot zullen er ook nog enkele mensen zijn die oprecht geloven dat we geen keus hebben. Maar we hebben altijd een keus! En alleen dode vissen drijven met de stroom mee!
 

Politiseren

De strijd tegen kernenergie was in de jaren zeventig een heel politieke strijd. Nu is deze, net als de hele milieubeweging, enorm gedepolitiseerd. Door deze strijd en de argumentatie weer te politiseren, door duidelijk te maken dat de keus voor kernenergie een keus is voor grootschaligheid en een groei-economie en leidt tot ondemocratische verhoudingen, kun je meer mensen bij de strijd betrekken. Door te laten zien dat kernenergie niet uit de lucht komt vallen maar gedijt in een rechts, repressief, autoritair klimaat moet het mogelijk zijn de sfeer rond kernenergie weer te problematiseren en kernenergie weer neer te zetten, als wat het is: een negatieve, achterhaalde manier van elektriciteit produceren die niet past in een gedemocratiseerde samenleving. Kernenergie moet weer gezien worden als een politiek probleem, niet alleen als een milieuprobleem.
 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!