De community ruimte is een vrije online ruimte (blog) waar vrijwilligers en organisaties hun opinies kunnen publiceren. De standpunten vermeld in deze community reflecteren niet noodzakelijk de redactionele lijn van DeWereldMorgen.be. De verantwoordelijkheid over de inhoud ligt bij de auteur.

Netjes gescheiden op papier, in werkelijkheid... Schema: guidodroomt.be
Opinie -

Inerview Ann Fransen gemiste kans: alleen echte communicatie kan vertrouwen in justitie herstellen

Voormalig onderzoeksrechter Walter de Smedt las het interview in De Standaard van Ann Fransen, de nieuwe federale procureur. Hij las een nietszeggend en vrijblijvend artikel. “Misschien kan de justitiespecialist van de kwaliteitskrant De Standaard dit gesprek overdoen en van zijn gezellige babbel ook een voor de burger dienstig interview maken?”

woensdag 26 juni 2024 19:22
Spread the love

 

Journalisten Mark Eeckhaut en Nikolas Vanhecke spraken met Ann Fransen, de nieuwe baas van het federaal parket in De Standaard van 24 juni 2024. Dat is een gelegenheid om enkele problemen naar voor te brengen, zou je denken. Het is natuurlijk afhankelijk van wat je door een interview wil bereiken.

Als je enkel een gezellige babbel met de nieuwe baas van het federaal parket wil weergeven is het aanhalen van problemen niet aangewezen. Als je de burger ook wil berichten over de problemen en de knelpunten kan je er evenwel niet naast. In de tweede kijk op zaken is de modale burger ook niet geïnteresseerd.

Maar ligt daar niet juist de opdracht van een justitiespecialist om te trachten het begrijpbaar te maken zodat alle burgers kunnen zien hoe aan recht wordt gedaan, “justice must seen to be done”.

Dit interview bleef een vrijblijvende babbel waarin slechts enkele uitspraken commentaar uitlokken. Heeft de magistratuur geen glazen plafond zoals Fransen stelt? Is spionage nu dé uitdaging voor het federaal parket? Is communicatie inderdaad belangrijk? Is er dan geen politieke inmenging in de dossiers?

Een justitiespecialist als Mark Eeckhaut had er wat anders kunnen van maken. Wat bedoelt Fransen juist met de uitspraak dat zij nooit een glazen plafond binnen de magistratuur heeft ervaren?

Het begrip ‘glazen plafond’ verwijst naar het feit dat vrouwen kunnen opklimmen in de hiërarchie van de onderneming, maar slechts tot een bepaald niveau. Daarin heeft Fransen groot gelijk. Eliane Liekendael was reeds in 1996 de hoogste parketmagistraat van ons land.

Er doet zich evenwel een ander fenomeen voor. Binnen de rechterlijke orde zijn de vrouwen in de meerderheid en maken ze meer dan 67 % uit van de personeelsleden. Het aantal vrouwen in de magistratuur blijft jaar na jaar stijgen. Sinds 2013 zijn zij in de meerderheid.

In 2019 bedroeg het percentage vrouwen in de magistratuur 57 %. Daaruit volgt de vraag waarom mannen niet meer geïnteresseerd zijn in die mooie loopbaan. Een halve eeuw geleden was de magistratuur voornamelijk een mannenberoep en waren de meeste ervan éénverdieners.

Nu zijn de meeste magistraten tweeverdieners. Is de magistratuur dan het bijberoep geworden? Het is de moeite waard om dat verder te bekijken.

“Na terrorisme is spionage dé uitdaging voor het federaal parket.” Voor de burger is deze uitspraak erg logisch. Het is een verlengstuk aan de recente revelaties over kopstukken van een extreemrechtse partij die tegen betaling voor China en Poetin spioneerden. Voor wie meer inzicht heeft in de materie vormt deze uitspraak inderdaad een uitdaging waarop het antwoord allerminst eenvoudig is.

Het knelpunt in deze materie is de dubbele vraag wie wat moet doen en hoe dat moet gebeuren. Voorheen was er een volkomen scheiding tussen de gerechtelijke opdracht van de magistratuur en de politiediensten en de enkel bestuurlijke opdracht van de inlichtingendiensten.

Volgens het grondwettelijke voorschrift van de scheiding der machten zou dat nu nog zo moeten zijn, enerzijds de onafhankelijke rechtelijke macht anderzijds de uitvoerende, onder het gezag van de ministers van justitie en landverdediging, waaronder de inlichtingendiensten opereren.

Ook het doel van deze voorheen gescheiden opdrachten was verschillend. De gerechtelijke actie gaat over misdrijven en heeft bestraffing tot doel. De inlichtingenwerking gaat enkel over wat bedreigend is voor de staat zodat het politiek beleid er bestuurlijke maatregelen kan tegen nemen.

“Maar als je tegen betaling ten dienste van een vreemde mogendheid het democratische beslissingsproces probeert te ondermijnen, dan spreken we over strafrechtelijke inbreuken” volgens Fransen tijdens het interview.

Daarom is de grondwettelijk scheiding der machten, de gescheiden werking van de rechterlijke en de bestuurlijke actie in terrorisme- en spionagedossiers ook door de feitelijke werking verdwenen. Alle diensten werken nu samen op hetzelfde terrein, met dezelfde methoden, zowel voor wat een misdrijf als voor wat een bedreiging uitmaakt.

Zoals het Vast Comité van de Inlichtingendiensten, dat toezicht uitoefent op de werking van de inlichtingendiensten, meermaals heeft geschreven is deze nieuwe vorm van samenwerking niet zonder ernstige problemen. Daarin zitten immers meerdere knelpunten.

Het gaat niet enkel over de samenwerking van de diensten maar evenzeer over het nu gedeelde gezag tussen enerzijds de parketmagistraten en anderzijds de vertegenwoordigers van de justitieminister die geen magistraat in functie zijn en die rapporteren aan de minister die een politiek mandataris is.

In deze actie is er dus een geïnstitutionaliseerde vorm van vermenging van het gerechtelijke en politiek-bestuurlijke. Daardoor wordt de geheimhouding van het gerechtelijke vooronderzoek ten overstaan van het politiek beleid sterk gerelativeerd.

Dan is er ook het probleem van de bewijsvoering. Inlichtingendiensten moeten geen bewijs leveren, aanwijzingen voor een bedreiging volstaan. In de gerechtelijke actie moet, wanneer er het gevolg aan gegeven wordt dat er wordt door bedoeld, de behandeling in een openbare en tegensprekelijke procedure voor de strafrechter, wél bewijzen worden voorgelegd.

Daarop struikelen meerdere dossiers wanneer die door een rechtbank worden beoordeeld. Een honderd bladzijden tellend arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen over de vrijspraak van de voor terrorisme vervolgde Fehriye Erdal legde er alle elementen van bloot.

In dat arrest wordt ook verwezen naar een ander bijna onoverkomelijk beletsel om in dergelijke dossiers de vereisten van het eerlijk proces te eerbiedigen. Onze inlichtingendiensten werken immers volgens het principe van de volkomen geheimhouding, de classificering volgens de aanduiding vertrouwelijk, geheim en zeer geheim.

Het zijn de diensten zelf die beslissen wat geheim moet blijven. Hun toestemming is vereist om het te wijzigen. Er is ook wat “the need to know” wordt genoemd, de vereiste om aan te tonen waarom er kennis mag genomen worden van wat geheim is.

Om het helemaal erg gecompliceerd te maken is er ook de sterke verbondenheid met de bevriende diensten binnen de organisatie van de Noord Atlantische Verdrags Organisatie (NAVO), die een gedeeltelijke afstand van soevereiniteit aan die organisatie inhoudt.

Er zijn weliswaar gegronde reden om tijdens een actie zijn verloop geheim te houden, zo niet loop je het gevaar er de doelmatigheid van te ondermijnen. Er zijn ook redenen om zelfs nadien vormen van geheimhouding te bewaren, zo niet lopen agenten die erin betrokken zijn gevaar.

Blijft toch de vraag hoe je deze vorm van strikt georganiseerde geheimhouding kan verzoenen met de eveneens dwingende vereisten van het eerlijk proces. Op deze vraag heeft Franssen een verstaanbaar antwoord gegeven:

“Ik begrijp dat communicatie in mijn nieuwe functie erg belangrijk is. Het kan alleen maar helpen om het vertrouwen in justitie te herstellen.”

Dat is een geheel andere aanpak dan deze die van haar voorganger Johan Delmulle. Hoewel de wet-Franchimont hem de machtiging heeft gegeven om, wanneer het openbaar belang dat vereist, zelfs over lopende onderzoeken mededelingen te doen, weigerde hij zelfs voor parlementaire onderzoekscommissies deze wet toe te passen.

Ook over de recente moordaanslag op twee Zweedse burgers te Brussel door Abdesalem Lassaoued nam de procureur te Brussel dezelfde houding aan: “ Wij weten het niet en jullie zullen het ook nooit weten”.

Misschien kan de nieuwe baas haar gezegde toepassen op wat naar de vereisten van de wet-Franchimont als een voor het openbaar belang meest noodzakelijke mededeling uitmaakt: minstens een antwoord op de vraag of in het Bendedossier ernstige en samenlopende aanwijzingen zijn van ontwrichting van de staat door geheime organisaties van extreemrechtse signatuur.

Dat past ook volkomen in wat nu een ‘ernstige bedreiging’ vormt. Misschien kan de justitiespecialist van de kwaliteitskrant De Standaard het gesprek overdoen en van zijn gezellige babbel ook een voor de burger dienstig interview maken?

Creative Commons

take down
the paywall
steun ons nu!