Het is zondagnamiddag en ik ga naar d’allochtonenscouts

Het is zondagnamiddag en ik ga naar d’allochtonenscouts

vrijdag 3 februari 2012 19:58

Opinie/essay/vraagstuk

Gisteren verscheen in de kranten het nieuws dat Minister Pascal Smet pleit voor de oprichting van een “allochtone jeugdbeweging”. Discussie gegarandeerd: Scouts & Gidsen Vlaanderen was er wel voor te vinden, Chiro helemaal  niet, het Minderhedenforum dan weer wel.

Ik volgde ooit een cursus hoofdanimator bij Uit de Marge, een organisatie die pleit voor, en organisaties begeleidt naar, toegankelijk jeugdwerk. De inzichten die ik daar meekreeg, zijn op een bepaalde manier belangrijker dan wat ik ooit in mijn vier jaren universiteit leerde. Vanuit deze achtergrond stel ik me bij het voorstel van de Minister vier vragen.

Vraag 1: moet elke jongere deelnemen aan het georganiseerde jeugdwerk?

Participatie aan de maatschappij, het samenleven, de actieve burger: we hebben er de mond van vol. Jeugdbeweging is een manier om “het leven” te leren: leren samenwerken, je plaats te vinden in een groep, jezelf ontwikkelen, inzicht krijgen in vriendschappen en relaties,… wie in een jeugdbeweging zit, leert heel wat bij. Niets dan voordelen dus.

Soms lijkt het echter alsof dit georganiseerde jeugdwerk de enige manier is waarop kinderen en jongeren leren participeren aan de samenleving, waarop ze echt samen kunnen spelen. Als kinderen samen gewoon in de buurt voetballen, klaagt die buurt snel van overlast. Jongeren die ’s avonds op datzelfde pleintje samen zitten en babbelen, zijn al snel “hangjongeren” die nood hebben aan een “nuttige vrijetijdsbesteding” – we gooien er liefst een GAS-boete tegenaan. Mensen storen zich blijkbaar aan “niet-georganiseerde” jongeren, voelen dit als bedreigend aan. Ook als er geen ruiten door die voetbal sneuvelen, of wanneer ze niet nageroepen worden door dat groepje jongeren.
We zien te weinig in dat ook niet-georganiseerde jongeren door dat samen voetballen of hangen net die dingen leren die de georganiseerde jongeren in hun scouts of Chiro leren: samen-zijn. En dat is veel beter dan thuis alleen op de computer spelletjes te spelen – iets wat we jammerlijk genoeg veel minder bedreigend vinden.

Niettegenstaande dit pleidooi vóór hangen, zal je me als ex-speelplein-animator niet horen zeggen dat deelnemen aan het jeugdwerk niet belangrijk is. Kansarme en allochtone kinderen en jongeren nemen véél minder deel aan dat georganiseerde jeugdwerk dan hun kansrijke leeftijdsgenoten. En daardoor missen ze opnieuw kansen. Dus het loont zeker om hier in te investeren.

Vraag 2: hoe kijken wij naar jeugdwerk? Wat is onze standaard en moeten we die behouden?

Drempels

Maatschappelijk kwetsbare kinderen en jongeren ondervinden drempels bij het jeugdwerk. Het gaat dan onder andere over kostprijs, over plaats en tijdstip, maar ook over wantrouwen bij ouders en hun soms moeilijke communicatie met de leiders/animatoren. De briefjes “je moet op tijd inschrijven! En een slaapzak meenemen!”, worden niet steeds opgevolgd, wat leidt tot negatieve ervaringen bij zowel leiders als ouders.

Maar, en dit aspect wordt vaak onderbelicht, een drempel is ook net dat “georganiseerde” aspect van het georganiseerde spelen. Aan die “organisatie” is namelijk ook een bepaalde cultuur verbonden: hiermee bedoel ik een geheel van gedragspatronen, waarden, normen,… die in een jeugdbeweging zitten.
Ik probeer dit uit te leggen met een voorbeeld. Chiro en Scouts gaan op kamp: ze slapen in tenten, sjorren in het bos een hudo, springen in de modder met jute zakken, en ’s avonds kruipt iedereen samen onder de douche, waarna er aan het kampvuur liedjes gezongen worden die iedereen kent… Op zondagnamiddag spelen ze ingewikkelde stratego-spelen: liefst met rollen, een boeman, wat intriges, drie soorten kaarten in verschillende kleuren die je moet verdienen, én een verkleedpartij.

Allemaal heel leuk natuurlijk, maar dit spreekt maatschappelijk kwetsbare kids en hun ouders niet altijd aan. Elk kind kan spelen, maar spelen “leer” je ook  – je leert bij wijze van spreken de regels van het spel. En kinderen leren dat misschien wel in de eerste plaats van hun leeftijdsgenootjes: broers en zussen, buurtkinderen, school,… Kansrijke kinderen leren zo dat “in een kring gaan staan” meestal het begin is van een leuk spel. Kansarme kinderen leren dat misschien niet.

Heel vaak hoor je dat er inspanningen geleverd worden om maatschappelijk kwetsbare kids toe te leiden naar een jeugdwerking, maar dat, éénmaal ze er zijn, ze er niet altijd hun plaats in vinden. Volgens mij is ook aandacht hebben voor de manier van spelen, hierin belangrijk. Daarnaast moet er binnen de werking ook aandacht voor groepsprocessen (het “anders-zijn” van deze kids & jongeren tegengaan) en het creëren van een vertrouwensband tussen deze kids en hun begeleiders.

We moeten investeren in toeleiden van maatschappelijk kwetsbare kinderen en jongeren, maar we moeten ook weggaan van het idee dat de traditionele Chiro en Scouts, hoe plezant ook, de standaard zijn voor een jeugdbeweging.

Laagdrempelige buurt- en wijkwerkingen

In dat opzicht is het investeren in werkingen specifiek voor maatschappelijk kwetsbare kinderen en jongeren helemaal geen slecht idee. Dat is, als het gaat over laagdrempelige werkingen: werkingen die nauw verbonden zijn aan een buurt of wijk, die vertrekken vanuit de openbare ruimte in de wijk. En die hun spelen opbouwen: eerst voetbal, later een kringspel en nog later een strategospel. Zo kunnen hun kinderen ook de regels van het spel leren. Deze werkingen kunnen een grote meerwaarde betekenen voor hun buurt: als ze ingebed zijn in een goede buurt- of wijkwerking, brengen ze ook volwassenen samen. De Chiro of Scouts kunnen dit zeker ook doen en er bestaan talrijke voorbeelden van jeugdbewegingen die dit reeds doen. Maar ik heb toch liever geen “allochtonenscouts”. Klinkt een beetje stom.

Waarderen van wat er al is

Het Minderhedenforum heeft een punt wanneer ze het idee van Minister Smet positief beoordelen (aldus de krant Metro op 03/02/2011), en tegelijkertijd wijzen het gebrek aan waardering voor de allochtone jeugdorganisaties die al bestaan. Er zijn al veel jeugdbewegingen voor en door allochtone jongeren – maar we zien ze niet altijd als jeugdbeweging. Net zoals we ook “zelforganisaties” vaak niet zien als een gewone vrijetijdsorganisatie. Dus komt het er ook op aan om ook deze verenigingen te valoriseren: het is niet omdat je in een jeugdhuis zit in en niet met jute zakken rondspringt in een bos, dat je geen goed jeugdwerk levert. Er is niets mis met gewoon jezelf zijn in je vrije tijd, integendeel.

Blijven investeren in ontmoeten

De grote angst van ‘aparte’ jeugdbewegingen is natuurlijk het doembeeld van segregatie – het jeugdwerk opgedeeld in allochtone en autochtone zuilen, zoals vroeger de socialistische en katholieke jeugdbewegingen. Dat we een maatschappij creëren waarin we elkaar niet meer kennen. Daarom is het zaak om, ook vanuit een buurt- of wijkwerking, of vanuit een ‘allochtoon’ jeugdhuis ontmoeting met de ‘reguliere’ jeugdbeweging te blijven stimuleren (en vice versa, uiteraard). Dat kan zijn een door een namiddag te gaan sjotten met de scoutte van links achter den hoek, door op regelmatige basis samen een activiteit te doen of zelfs door samen op kamp te gaan. Dat laatste bestaat trouwens al in de formule van “Open Kamp”. Iedereen recht op zijn eigen identiteit in de vrije tijd, maar tegelijkertijd mogen we niet vergeten ook samen te leven.

Vraag 3: maar wat dan met het platteland?

Al het bovenstaande geldt vandaag de dag voornamelijk voor de (semi-)stedelijke context. Werken vanuit buurt of wijk impliceert immers dat er al sprake is van een buurt of wijk. In de stad is er door de band genomen meer etnisch-culturele diversiteit dan op het platteland. Maatschappelijk kwetsbare gezinnen wonen vaak ook meer geconcentreerd. Buurt- en wijkwerking is erg relevant in “diverse” buurten, waar er “openbare ruimte” is om van te vertrekken.

Wat verder weg van de stad, floreren scouts, Chiro, KAJ en aanverwanten nog steeds en spelen ze vaak een belangrijke rol in het sociale leven van kinderen en jongeren. We denken vaak dat etnisch-culturele diversiteit hier niet zo’n rol speelt, maar dit is steeds minder waar. Ik mag me voor mijn werk onder andere bezig houden met in kaart brengen van de etnisch-culturele minderheden in de provincie Antwerpen (hier zijn voor- en tegenargumenten voor te vinden, maar dat is even niet het onderwerp van dit artikel). Daaruit blijkt wel dat ook in de Stille Kempen het leven niet meer wit-wit is zoals vroeger. Ook daar is er steeds meer etnisch-culturele diversiteit in de bevolking, en ook daar zullen ‘allochtone’ Kempische kinderen en jongeren minder aansluiting vinden bij het ‘reguliere’ georganiseerde jeugdwerk dan hun ‘autochtone’ Kempische leeftijdsgenoten.

Maar op het platteland kan je met het concept “laagdrempelige buurtwerking” niet terecht. Er is hier geen sprake van verschillende wijken en buurten. Het gaat hier over dorpen met, karikaturaal gesteld, één scouts en één Chiro, waar zowat alle kinderen heen gaan. Voor een extra werking zijn er gewoon niet genoeg kinderen en jongeren. Tenzij die kinderen allemaal naar een naburig dorp vervoerd worden, maar bepaald laagdrempelig is dat nu ook weer niet. Dus daar blíjft interculturaliseren, het laagdrempelig maken van de ‘reguliere’ werking de boodschap.

Vraag 4: tot waar gaat de vrijheid in ‘vrije’ tijd?

Interessant in dit opzicht is het feit dat het “interculturaliseren” van een vrijetijdsorganisatie in botsing kan komen met de “authentieke” identiteit van die organisatie. Een jeugdorganisatie als Koning Kevin bijvoorbeeld, werkt erg muzisch en creatief met hun kinderen en jongeren. Zij sluiten daardoor misschien weinig aan bij de leefwereld van maatschappelijk kwetsbare kinderen en jongeren. Waarmee ik geenszins bedoel dat deze jongeren niet creatief zijn, noch dat het de bedoeling is van Koning Kevin om deze jongeren uit te sluiten (integendeel zo lijkt me, op beide punten).
Maar Koning Kevin ontleent net aan dat muzische haar identiteit in het grote jeugdwerklandschap. Als zij zouden gaan ‘interculturaliseren’, zouden ze een groot deel van hun authentieke werking, en hun meerwaarde, verliezen.

Dus net in dit veld van de vrije tijd komt het “diversiteitsdebat” veel meer om de hoek kijken dan bij dienstverlenende sectoren. Dat een lokaal bestuur of een voorziening als het ziekenfonds inspanningen moet leveren om toegankelijk te zijn voor al haar burgers en cliënten, is veel vanzelfsprekender als maatschappelijke eis. Binnen de ‘vrije’ tijd is er per definitie net veel vrijheid om als organisatie te doen en laten wat je wil – en dat is maar goed ook.

Maar hoe ver ga je in het toegankelijk maken  van een jeugdbeweging? Een scoutskamp zonder moddergevecht of zelfgesjorde hudo? Niet meer samen onder de douche? Wat met (oh cliché, maar hij hoort er bij) leiders en animatoren die alcohol dringen?  Wat met jongens en meisjes die samen in één ruimte slapen? Wat met de spelen die wij spelen? Wat, dus, met alles wat ons zo “ons” maakt?

Investeren in interculturaliseren van jeugdwerk, en in het zog daarvan alle vrijetijdsorganisaties, blijft belangrijk, ook al levert het niet stante pede resultaten op. Maatschappelijke participatie is een recht voor iedereen. Maar we kunnen het diversiteitsdebat daar niet uit de weg gaan – gelukkig maakt dát het net ook zo boeiend.

Links: www.metrotime.be – metro van 03/02/2011, blz 3.; www.uitdemarge.be; www.koningkevin.be

Deze tekst representeert op geen enkele manier de visie van mijn werkgever op etnisch-culturele diversiteit en vrije tijd, maar is louter en alleen een persoonlijke mening.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!