De community ruimte is een vrije online ruimte (blog) waar vrijwilligers en organisaties hun opinies kunnen publiceren. De standpunten vermeld in deze community reflecteren niet noodzakelijk de redactionele lijn van DeWereldMorgen.be. De verantwoordelijkheid over de inhoud ligt bij de auteur.

Het blinde oog van Benhabib

Het blinde oog van Benhabib

zondag 19 juni 2022 04:26
Spread the love

Over “Islamophobie, mon oeil!” van Djemila Benhabib, uitgeverij Kennes, 207 blz.

De schrijfster en politiek activiste Djemila Benhabib is na vele omzwervingen in Brussel geland en in dienst getreden van de vrijzinnige vereniging CAL, Centre d’Action Laïque. In haar nieuwste boek bekritiseert zij het begrip islamofobie, waar zij niks van moet hebben. Zij verdedigt daarentegen wel de “laïcité”, die volgens haar een verdedigingswal tegen de politieke islam is. Dat is een begrip van laïciteit dat vreemd is aan de klassieke Franse laïcité, die een regeling was van de spanning tussen de (vooral katholieke) godsdienst en de staat en die gericht was op het “vivre ensemble”, een vreedzaam samenleven. De laïcité van Benhabib sluit aan bij de huidige Franse neolaïciteit, die een strijdbijl is tegen de islam. Benhabib is dan ook een strijdster, een felle militante. Wat is haar discours waard?

De levensloop van de schrijfster is buitengewoon: dochter van een Algerijnse vader en een Grieks-Cypriotische moeder, geboren in Oekraïne, groeit zij op  in Algerije. Daar neemt het islamistische geweld toe en wordt bedreigend, zodat het gezin vlucht naar de Parijse regio, naar Saint-Denis. Vandaar verhuist zij naar Québec, waar zij studeert. De confrontatie met de religieuze onverdraagzaamheid en dodelijke agressie van de islam in Algerije is bepalend voor haar verdere leven: in opeenvolgende boeken bekritiseert en bestrijdt zij het “islamisme”, en het hier voorliggende boek is haar nieuwste afrekening met die politiek-religieuze stroming.

Het werk is een mengeling van autobiografie, essay over eigentijdse ontwikkelingen en theoretisch betoog. De theorie is erg zwak onderbouwd. Het begrip islamofobie is vandaag een gangbare wetenschappelijke term, al bestaan er ook alternatieven voor, zoals het Duitse “Islamfeindlichkeit”, dat de psychopathologische connotaties van “fobie” vermijdt. Maar er is een behoorlijke plank boeken over het begrip en met analyses van het aangeduide fenomeen. Die laat de schrijfster aan de kant, en daarmee diskrediteert ze zichzelf.

Zij ziet islamofobie alleen als een strijdmiddel van islamisten, dat moet dienen om alle kritiek op de islam de kop in te drukken. Dat gebruik van de term is reëel, maar het is misbruik. Ook een term als racisme wordt makkelijk misbruikt, wat niet betekent dat de wetenschappelijke literatuur daarover geen betekenis heeft. Maar ik kan de schrijfster een eind volgen waar zij zich kant tegen dat misbruik. Maar niet helemaal, want zij doet élk gebruik van de term af als islamistische propaganda.

Wat met de godsdienstvrijheid?

Vanuit haar zeer negatieve ervaringen met het islamisme – de opdringerigheid, de dwang, het seksisme, en niet te vergeten de persoonlijke doodsbedreigingen die zij kreeg – trekt Benhabib ten strijde. Maar blijft er nog enige ruimte over voor de islam? Zij strijdt tegen de hoofddoek, maar die is gemeenschappelijk voor het islamisme en de vreedzamere of kalmere stromingen in de islam. Als atheïste legt zij de nadruk op het gevaar van de godsdienst, maar hoe zit het met de godsdienstvrijheid? Ik deel het atheïsme van de schrijfster, maar vindt tegelijk dat gelovigen evenveel recht hebben op hun levensbeschouwing en het beleven en uiten daarvan als ongelovigen. Als atheïst ben ik voor de acceptatie van de hoofddoek, en tegenstander van de schrijfster.

De opvattingen van Benhabib over de neutraliteit van de staat inzake levensbeschouwing vind ik nogal troebel en ongearticuleerd. Je kan vinden dat leerkrachten in het staatsonderwijs geen uiting mogen geven aan hun levensbeschouwing, maar waarom zou dat ook voor de leerlingen gelden? Die vertegenwoordigen niet de overheid, maar zijn gebruikers van een overheidsdienst. De dienst moet neutraal zijn, maar niet de gebruikers. Maar dat onderscheid maakt Benhabib niet. Ze herkauwt de al oude topoi van het islamitisch fascisme en het “München” daartegenover, de verderfelijke en fatale meegaandheid.

De neutraliteit van de staat hoeft niet gebaseerd te zijn op vermijding van elke levensbeschouwelijke uiting, maar kan net zo goed gerealiseerd worden door alle levensbeschouwingen aan bod te laten komen, zonder voorkeur of voortrekken. Maar dan kom je bij een “inclusieve” of “open” laïciteit, en daar wil de schrijfster niks van weten. De laïciteit verdraagt volgens haar geen adjectieven! En gemakshalve herleidt zij de discussie in België tot een aanval op de laïciteit. Dat is helemaal fout: de neutraliteit van de staat tegenover de levensbeschouwingen wordt helemaal niet in vraag gesteld, maar er wordt bekeken hoe zij kan worden ingevuld, en daar bestaan verschillende visies op. Maar dat wil de schrijfster niet zien, want iets anders dan de Franse neolaïciteit, geperverteerde vorm van de klassieke, kent zij niet en wil zij niet kennen.

Het extremisme van Charlie Hebdo

Als vrijzinnige heb ik het nogal moeilijk met de strijdlust en de geborneerdheid van Benhabib. Haar perspectief is niet hoe je de maatschappelijke spanningen kan verminderen en de vrijheid van levensbeschouwing kan garanderen – al zegt zij wel dat het haar daar om te doen is – maar haar aanpak werkt niet in die richting. Zij is een aanhangster van het (volgens mij heilloze) extremisme van Charlie Hebdo en verheerlijkt ook de akelig ongenuanceerde advocaat van die club, Richard Malka.

Het is dan ook geen toeval dat zij in haar boek meteen begint over de moord op Samuel Paty, de ontspoorde leraar (mijn term, maar zij vindt hem een held) die het nodig vond een obscene afbeelding van de Profeet Mohammed in de les te tonen. Zij kent het dossier niet en praat kritiekloos de ideologische prietpraat van Macron na. Daarbij maakt zij ook een koppeling tussen het  CCIF, Collectif Contre l’Islamophobie en France, en de moord op Paty. Volgens haar is de moordenaar, Anzorov, “de beul, de gewapende arm van een ideologische matrix en van een samenzwering voor publieke lynching die gesteund wordt door een weefsel van moskeeën en verenigingen, waaronder het fameuze Collectif contre l’islamophobie en France (CCIF).”

Nu het CCIF op schandelijke wijze is ontbonden door de Franse regering, die de moord op Paty misbruikte om dat te doen, en het CCIF zich in Brussel gereïncarneerd heeft als het Europese  collectief CCIE, bestrijdt zij ook deze nieuwe organisatie. Maar zij geeft geen enkel bewijs dat het CCIF gewelddadige denkbeelden huldigt. In haar polemiek creëert zij een amalgaam van moorddadige islamisten met vreedzame verdedigers van de islam, zoals het CCIF, dat mensen die het slachtoffer waren van islamofobie psychologisch en juridisch bijstond.

Benhabib begrijpt ook niets van het blasfemieprobleem. Blasfemie in de zin van een wetsovertreding, wat impliceert dat de wet God erkent en hem beschermt, bestaat niet meer in Frankrijk, maar dat wil niet zeggen dat je gelovigen zoveel mogelijk moet kwetsen om hun overtuiging. Het Charliehebdosyndroom is dat je de samenleving kan verbeteren door maximaal te kwetsen en te beledigen. Zelfs als het niet strafbaar is, betekent dat nog niet dat het een positieve bijdrage is tot een betere en vreedzamere maatschappij. Het vaak genoemde “recht op blasfemie” bestaat niet, er is geen recht op blasfemie zoals je recht hebt op hulp in nood, op gezondheidszorg of op voedsel. Blasfemie is geen levensnoodzakelijk, positief iets waar je recht op hebt, het is alleen iets wat niet strafbaar is.

België is Afghanistan niet

Voor het Centre d’Action Laïque vind ik de samenwerking met Benhabib geen aanwinst, tenzij het de bedoeling is aan extremistische profilering te doen. En haar boek zal ik niemand aanraden. De schrijfster is zeer welbespraakt en haar persoonlijke belevenissen zijn niet oninteressant.  Maar ze heeft weinig denkkracht, is slecht geïnformeerd en zeer bevooroordeeld. Haar denkkader, dat bepaald is door de terreur en de moorddadigheid van het FIS in Algerije, is een slechte achtergrond voor deelname aan het debat in België, met name in Brussel. De discussie over de hoofddoek op Brusselse scholen of in overheidsfuncties of op de bussen, over het nut of de fouten van UNIA of over de affaire-Haouach zijn niet gebaat bij haar inbreng. Haar achtergrond verblindt haar. We zijn hier in België, niet in Algerije, niet in Iran en ook niet in Afghanistan.

 

 

 

Creative Commons

take down
the paywall
steun ons nu!