Het ACW en de crisis: de haan heeft driemaal gekraaid
Beweging

Het ACW en de crisis: de haan heeft driemaal gekraaid

zaterdag 17 april 2010 20:46

BEWEGING 104 – November 2008

Redactie

In De Morgen van 8 oktober titelde Walter Pauli ‘Als Dexia zinkt, gaat het ACW mee ten onder’. Voor de auteur ligt hier, naast het feit dat Dexia ook de bank van ‘de gemeenten’ was, een van de redenen dat de regering er veel voor over had (meer dan voor Fortis) om de bank te redden. Maar waarom wordt het ACW aan Dexia gelinkt? Arcofin, zeg maar het ACW, is een zogenaamde referentieaandeelhouder in Dexia, stelt W. Pauli en voor zijn verdere analyse grijpt hij terug naar ‘het helaas ondergewaardeerde boek ‘De uitverkoop van het ACW. Een verhaal van geld en idealen’ van Didier Verbruggen. (Zie de bespreking in ons aprilnummer van 2006).

Van coöperatieve werken over Arco naar Dexia

Pauli overloopt aan de hand van Verbruggen de zakelijke evolutie die zich de afgelopen jaren in het ACW heeft afgetekend. Nog tot aan het begin van de jaren negentig van vorige eeuw zullen de coöperatieve werken van het ACW (behalve de Welvaart, al verkocht in de jaren tachtig) een hoge vlucht nemen. Dan gaat het snel. LVCC, BAC, DVV, Ultra Montes, SVAccent, Sofadi, Samkoburo en Het Volk worden overgenomen, opgeslorpt, verkocht, failliet verklaard, opgedoekt. De coöperatieve ACW-tak heet voortaan Arco. LVCC wordt Arcofin. Arcopar en Arcoplus zorgen voor de financiering van de groep. Arcofin en Auxipar zijn verankerd in diverse economische sectoren (o.a. BAC en DVV). Daarmee is de omslag gemaakt van een arbeiderscoöperatie naar een proces van institutioneel beleggen. Onder de titel ‘de haan zal driemaal kraaien’ schetste Verbruggen het verhaal van de overgang van BAC naar Bacob om dan via Artesia uiteindelijk bij Dexia uit te komen. Sinds begin 2001 beschikt de christelijke arbeidersbeweging over de grootste sociale holding van het land. Arcofin (sterkhouder van Groep Arco) keerde (in 2005) 70 miljoen euro aan dividenden uit. Een 15% daarvan vloeide naar het ACW en zijn deelorganisaties. Met handen en voeten werd het ACW dus gebonden aan het bancaire systeem. ‘De ziel van de zuil staat op de beurs genoteerd’, schreef Verbruggen in de samenvatting van zijn scriptie die aan de basis lag van het boek. In het boek (p. 253) verwoordt hij het zo: “Net als het ACW is nu ook de coöperatie ontvleesd. De arconauten zijn ten hemel gevaren. Ze laveren van belegging naar belegging aan het financiële firmament. Ver onder hen krioelt het gewone werkvolk. ‘Leden’ heeft ze nog wel, zeker. Meer dan 900.000 particulieren bezitten een aandeel in een betere wereld. Ze krijgen op dat aandeel een stevige return. Maar is de coöperatie voor hen meer dan een leverancier van materiële voordelen? Is ze voor hen een dam tegen het geweld van de multinationals dat de wereld overspoelt? Ik denk van niet.”

Het ACW parkeerde dus zijn geld bij Dexia, zegt W. Pauli en daarom wemelt het daar ook (zowel in de bank als in de holding) van veel (ex-)ACW-topmannen.

Verbruggen stelde zich (drie jaar al voor de huidige financiële crisis losbarste) de vraag of met die ontwikkelingen ook niet ‘de sociale beweging ACW’ verkocht was. Daar was helemaal geen sprake van, beweerden de ACW-topmannen toen. Is het ACW te ver mee gegaan in de eigentijdse aanpak van zakelijkheid en efficiëntie? Absoluut niet, beweerden ze. Kritiek op de verwevenheid van het ACW met de wereld van ‘de haute finance’ werd afgedaan als ‘toogpraat’. Toch stelde Verbruggen zich toen al de vraag of die ‘eigentijdsheid’ (zakelijk, efficiënt en rendabeler dan ooit) wel een goed uitgangspunt was. “Heeft deze tijd wel behoefte aan zoveel eigentijdsheid? Of is er nood aan iets anders? Als eigentijdsheid de norm was dan was de arbeidersbeweging nooit ontstaan. Ze ontstond juist omdat een handvol visionairen de moed had om tegen de tijdsgeest in te gaan. Ze slaagden erin om honderdduizenden mensen te begeesteren. En zo bogen ze samen de tijdstroom om en mondden ze uit in een meer humane samenleving.” (p. 254)

Veel duidelijker kunnen we het zelf niet zeggen. Zeker is dat het ACW, met de lessen van de huidige crisis in het achterhoofd, op een scharnier- of kantelmoment is gekomen waarbij een nieuwe marsrichting, als je de dynamiek van de beweging niet wil laten verloren gaan, absoluut onontbeerlijk is. Maar dan moet er wel worden afgerekend met de dubbelzinnige houding rond de benadering van ‘de vrije markt’. De financiële crisis is een uitgelezen moment om, alvast wat de terminologie betreft, enige duidelijkheid te creëren.

Een economie in dienst van mens en samenleving

Al ruim dertig jaar worden we overstelpt met ‘liberaliseren, dereguleren en privatiseren’. De ene keer wordt dat gelijkgesteld met het neoliberalisme of de vrije markteconomie, een andere keer met casino-kapitalisme waarmee dan de losgeslagen financiële markten of de speculanten en aandeelhouders worden bedoeld. Doorgaans wordt hier op gereageerd dat we als verantwoordelijke democraten toch enige regels aan de vrije markt moeten opleggen of dat het volstaat de casino-toestanden uit de wereld te krijgen. Ten gronde blijft hiermee het geloof in de vrije markt en in het kapitalisme overeind. En inderdaad, voor alle duidelijkheid, het gaat, als we de werkelijkheid echt willen benoemen, om kapitalisme. Het is niet het financieel systeem dat kraakt, zegt E. Goeman, het is het kapitalisme dat kraakt (http://vl.attac.be/article-impression.php3?id_article-1181). En in het boek van Dirk Barrez ‘Van eiland tot wereld. Appel voor een menselijke samenleving’ (Epo, 2008, 258 p.) stelt de auteur dat kapitalisme, analytisch, het meest juiste woord is. Het is de naam van ons economisch systeem. Het neoliberalisme is gewoon de vorm die dat systeem heeft aangenomen in de huidige fase van de globalisering, een fase die je ook het financiële kapitalisme kan noemen. In zijn boek omschrijft Barrez de kapitalistische wereldorde als : “altijd uit op winst en al vijfhonderd jaar opgejaagd door concurrentie, industriële revoluties en een exploderende bevolkingsaangroei met onverzadigbare en veelal opgedrongen behoeften, stoot (nu) op vele grenzen.” (p. 20)

Dat systeem is niet onveranderlijk noch eeuwig. Dat merken we vandaag maar al te duidelijk. De schokken die veroorzaakt worden zijn niet gering. De wereld kent een terugval op vele vlakken. Het systeem dat zich vijf eeuwen lang heeft ontwikkeld, kan dus ontrafelen of uiteenvallen. Als er veranderingen op til zijn, weten we dat het vele kanten uit kan. Welke kant vinden wij?

De arbeidersbeweging, ontstaan in de strijd tegen het kapitalisme, heeft altijd (zij het op verschillende manieren, soms fel, soms afwachtend en met wisselend succes) voor een richting gekozen: het kan en het moet anders. En de tegenstander werd altijd benoemd.

In het document ‘Welzijn in solidariteit. Fundamentele Doelstellingen ACW-MOC’ (1979) lezen we ‘hoe de actie van der Christelijke Arbeidersbeweging zich situeert in de conflictuele realiteit van onze samenleving en meer bepaald in de realiteit van de strijd tussen klassen en groepen. Ondermeer in deze strijd, die hen wordt opgedrongen ontdekken de werknemers de noodzaak tot omvorming van de samenleving. Deze omvorming, verandering vraagt een voortdurende gemeenschappelijke inzet om de onrechtvaardige structuren binnen ons systeem te wijzigen. Door deze actie moeten de arbeiders het aandeel in de macht verwerven die hen op alle vlakken van het maatschappelijk leven toekomen om hun verantwoordelijkheid te kunnen opnemen.’

In het document pleit men dan ook voor een ‘economie in dienst van de mens en de samenleving ’want het kapitalisme is niet geschikt om de kloof tussen rijk en arm te dempen en speelt steeds meer in het voordeel van de rijken’.

De arbeidersbeweging heeft zich altijd al verzet tegen de heersende economische aanpak. Telkens heeft ze geprobeerd het terrein van de economie, van de arbeid, van de brede maatschappelijke behoeften niet exclusief aan de markt, aan de privébelangen, aan het kapitalisme over te laten. Het besef was altijd aanwezig dat het belangrijk was greep te krijgen op de economie. En economie mag nooit een doel zijn op zich. Het is een middel. Het lijkt wel alsof D. Barrez deze brochure van onder het stof heeft gehaald. Ook voor hem is economie een middel om met de schaarse middelen waarover we beschikken na te gaan welke behoeften moeten worden voldaan. Economie is dan ook kiezen, zegt hij. Wat produceren we, hoe doen we dat en voor wie? Dat is een proces dat ons allemaal aangaat en daarom moet de economie van ons allemaal zijn. Maar de huidige economie staat niet ten dienste van de mensen, integendeel. “Deze economie werkt in het voordeel van de zowat anderhalf miljard mensen die het –voorlopig nog- goed hebben, op een totale wereldbevolking van bijna zeven miljard mensen.” (p. 69)

In een recent interview (28 oktober 2008) met Indymedia (http://www.indymedia.be/nl/print/30154) zegt hij het nog anders: “Het financiële kapitalisme zorgt dat alle nieuwe welvaart die gecreëerd wordt volledig naar de rijkste 10 procent van de bevolking gaat. De andere 90 procent krijgt van die toegenomen welvaart die ze helpen creëren helemaal niets en een heel pak mensen ziet z’n inkomen zelfs achteruit gaan.”

De almacht van de vrije markteconomie is bedrog

Hoe is het zo ver kunnen komen? Decennia lang heeft het driespan ‘liberaliseren-dereguleren-privatiseren’ er voor gezorgd dat er niet te ontkomen viel aan het geloof in de almacht van de vrije markteconomie. Alleen op die manier zouden we echte voorspoed en welvaart kunnen creëren. Maar is dat wel zo? Wie creëert winst en welvaart? Dat waren domme vragen. Alternatieven werden altijd weggehoond. Het was verboden te twijfelen aan het succes van de vrije markteconomie. Politici, overheden, christen-democraten, sociaal-democraten maar ook het zogeheten middenveld en de arbeidersbeweging, zijn onder druk van dat geloof ‘ideologisch verblind‘ geworden en in een aantal valkuilen getrapt.

Op redelijk korte termijn werd de rol van de overheid, van overheidsbestedingen en het belang van publieke goederen geminimaliseerd. Maar hoe kan je eigenlijk een samenleving opbouwen zonder een betekenisvolle openbare sector? “Weten de fundamentalisten die enkel maar van zogenaamde vrije markten en privatiseringen willen horen wel hoe sterk een kapitalistische economie afhangt van wat overheden doen op het gebied van infrastructuur, onderwijs, recht, politie, enzovoort? Zonder een actieve overheid is hun kapitalisme zelfs onmogelijk. Erger is dat we in het algemeen te weinig beseffen dat het succes van onze welvaartsstaten steunt op gemeenschappelijke goederen die werkelijk publiek bezit zijn.” (p. 198)

Niet alleen de rol van de overheid en van een publieke dienstverlening werd stelselmatig uitgehold, ook de bijdrage van de werknemers wordt meer en meer miskend. Niet voor niks dat nu de campagne ‘Waardig werk’ loopt met de slogan ‘werknemers zijn geen gereedschap’ want werknemers zijn inderdaad meer en meer ‘wegwerpproducten’. Toch zijn ondernemingen “ niets waard zonder hun werknemers. Zij zijn het die met hun kennis en kunde die prestaties leveren, elke dag opnieuw. Dan blijft het vreemd dat de zeggenschap in overgrote mate berust bij de eigenaars en de aandeelhouders en dat de opbrengsten vooral naar hen vloeien.” (p. 62) Barrez hekelt het tekort aan economische democratie en roept om “inspraak, medebeheer, mede-eigendom, zelfbeheer, coöperatieve samenwerking, gezamenlijke eigendom van productiemiddelen en andere democratische organisatievormen. Enkel op die manier wordt de economie echt van ons.” (p. 64) In het interview met Indymedia verwoordt hij het als volgt: “als je dus de inbreng ziet van de samenleving in wat zij ‘hun’ winst noemen, de vrucht van ‘hun’ arbeid, dan moet je zeggen: ‘wacht eens, die is voor minstens de helft de vrucht van de arbeid van ons allemaal’. Je kan dus perfect zeggen dat we daarom minstens de helft van de aandelen willen. Het is gewoon zeggen dat iedereen die meehelpt om die winsten tot stand te brengen recht heeft op z’n deel.”

Tot ‘ideologische blindheid’ rekenen we ook ‘de onweerstaanbare drang’ om de overheidsbanken af te bouwen. Ook hier was het motto ‘met de privé meer efficiëntie, opbrengst en rendement. Vandaag weten we wel beter. Verwonderlijk is ook de aanpak van vele overheden. Ze bieden financiële steun om de privébanken uit de crisis te halen met de bedoeling die banken opnieuw vrij spel te geven als het beter gaat. Zelfs een economist als Paul De Grauwe (DM, 31/10/08) vindt dit net een brug te ver. Na de crash van 1929 werden er overal maatregelen genomen om het bankwezen aan de ketting te leggen. Het werd bankiers verboden te beleggen in aandelen en andere riskante financiële producten. “Er werd toen een strikte scheiding ingevoerd tussen de gewone banken (zeg maar de banken die ons straatbeeld versieren) en de zakenbanken.” De overheden hebben daar altijd op toe gezien. Maar einde jaren tachtig, begin de jaren negentig, kwam ook hier de dijkbreuk. Wereldwijd werd de strikte scheiding tussen de gewone banken en de zakenbanken opgegeven. Banken lieten het spaargeld en de verzekeringen voor wat het was en gooiden zich op de financiële markten. De koorts naar steeds meer veroorzaakte een reusachtige zeepbel die nu in ons gezicht ontploft is. Daar kan maar één grote les uit getrokken worden. De privébanken hebben hun failliet bewezen. Net datgene wat ze veel beter konden, althans naar eigen zeggen, dan de overheidsbanken namelijk steeds meer winst generen, is andermaal op een sisser afgelopen.

Opnieuw coöperatieve en publieke banken in dienst van mens en samenleving

Het wordt dus hoog tijd dat we terugkeren naar onze vroegere overheidsbanken en onze coöperatieve banken, stelt D. Barrez. Ze waren niet verlieslatend, hun maatschappelijke winst was niet onbelangrijk en je kon er op rekenen in tijden van nood. We kunnen ons amper voorstellen dat ze in staat waren om fratsen uit te halen zoals de privébanken vandaag. Laat ons dus opnieuw investeren in banken waar we iets te zeggen hebben, in echte coöperatieve banken en publieke banken. Hier ligt opnieuw een forse uitdaging voor de arbeidersbeweging. Die beweging heeft er voor gezorgd, zegt Barrez dat er een betere verdeling van de koek is gekomen en meer sociale democratie. We zijn toch niet vergeten, gaat hij verder “dat de eigen economische coöperaties decennialang mee sterke vleugels hebben gegeven aan de werknemersbewegingen? Met hun meelfabrieken, bakkerijen, winkels en winkelketens, banken, drukkerijen, verzekeringen, reisbureaus, vakantiehuizen, apotheken, uitgeverijen enzovoort gaven die bewegingen vorm aan de economie die ze op die manier ook zelf in handen hadden.” (p. 60)

Barrez stelt verder dat juist het economisch project van een sociale beweging de kansen op succes in het forceren van maatschappelijke veranderingen verhoogt. Maar zoals Verbruggen uitvoerig heeft aangetoond, heeft de christelijke arbeidersbeweging die economische poot afgestoten. Is dit valse nostalgie of ronduit naïef? Barrez vindt van niet. Als je als sociale beweging greep wil krijgen op maatschappelijke ontwikkelingen en ijvert voor een menswaardige samenleving dan moet je greep krijgen op de economie en alternatieven ontwikkelen die perspectief geven aan die menselijke samenleving. Bovendien idealiseert Barrez die coöperaties niet. Net zoals Verbruggen is Barrez niet blind voor de fouten en gebreken die ook in de coöperaties van de arbeidersbeweging geslopen waren. Ze verwijzen beiden naar de spanningen tussen de sociale beweging en haar economische activiteiten. De economische logica mag geen eigen bestaan gaan leiden. Het is altijd uitkijken geblazen om als sociale beweging het heft in eigen handen te houden en een stevige interne democratie uit te bouwen. En wat als het toch fout gaat? Dan kunnen die sociale bewegingen nog altijd nieuwe coöperaties uit de grond stampen…

Vroeger hadden we overheidsbanken. Maar de ASLK werd opgekocht door Fortis en Het Gemeentekrediet kwam in handen van Dexia. De coöperatieve beweging van de christelijke en van de socialistische arbeidersbeweging gingen eveneens voor de bijl. Vandaag staan we voor de omgekeerde beweging. Als we onze kansen willen grijpen, tenminste. Er liggen terreinen genoeg braak. We hebben misschien minder nood aan brood en kolen dan vroeger maar we staan wel in de kou wat onze energie betreft. Om greep te krijgen op die energie moeten we ons die energie weer toe eigenen. Energie moet van ons zijn. We weten vandaag niet hoeveel geld van het ACW verdampt is door de fratsen van Dexia, maar er is waarschijnlijk nog een potje over. Zou Jan Renders hier niet even bij kunnen stil staan? Voor de uitnodiging van de presentatie van het boek van Barrez op de Boekenbeurs schreef hij o.a. het volgende:”…een bewogen pleidooi voor een sociaal-rechtvaardige, duurzame en participatieve samenleving…Een pleidooi ook voor sterke sociale bewegingen die hun roots niet mogen verliezen. Die weten voor welk maatschappelijk project ze moeten mobiliseren.”

Goed gezegd. Zou het ACW dus ook energie kunnen steken in de uitbouw van nieuwe coöperaties? Op het vlak van energie bijvoorbeeld? Ver gezocht? Toch niet. “Wie slim is, koopt samen” staat er te lezen in Visie (07/11). Stookolie, zonnepanelen of isolatiemateriaal in groep aankopen is weer helemaal actueel, zegt de ondertitel. Het ACW rolt zelfs met de spierballen: we zullen niet toelaten dat de federatie van brandstofhandelaars de samenaankopen van lokale groepen teniet zal doen. Kan het ACW geen stap(je) verder gaan? Waar wachten we op? Aan de KWB zal het zeker niet liggen, maar het ACW, als het is hersteld van de klap, mag wat ons betreft duidelijk(er) uit de pijp komen.

 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!