De community ruimte is een vrije online ruimte (blog) waar vrijwilligers en organisaties hun opinies kunnen publiceren. De standpunten vermeld in deze community reflecteren niet noodzakelijk de redactionele lijn van DeWereldMorgen.be. De verantwoordelijkheid over de inhoud ligt bij de auteur.

Karoshi, of burn-out is een maatschappelijk probleem.

vrijdag 28 januari 2022 20:16
Spread the love

Laten we deze stelling eens onder de loep nemen. Als we kijken naar het woord burn-out, is het belangrijk het onderscheid te maken met depressie. Opgebrand raken is een energiestoornis, depressie daarentegen is een stemmingsstoornis. Beiden kunnen uitgelokt worden door overspannenheid, maar zeker burn-out is het eindstadium na langdurig of chronisch blootgesteld te zijn geweest aan stress. Lichaam en geest zijn oververmoeid, en vertonen tekenen van ontsteking.

Het vat is af, burn-outlijders zijn volledig opgebrand. Ook al valt erover te discussiëren, deze symptomen zijn, meer dan depressie (dat een individueler probleem is), een gevolg van het zichzelf opzadelen met de druk van het maatschappelijk presteren. ‘Ik verwacht dit van mezelf omdat de maatschappij dat van mij verwacht’. Het feit dat er tegenwoordig meer mensen ziek zijn dan werkzoekend, getuigt van een gigantisch socio-economisch probleem. De ratrace is een verhaal van winnaars en verliezers in een wereld die enkel draait rond geld, groei en winst.

We zouden het kunnen hebben over de gevolgen van burn-out op een samenleving. Waarom is er nu meer ziekteverzuim dan werkloosheid in vergelijking met bij voorbeeld twee decennia geleden? En wat kost dat onze verzorgingsstaat eigenlijk? Maar dat is eigenlijk voer voor sociologen. Het is een noodzakelijke discussie, maar ik wil eerder naar de psychische kant van de zaak kijken. Waarom branden mensen op? Wat is er aan de hand in onze maatschappij dat er überhaupt zoiets ontstaat als een burn-out?

Notoir hoogleraar klinische psychologie en psychoanalyse, Paul Verhaeghe, merkte in zijn boek Het einde van de psychotherapie op dat de klassieke behandeling botste op de nieuwe neurosen van deze tijd. In tegenstelling tot de vroegere freudiaanse ziektebeelden (jeugdtrauma’s, verdringing, verstoorde ouder-kindrelatie) klaagde de hedendaagse patiënt bij hem vooral over zijn werk of zijn baas. En dat kan van de therapeut een medeplichtige maken.

Paul Verhaeghe: “In 1981 voorspelde Alasdair McIntyre, een Schotse moraalfilosoof, dat de manager en de therapeut de twee maatschappelijk richtinggevende figuren zouden worden. De verklaring is eenvoudig: beiden manipuleren mensen opdat ze optimaal passen in een economisch productiesysteem waar winstmaximalisatie het enige goed is. De disciplinering van nu betreft inderdaad niet alleen meer het helpen van een gestoord iemand, maar ook en vooral het verder perfectioneren en optimaliseren van wie reeds aan het systeem is aangepast, maar net niet genoeg. Excelleren is het nieuwe normaal.” (Verhaeghe, 2019)

Dat maakt het ook cynisch. Als de kiemen in de jaren 80 gezaaid werden voor het ontstaan van zo’n relevante problematiek, namelijk de huidige burn-outepidemie, wat moeten we dan denken van deze uitspraak van Margaret Thatcher binnen deze realiteit: ‘There ‘s no such thing as society.’ Heel veel mensen, ook jongere mensen, vallen uit de maatschappelijke boot (die zogezegd niet bestaat). Deze massale uitval heeft pragmatisch gezien een verwoestende impact op het individu maar ook op zijn entourage (zowel informeel als professioneel).

Om dit in een andere context te bekijken, maken we een zijsprong. Het oosterse maar wel kapitalistische Japan kent ongeveer sinds diezelfde jaren 80 een opmerkelijk fenomeen: hikikomori. In de Japanse taal zijn er wel meerdere mooie woorden die wij slechts met een zin kunnen omschrijven: karoshi is zichzelf letterlijk doodwerken, ikigai is dat waarvoor je ’s morgens je bed uitkomt, hikikomori is dan weer het fenomeen van hoofdzakelijk jonge mannen die zich opsluiten in hun kamer.

Het zijn kluizenaars die zich voeden met wat hun ouders voor de deur zetten en volledig teruggetrokken leven in een universum van maar enkele vierkante meters. Om dit enigszins te kunnen verklaren, moeten we kijken naar wat het betekent Japans te zijn. Ook al is luiheid bij ons evenzeer een hoofdzonde, Japan heeft toch nog een andere kijk op werk of arbeid. Het feit dat ze in hun vrije tijd na het werk vaak nog moeten gaan pintelieren met de collega’s en hun baas is veelzeggend.

Een loopbaan is voor hen veel meer dan geld verdienen of de keerzijde van vrije tijd. Het land heeft een ambachtelijke en esthetische cultuur, en werken is daar een uitloper van. Hun kijk op arbeid is veel positiever en geeft hun leven zin, betekenis: zich bekwamen is een way of life.

Aan de andere kant is de druk enorm. Jongeren moeten presteren om op een topuniversiteit binnen te geraken, maar eens binnen wordt beweerd dat ze een luizenleventje hebben. Dat zorgt er wel voor dat er al op veel jongere leeftijd een loodzware verantwoordelijkheid op de Japanse jeugdschouders belandt. Bovendien is het een macho-cultuur waarin vrouwen tijdelijk carrière maken tot ze moeders worden.

De cirkel is dan rond: zonen die de prestatiedruk niet meer aankunnen, worden mee door de schaamtecultuur in bescherming genomen door hun ouders, en dan vooral de moeder. Hun aantal loopt in het miljoen en gezien het een relatief recent fenomeen is, stelt het probleem zich vooral als de ouders te oud worden om voor hen te zorgen. Daar worstelt de Japanse maatschappij nu mee.

Hoewel er uiteraard hikikomori zijn met een psychoseproblematiek of een zware vorm van autisme, is het toch vooral een mentaal of existentieel probleem, een identiteitscrisis. De jongeren die hoofdzakelijk een virtueel leven leiden, zijn doodongelukkig maar geraken niet uit hun patstelling. Ze zijn ofwel al opgebrand door de verwachtingen of ze staan op de rem omdat ze weten dat, als ze het spel meespelen, ze zichzelf zullen verbranden.

James Suzman beweert in zijn boek Werk (Een geschiedenis van de bezige mens – van de oertijd tot het heden) dat juist Japanners in opstand komen. Ze zijn slim genoeg om te merken dat het positieve aspect van werk en hun identiteit ondergesneeuwd is geraakt door arbeid te reduceren tot iets louter economisch.

En dan beroeren we het Westen en merken we het verschil in cultuur: veel mensen hier voelen zich door controlemechanismen, assessments en het gebruik van algoritmes gereduceerd tot robots. Het land van de rijzende zon daarentegen kent shintoïsme als staatsgodsdienst. Ze gelooft dat alles bezield is, ook niet levende dingen, zoals bergen, meren en … robots, een totaal verschillend predicaat dus.

Ondertussen zijn ze in Japan al wel bezig met hun behandeling vorm te geven. Zij getuigt van een onverwachte zachtheid: hikikomori worden uitgenodigd terug sociale contacten te maken, gewoonlijk met lotgenoten, en iedere stap verder wordt bepaald op hun ritme. Het is het principe van exposure therapie: stap voor stap jezelf blootstellen aan dat wat je getraumatiseerd heeft.

Of het neo-liberalisme hiervan zal leren is maar de vraag. Focust Verhaeghe al enorm op het negatieve van het huidige systeem, het kan nog drastischer. Marian Donner windt er geen doekjes om: zij omarmt de loser. Nog meer dan Verhaeghe hekelt zij het fenomeen van de therapeut als stroomlijner, als coach of conditioneerder. Ze huivert bij woorden als empowerment, en vindt heel die mindfulness en yoga-obsessie bedenkelijk. Zij heeft daarentegen lof voor het al dan niet miskende genie dat op een mansarde ondoorgrondelijke, niet commerciële gedichten schrijft.

Of voor krakers die door hun gedrag de immorele huizenmarkt bij de lurven vatten. Ze bezingt de lof van nachtelijke slemppartijen met heerlijk zinloze filosofische gesprekken, en navenante katers. Vervolgens ziet ze er geen graten in om af en toe je kat naar het werk te sturen om heerlijk in bed te blijven liggen en te spijbelen. Ze is een verstokte roker en geniet van de gesprekken die ze heeft met andere onbekende rokers, ondertussen verbannen als paria’s naar de straatkant van restaurants. Zoiets schept natuurlijk wel een band.

Er valt wel wat te zeggen voor die milde vorm van protest. Want je kan je afvragen wat zelf-destructiever is. In zijn meest extreme vorm leidt zelfverwoesting, zoals je kan zien in de film Trainspotting, uiteraard naar verval, al dan niet door drank of drugs. Maar ook onze welvaartstaat verknipt ons. En voor wie doen we dat? Zeker als de leiders van de vrije wereld beweerden dat de samenleving niet bestaat.

Op de toegangspoort aan de tempel van Delphi in het antieke Griekenland stond “Ken uzelve”, maar ook “Alles met mate”. En dat is wellicht het fatale van onze huidige samenleving. Ze gelooft het zelf dat ze niet meer bestaat en iets dat niet bestaat, kent noch zichzelve noch maat. De burnout is onvermijdelijk.

 

Bronnen

  1. Verhaeghe, P. (2015). De ziekmakende neoliberale wegwerpmaatschappij. Christen Democratische Verkenningen, 60-67.
  2. Verhaeghe, P. (2019). Nieuw licht – Over normaliteit en andere afwijkingen. Prometheus.
  3. Verhaeghe, P. (2009). Het einde van de psychotherapie. De Bezige Bij.
  4. Saunders, L. (2008). Hikikomori and school refusal. Hohonu: A Journal of Academic Writing, 6, 34-37.
  5. Books, F. (2019, 19 augustus). The Best Books on Burnout | Five Books Expert Recommendations. Five Books. Geraadpleegd op 12 januari 2022, van https://fivebooks.com/best-books/burnout-work-exhaustion-josh-cohen/
  6. Donner, M. (2019). Zelfverwoestingsboek: waarom we meer moeten stinken, drinken, bloeden, branden en dansen. Das Mag Uitgevers.
  7. Suzman, J. (2020). Werk. Thomas Rap.

 

 

 

 

 

Creative Commons

take down
the paywall
steun ons nu!