Geen waterdicht plan
Regering, Parlement -

Geen waterdicht plan

zondag 30 mei 2010 11:13

Vorige week deelde de Wetstraatredactie van De Standaard rapporten uit aan de federale parlementariërs. Op zulke gewichtige momenten raakt Guy Tegenbos niet verder dan een stekelig stuk bij de algemene berichtgeving, en mag Peter Vandermeersch het commentaar op pagina twee verzinnen. Hij concludeerde uit zijn rapporten dat sommige politici die op 13 juni naar onze stem dingen, ons vertrouwen niet waard zijn. De hoofdredacteur van De Standaard, Het Nieuwsblad en De Gentenaar heeft gesproken.

Parlementsleden – ik begin me te schikken in de rol van onderwijzer – hebben verschillende functies te vervullen. Enerzijds hebben zij de taak wetten uit te vinden, goed te keuren en af te schaffen; anderzijds worden zij geacht de uitvoerende macht te controleren. Er zijn nog enkel neventaken op te sommen, maar algemeen wordt aangenomen dat het al heel wat is als een parlementslid deze twee naar behoren weet uit te vervullen.

Het wetgevende werk vormt in principe het belangrijkste deel van het parlementaire ambt. Politici worden verkozen tot volksvertegenwoordiger – officieel nog steeds het hoogst denkbare ambt in een democratie – en krijgen daarmee een fiat van de bevolking om hun ideeën ten uitvoer te brengen. Die ideeën – als het meezit bij elkaar gehouden door een ideologie – worden geëtaleerd tijdens de campagne. In het beste geval. Wie de meeste stemmen krijgt, heeft de meeste legitimiteit om zijn plannen tot wetgeving te maken.

De Standaard – De Morgen ook, maar daar viel meer te lachen – geeft punten aan parlementsleden. En die moeten het van hun ideeën en gedachten hebben. Kranten geven eigenlijk punten aan ideologieën. Kort door de bocht gaat dat, maar daar komt het uiteindelijk deels op neer. Dat heeft iets wrang. Als ik op Rita De Bont (VB) stem, is dat waarschijnlijk omdat ik goddomme een onafhankelijk Vlaanderen wil. Het mens wordt misschien wel gebuisd door De Standaard (1/10), maar het heeft weinig zin voor mij om dan maar op Tinne Van der Straeten (Groen! – 8/10) te stemmen. Het parlementair werk mag uitmuntend zijn, maar als het dient om ideeën uit te voeren waar ik het hartstochtelijk mee oneens ben, schiet dat niet op.

Natuurlijk, zelfs met sympathieke ideeën kan je het nog aardig verpesten voor je kiezers. Gwendolyn Rutten verkondigde bij de lancering van haar campagne niet zonder misplaatste trots dat politiek een vak is. Ze zou er misschien een beschermd beroep van willen maken. Rutten bedoelde natuurlijk niet te zeggen dat enkel partijsoldaten kans zouden mogen maken op een parlementszitje, maar had het enkel over de moeilijke procedures en juridisch geploeter dat de wetgevende macht eigen is. En daar heeft ze een punt. Parlementariërs hebben vaak meer dan twee jaar nodig om hun weg te vinden in de Kamer. Of dat wel dan niet is geslaagd, daar valt in principe een punt aan toe te kennen. Als je dat graag doet.

Overbetaalde stemmachine

Een bedenking is op zijn plaats – Ik geloof dat ook Peter Vandermeersch zich er op simpel verzoek over komt opwinden in een teeveestudio. Als het over wetgeving gaat, heeft dat parlement eigenlijk nog maar weinig in de pap te brokken. Leden kunnen wetsvoorstellen indienen, maar het meeste wetgevende werk wordt door de kabinetten verzet. Ministers kunnen wetsontwerpen naar het parlement sturen, waarna die meestal meerderheid tegen oppositie worden goedgekeurd. Aan het einde van Peeters I werden zodanig weel ontwerpen van decreet naar het Vlaamse parlement gestuurd dat iedereen moest toegeven dat de volksvertegenwoordigers geen tijd hadden om de ontwerpen grondig te lezen. Het was goedkeuren geblazen en verder campagne voeren, want de volgende ronde wil je dan toch ook niet missen. Niets meer dan een overbetaalde stemmachine.

De Standaard was zo vriendelijk – het valt elke keer op, dames en heren – vooral linkse politici goeie punten te geven. De hele fractie van Groen! (vier leden) staat in de top tien, net als drie fractieleden van sp.a. Ondanks het piekfijne wetgevende werk dat daarmee wordt gesuggereerd, zullen zij maar weinig verwezenlijkingen kunnen voorleggen. Allemaal oppositieleden, waarmee eigenlijk alles gezegd is. In de praktijk komt het er voor hen op neer op de bühne zo spectaculair mogelijk tegen de meerderheidspartijen uit te vallen. Liefst als Linda De Win in de buurt is. Je kan als parlementslid ontroerend mooie wetvoorstellen ter stemming brengen, maar de opdeling tussen meerderheid en oppositie zal meestal de doorslag geven.

Boekhouder/inspecteur

De andere rol van de wetgevende macht is van een geheel andere orde. Parlementsleden worden verondersteld de uitvoerende macht te controleren. Als ministers fouten begaan, kunnen zij enkel in het parlement ter verantwoording worden geroepen. Als de hele regering ondermaats presteert, moet het parlement daar de gepaste consequenties aan verbinden. Als ministers puik presteren, mogen ze hen natuurlijk ook een bloemetje toewerpen.

Nou hebben partijen en regering daar ook al heel wat van proberen af te zwakken. Om hun taak zo goed als mogelijk te vervullen, hebben parlementsleden verschillende instrumenten in handen gekregen. Voor het inzetten van zulke spitsvondigheden zijn parlementaire meerderheden vereist, en dan zit je algauw weer midden in een spel tussen meerderheid en oppositie. De parlementaire onderzoekscommissie naar de onduidelijkheden rond Fortis was sterk aan banden gelegd. Niet het parlement, maar de regeringspartijen beslisten welke vorm ze kreeg en hoe lang ze mocht duren. Dan kan je niet meer voluit gaan.

Maar met handen en voeten gebonden kan je het ook niet noemen. Alle parlementsleden kunnen individueel op zoek naar hiaten in het beleid en tekortkomingen van ministers. Ze kunnen allemaal lastige vragen stellen, onbekwame excellenties in moeilijke papieren brengen en heel hard en vol ongeloof lachen als ministers domme dingen zeggen. Of je nu deel uitmaakt van de meerderheid of de oppositie, iedereen valt daar op af te rekenen. Als een lid van een meerderheidsfractie geen zin heeft om haar ministers op een degelijke manier te controleren, moet hij dat zelf weten. Krijgt hij wel slechte punten van De Standaard. En terecht.

Toch wringt hier een schoentje. Zoals eerder gezegd, stemmen de meeste mensen op een politicus omdat hij een zinvol gedachtegoed voorstaat. Omdat je denkt dat zijn ideeën van dit land een warmere plek op aarde kunnen maken. We willen mensen met een mening,  visionairen, nieuwe ideeën, perspectieven. Eigenlijk kan het contrast niet groter zijn met een boekhouder die erop moet letten dat ministers de centen goed besteden, met de inspecteur die moet kijken of niemand wat dubieus uithaalt. Een ruimdenkende intellectueel of een oplettende ambtenaar, het is het één of het ander.

Oppositieleden hebben een bijzondere stimulans om ministers in de gaten te houden. In een politiek systeem waar de wetgevende macht zodanig verstrengeld is met de uitvoerende, hebben slecht presenterende ministers zonder meer een weerslag op de parlementaire verkiezingen. Leden van de meerderheid kennen die motivatie niet – au contraire. Het huis is zo gebouwd dat iedereen qua controle over de uitvoerende macht afhankelijk is van ambitieuze oppositieleden. Wie het Vlaams Belang een beetje volgt in haar parlementaire werkzaamheden, weet dat dat geen waterdicht plan is.

Meest gepolitiseerde controle te lande

Bovendien is er al bij al niets ideologisch aan het controleren van de uitvoerende macht. De laatste tijd word je weer om de oren geslagen met vergelijkingen tussen overheid en bedrijfswereld – Alexander De Croo wil drie kmo´s -, maar haar tegenmacht is de meest gepolitiseerde te lande. Wie een efficiënte overheid wil, moet er misschien eerst voor zorgen dat zij gecontroleerd wordt door een neutraal instituut.  Je hoeft er ten slotte zelf geen ideeën op na te houden over de samenleving om te kunnen natrekken of de rekeningen kloppen. Daar zijn geen kwaliteiten voor nodig die door kiezers moeten worden gelegitimeerd. De uitvoering van wetten wordt al decennialang op een ander niveau gecontroleerd door de rechterlijke macht.

Parlementsleden hebben weinig wetgevend werk te verrichten. De ontwerpen worden hen aangeleverd door de regering, en het stemadvies wordt hen door de partijleider ingefluisterd. Je zou kunnen denken dat parlementsleden eigenlijk niets beters te doen hebben dan het bij houden van de inkomsten en uitgaven. Toch is een democratie op haar best als het parlement kan werken als een ideeënfabriek. Verkozen door kiezers, hebben parlementsleden het recht hun zeg te doen over de samenleving. Wij hebben hen verkozen om plannen te maken. Zij zouden ministers moeten aanduiden om die plannen uit te voeren. En de controle kan eigenlijk beter nog ergens anders heen. Zelfs door de eindverantwoordelijkheid bij het parlement te houden, zou het veldwerk beter worden verzet door ambtenaren of juristen. Dan wordt het voor de kranten misschien nog moeilijker om punten uit te delen, maar gaat het wel weer meer over ideeën.

take down
the paywall
steun ons nu!