Geen blinddoek over de hoofddoek, aub

Geen blinddoek over de hoofddoek, aub

woensdag 3 april 2013 11:27

Met zijn vertrouwde verbetenheid, heeft collega Etienne Vermeersch nogmaals zijn bekende standpunten herhaald inzake de religieuze dracht, door moslimvrouwen en moslimadolescenten, van de hoofddoek. “Moslimadolescenten”, inderdaad. Weliswaar betreft de aanleiding voor zijn opiniestuk in deze krant de mogelijkheid dat moslima’s achter de stedelijke loketten voortaan hun functie mét hoofddoek zouden kunnen uitoefenen – zoals in principe voorzien in het voorstel van beginselverklaring bekend gemaakt door Sp.-a voorzitter Bruno Tobback.

In zijn tekst, echter, argumenteert hij al snel dat de hoofddoek per se een probleem vormt, óók wanneer het gaat om leerlingen op school : zie zijn verwijzingen naar Mevr. Karin Heremans, directrice van het Antwerps Atheneum, en naar het Franse hoofddoekenverbod.  Wat dat verbod betreft, vele jaren geleden reeds, in 1997, betoogden collega Jan Blommaert en ikzelf, in een nota gericht aan het Gentse College (n.a.v. de bestraffing van een leerlinge die geweigerd had haar hoofddoek af te nemen), dat een dergelijk verbod indruist tegen internationale en Europese verdragen m.i.v.  de Belgische Grondwet. Zij beogen het vrijwaren van het recht op godsdienstvrijheid, dwz het grondrecht om de godsdienst of levensbeschouwing van je keuze daadwerkelijk te beleiden – en daaronder vallen niet enkel het huldigen van een overtuiging en het in acht nemen van een cultuspraktijk maar ook, uitdrukkelijk, het zich ernaar gedragen in de publieke ruimte.

Eventuele beperkingen aan het uiten van je religieuze overtuiging – zo bepaalt art. 9 van het Europese Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens – moeten bij wet worden geregeld; zij mogen niet verder gaan dan noodzakelijk om andere waarden en rechten te vrijwaren. Eertijds is daaruit in een aantal Europese landen door de hoogste rechtscolleges geconcludeerd dat er geen wettelijke ruimte bestaat voor een principieel verbod op het dragen van de hoofddoek op school (wij verwezen toen naar een artikel van grondwetspecialist prof. Raf Verstegen, van 1994).

Maar, zoals gezegd, de onmiddellijke aanleiding voor het opiniestuk van onze collega betreft, heel kort gezegd,  het zgn. lokettenprobleem. Daaromtrent erkent hij dat “mensen met een hoofddoek” wel degelijk “neutraal kunnen handelen”, maar hij poneert “dat men zelfs een vermoeden van partijdigheid onmogelijk moet maken”. Een “vermoeden”, echter, bestaat per definitie in hoofde van de anderen, dwz van medeburgers die zich aandienen bij een  openbaar bestuur. Deze laatsten, aldus luidt de overweging (ook gemaakt door het Gentse College, in 1997), hebben recht op “neutraliteit”. Weegt dat recht op tegen het grondrecht op godsdienstvrijheid? Wij geloven van niet.  Het betreft daarbij niét louter een juridische kwestie; ook onze visie op de democratie is in het geding.

Collega V. laat zich voorstaan op een progressieve maatschappijvisie. Welnu, vanuit progressief oogpunt is democratie niet louter een institutioneel gegeven maar heeft ze ook een direct sociale dimensie.  Als zodanig is zij, of moet ze zijn, een samenleving van gelijken. Wezenlijk daarin staat de interactie tussen gelijke, maar singuliere personen, niét als een soort van “klonen” van elkaar: zij impliceert integendeel dat elk individu zich kenbaar maakt, resp. kenbaar kan maken, aan de andere in en door datgene wat hem/haar eigen is. In tegenstelling tot wat collega V. betoogt, is in deze context een verwijzing naar de diversiteit in onze samenleving géén “blijk van een pijnlijke intellectuele armoede”; diversiteit ligt ten grondslag aan de beoogde hedendaagse democratische gelijkheid.

Dat geldt ook voor de “lokettenkwestie”: precies dààr, eerder dan op de straat, is er sprake van een dergelijke interactie, waarbij de burger, zoals bij élke loketbediende, een onpartijdige behandeling van zijn of haar zaak mag verwachten. De logica van coll. V.’ pleidooi voor “neutraliteit” leidde niet enkel tot het beruchte verbod op het “holebi-Tshirt”, maar heeft als verdere consequentie dat ook mensen met een getaande of donkere huidskleur verdacht moeten kunnen worden – “het zijn allemààl moslims, niet waar, en wij hebben récht op onze “vermoedens”.  En uiteindelijk dat we ons pas écht gediend zouden (zullen?) voelen door voorgeprogrammeerde robotten (“neutraler” kan het al niet zijn).

Tenslotte, wat de sous-entendus betreft die vermoed zouden kunnen/moeten worden n.a.v.  het dragen van een hoofddoek door Vlaamse/Belgische adolescenten en volwassenen. We kennen allen de filologische expertise van coll. V. inzake de (tekstuele) “waarheid” van de islam, waarop hij zich laat voorstaan. Maar in zijn hoedanigheid van pedagoog: hoe kan hij verwachten dat mensen hun (al dan niet “foute”) opvattingen zouden bijsturen zolang zij niet in hun individuele waardigheid worden erkend en aanvaard – ondanks alle “vermoedens” -, óók “in de openbare besturen”?

Herman De Ley, lid van de Vooruitgroep

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!