For liberty, Fernando! Over de godsdienstvrijheid van Belgische academici

maandag 16 juni 2014 20:37

Op 17 mei 2013 werd professor kerkelijk recht Rik Torfs verkozen tot de nieuwe rector van de KU Leuven. In een van zijn eerste reacties na deze aanstelling liet Torfs optekenen dat hij de KU Leuven zou gaan leiden in een sfeer van ‘samenwerking en broederschap of zusterschap’ en ‘verbindend’ wou optreden (De Standaard, 17 mei 2013). Aan deze haast spiritueel klinkende ambities heeft het voormalige CD&V-kopstuk in zekere zin ook gevolg gegeven. Op 1 maart 2014 publiceerde de Leuvense universiteit een persbericht omtrent het ontslag van Fernando Pauwels, onder het bewind van de vorige rector Mark Waer in november 2012. Als officiële rede voor diens ontslag gold toen de vermeende onverzoenbaarheid van Pauwels’ religieuze overtuigingen en diens mandaat als wetenschappelijk onderzoeker. Het ontslag van Pauwels veroorzaakte weinig commotie en kwam snel onder het stof te liggen, en ook het publieke mea culpa van de Universiteit bleef onder de radar van de commerciële media. Hoewel Torfs en Pauwels de vredespijp rookten en samen hun handtekening zetten onder de welklinkende publieke verklaring dat ‘vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst fundamentele rechten zijn’, dat ‘die in het bijzonder binnen een universitaire gemeenschap gerespecteerd moeten worden’ en dat ‘de kwaliteit van een beschaving, een samenleving, een universiteit [afhangt] van de mate waarin ze in staat is met vrijheid te leven’, loont het toch de moeite om de zaak alsnog van naderbij te bekijken.

In november 2012 maakten de media bekend dat Fernando Pauwels, academische medewerker van het Onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving (HIVA), verbonden aan de KU Leuven, was ontslagen omdat hij ‘te christelijk’ was (bv. De Morgen, 3 november 2012 en DS 5 november 2012). Pauwels’ ontslag kreeg in de reguliere media nagenoeg geen aandacht. Enkel Rik Torfs (toen CD&V en zelf buitengewoon hoogleraar aan de KU Leuven), en expert Europese en internationale zaken Mia Doornaert grepen hun columns (respectievelijk DS 5 november 2012 en DS 12 november 2012) aan om de vraag te stellen of Pauwels’ geloofsovertuiging wel een geldige reden tot ontslag was. Verder toonde niemand zich bereid voor deze zaak in de pen te kruipen.

Heel anders liep het bijvoorbeeld toen bio-ingenieur Barbara Van Dyck in juni 2011 door de KU Leuven het C4 werd gegeven na haar solidariteitsbetuiging aan de activistengroepering Field Liberation Movement. Dit had ze gedaan na de gedeeltelijke vernieling van een proefveld met GGO’s in Wetteren op 29 mei 2011 door enkele activisten. De Belgische academische wereld reageerde verbolgen op haar ontslag. Binnen de week circuleerden petities (meer dan 4.000 handtekeningen werden verzameld), er werden protestmarsen georganiseerd, en manifesten voor onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek belandden in de postvakken van alle universitaire medewerkers van het land. Alle protest en verontwaardiging ten spijt, werd Van Dyck op 12 februari 2013 door de rechtbank van Dendermonde veroordeeld tot zes maanden effectieve gevangenisstraf. Dit zware verdikt vormde voor choreografe Anne Teresa De Keersmaecker de aanleiding om bij de uitreiking van haar eredoctoraat door de universiteit van Louvain-la-Neuve op 24 februari aan Van Dyck publiekelijk haar steun te betuigen. Toenmalig rector Mark Waer liet hierop een openbare brief publiceren waarin hij het ontslag andermaal verdedigde (DS 27 februari 2013). Onder meer de Gentse wetenschapsfilosofen Anton Froeymans en Laszlo Kosolosky en politiek filosoof Mathijs van de Sande van de KUL reageerden toen vlijmscherp op Waers onveranderde standpunt.

Waar de zaak Van Dyck dus aanleiding gaf tot een stormachtig maatschappelijk debat (dat trouwens tot op de dag van vandaag gevoerd wordt), volgde op het ontslag van Fernando Pauwels alleen maar windstilte. Wat was de oorzaak van zijn ontslag en van het uitblijven van kritische reacties? In deze tekst zal ik proberen aan te geven waarom het ontslag van Fernando Pauwels ingaat tegen de godsdienstvrijheid, en hoe de perceptie van het evangelische christendom en de huidige visie op wetenschappelijk onderzoek mede tot zijn ontslag hebben geleid. Maar eerst even recapituleren. 

Hans Bruyninckx, directeur van het HIVA, werd eind september door een (anoniem gebleven) opdrachtgever op de hoogte gebracht van het bestaan van Power Through Love, een website die Fernando Pauwels, wetenschappelijk medewerker van dat instituut, gebruikte als platform voor boodschappen van religieuze aard. Omdat deze (onbekende) HIVA-opdrachtgever en HIVA-directeur Hans Bruyninckx de inhoud van de site verdacht vonden, werd Pauwels op het matje geroepen. Vooral diens geloof in de genezing van ziekten door handoplegging wekte bij zijn werkgevers vragen op. Pauwels kreeg vervolgens het verbod om op maandag 1 oktober 2012 deel te nemen aan een wetenschappelijke bijeenkomst aan de Universiteit Gent. Op donderdag 4 oktober werd Pauwels op staande voet uit zijn functie ontzet. Hij werd nog betaald tot het einde van zijn contract (31 januari 2013), maar mocht tot die tijd geen onderzoekswerk uitvoeren of zich profileren als werknemer van het HIVA of de KU Leuven. Pauwels stapte naar het Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding (CGKR) en naar het Vlaamse Meldpunt Discriminatie. Die laatste stuurde een ingebrekestelling naar de KU Leuven en het CGKR stelt zich burgerlijke partij in de (ondertussen stopgezette) rechtszaak die Pauwels tegen de universiteit aanspande. 

 

 

De bekering van Pauwels

Fernando Pauwels leidt samen met zijn echtgenote de vzw Power Through Love, een evangelische communiteit die vooral online-diensten aanbiedt in de vorm van audiovisuele informatieve boodschappen, vaak van exegetische aard, nieuwsitems en een blog. Ze organiseren bijeenkomsten en hebben een informatiestand waarmee ze op paranormale en spirituele beurzen publiciteit maken voor hun gemeenschap en Pauwels’ boeken verkopen. De aanleiding tot het opstarten van een eigen geloofsgemeente was Pauwels’ ‘ontmoeting’ met Jezus Christus. Die had zich in 2003, zo schrijft Pauwels op zijn website, tijdens een wandeling in Zuid-Frankrijk aan hem ‘geopenbaard’. Pauwels ervoer deze ontmoeting als een epifanie, die voor hem de culminatie vormde van een lange zoektocht naar een meer wezenlijke relatie met God dan hij tot dan toe in het katholieke christendom, het boeddhisme of het hindoeïsme had kunnen vinden. Hij bekeerde zich tot het christendom – een ander christendom.

In één van zijn filmpjes citeert Pauwels Bill Johnson, publicist en pastor van de Bethel Church (Reading, California) die deel uitmaakt van de ‘Assemblies of God’, de grootste associatie van pinksterkerken ter wereld. Het ideeëngoed van Fernando Pauwels dient dan ook te worden gekaderd in de pentecostalistische ideeën die ter wereld door minstens 150 miljoen andere gelovigen worden aangehangen. In deze religieuze beweging, die aan het begin van de twintigste eeuw ontstond in protestantse kringen in het Amerikaanse Louisiana, heeft de Bijbel absoluut gezag, heerst een geloof in genezing door handoplegging en aspireren de aanhangers een persoonlijke godservaring (via onder meer visioenen en mirakelen). Pauwels’ persoonlijke ontmoeting met Christus en zijn geloof in genezingsmirakelen mogen we dan ook niet beschouwen als de paranormale hallucinaties van een religieuze extremist, maar moeten we situeren in een binnen de pinksterbeweging breder gedragen geloof in de persoonlijke, visionaire ontmoeting met het bovennatuurlijke. Het is daarom van belang dat ik even stilsta bij de geschiedenis van deze religieuze stroming in België, meer bepaald in Vlaanderen.

Pinksteren in Vlaanderen

In Vlaanderen begon de Pinksterbeweging pas na de Tweede Wereldoorlog echt te groeien. Vanaf 1969 hielden vertegenwoordigers van verschillende Vlaamse groepen jaarlijkse bijeenkomsten, wat leidde tot de oprichting van het ‘Broederschap van Vlaamse Pinkstergemeenten’. In 1978 richtte Michael Williams, voorganger van de destijds grootste Vlaamse Pinksterkerk, Philadelphia Antwerpen, de ‘Belgische Christelijke Pinkstergemeenschap Elim’ op als overkoepelende organisatie van de verschillende Antwerpse groepen. Het ‘Broederschap’ en ‘Elim’ fusioneerden in 1993 en vormden het ‘Verbond van Vlaamse Pinkstergemeenten’ (VVP), dat sindsdien geldt als het overkoepelende verbond van alle pinkstergemeenten in Vlaanderen. Dit verbond telde in 2009 121 groepen met een totaal van ongeveer 12.000 leden. De recentste groei kan mede worden verklaard door de komst van migrantenkerken, die meer dan 60% van het aantal bij de VVP aangesloten gemeenschappen uitmaken en voornamelijk uit Afrika of Zuid-Amerika afkomstig zijn. In België staat de overheid garant voor de salarissen van priesters en voorgangers van erkende kerken. De Belgische Hervormde en Methodistische protestantse kerken hadden zich in 1979 al verenigd in de door de overheid erkende ‘Verenigde Protestantse Kerk in België’ (VPKB), maar de meeste evangelische en pinksterkerken weigerden aanvankelijk bij de VPKB aan te sluiten en schreven zichzelf zo af voor overheidserkenning en -financiering. (Een andere pleitbezorger voor de rechten van Vlaamse evangelische gemeenschappen in dit proces was de in 1980 opgerichte koepel Evangelische Alliantie Vlaanderen (EAV). De VVP is aangesloten bij de EAV.)

De publicatie in 1997 van de resultaten van een parlementair onderzoek naar de gevaren van sekten in België zou hierin verandering brengen (A. Duquesne en L. Willems, Parlementair onderzoek met het oog op de beleidsvorming ter bestrijding van de onwettige praktijken van de sekten en van de gevaren ervan voor de samenleving en voor het individu, inzonderheid voor de minderjarigen, in: Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers (Gewone Zitting 1996-1997), 28 april 1997). Dit verslag mikte niet zozeer op een genuanceerde studie van de ideeën maar voornamelijk op de eigenaardigheden en de potentiële gevaren van de onderzochte religieuze groepen, waaronder bijvoorbeeld de Getuigen van Jehova, Scientology of Sahaja Yoga. Ook de Pinksterbeweging wordt in dit verslag besproken, en enkele Pinksterkerken worden bij naam genoemd. De auteurs van dit verslag, Antoine Duquesne (MR) en Luc Willems (CVP), verbaasden zich over de vergevorderde integratie van pinksterchristenen in de samenleving: ‘Er bestaan zelfs een groep christelijke motorrijders, evenals een christelijk fitnesscentrum in Antwerpen (…) [en] gespecialiseerde boekhandels’ (Duquesne en Willems, Parlementair onderzoek, p. 343). Als addendum werd aan het parlementaire rapport ook nog de zogenaamde ‘lijst van 189 sekten’ toegevoegd, een synoptische tabel van alle groepen die door de onderzoekscommissie werden behandeld. Na maatschappelijk protest en internationale verontwaardiging werd deze lijst nooit goedgekeurd, maar het rapport zelf werd wel aanvaard door de Kamer.

Dit vormde voor de VVP, het koepelorgaan voor Vlaamse pinkstergemeenten, de aanleiding om zich toch bij de VPKB aan te sluiten en een overkoepelende federatie te vormen, in de hoop dat dit hen van het door het parlementair verslag geconstrueerde sektarische imago zou afhelpen. Het resultaat was de oprichting van de ‘Federale Synode van de Protestantse en Evangelische Kerken in België’ in 1998. Op voorstel van het Ministerie van Justitie richtten deze Federale Synode en de VPKB in 2003 vervolgens de ‘Administratieve Raad voor de Protestants-Evangelische Eredienst’ (ARPEE) op, een gezamenlijk representatief orgaan dat als communicatieplatform fungeert tussen de overheid en de aangesloten kerken en denominaties. Dit leidde tot de erkenning van de kerken van de Federale Synode door de Belgische overheid, waardoor ze niet meer met sekten konden worden verward of als dusdanig worden bestempeld. Deze erkenning impliceert sindsdien toegang tot gesubsidieerde televisie en radio, godsdienstlessen in publieke scholen en aalmoezeniersschap in het leger, in gevangenissen en ziekenhuizen. Sommige VVP-kerken hebben een door de overheid voltijds betaalde pastor. Pauwels’ vzw Power Through Love is aangesloten bij de VVP, dat via aansluiting bij de Federale Synode dus een door de overheid erkend overkoepelend orgaan is van pinkstergemeenschappen in België. Met andere woorden: de site die voor Hans Bruyninckx en de anonieme opdrachtgever de aanleiding vormde om Pauwels het verder uitoefenen van zijn onderzoekswerk te verbieden, bevat een in België erkende geloofsinhoud.

Het valt natuurlijk te betwijfelen of de commissie van de KU Leuven die besliste over het ontslag van Pauwels diens religieuze overtuiging als dusdanig heeft herkend. Eén aanwijzing van het tegendeel is alvast de verwijzing die Mark Waer maakt naar Lourdes: ‘We proberen wetenschap en religie te verzoenen. Een onderzoeker mag in de wonderen van Lourdes geloven, maar hij mag een kankerpatiënt niet aanraden naar Lourdes te gaan in plaats van de oncoloog’ (DS 5 november 2012). Als er iets is waar de eerste generaties protestanten in de zestiende en zeventiende eeuw brandhout van maakten (vaak letterlijk), dan was het wel de katholieke verering van heiligen en de daaraan verbonden bedevaartcultuur. Door Pauwels’ geloof, dat in het protestantisme zijn oorsprong heeft, te associëren met een katholiek bedevaartsoord gaf de vorige Leuvense rector dan ook blijk van onvoldoende dossierkennis. 

Stigma

Er zijn verschillende aanwijzingen om te vermoeden dat het parlementair rapport van 1997 een blijvende stigmatiserende impact heeft gehad op de publieke opinie over de Pinksterbeweging, en daardoor indirect heeft bijgedragen tot het onbegrip dat aan de basis ligt van Pauwels’ ontslag. Het rapport leidde in 1998, op voorstel van Antoine Duquesne, tot de oprichting van het Informatie- en adviescentrum inzake Schadelijke Sektarische Organisaties (IACSSO). Dit centrum is verbonden met het ministerie van Justitie maar is ‘functioneel onafhankelijk’ omdat het niet is geïntegreerd in de hiërarchische structuur van dat ministerie. Haar acht effectieve leden en evenveel plaatsvervangers uit de academische, politieke, juridische wereld en relevante organisaties worden benoemd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Het IACSSO mag dan wel zijn opgericht als een ‘onafhankelijk’ centrum, maar een blik op de geschiedenis van het voorzitterschap maakt meteen duidelijk dat net die onafhankelijkheid (of ‘neutraliteit’) in vraag moet worden gesteld. Zo werd als eerste voorzitter gekozen voor Adalbert Denaux, een katholiek kanunnik en theoloog die als vertegenwoordiger van de ‘academische kringen’ nauw bij het oorspronkelijke parlementaire rapport betrokken was. In 2005 werd Denaux opgevolgd door Henri de Cordes, die parlementair attaché was van Antoine Duquesne toen deze het onderzoek naar vermeende onwettige sektarische praktijken coördineerde. Luc Willems, die als CVP-kamerlid tijdens de jaren negentig verslaggever was van de parlementaire commissie sekten, en samen met Duquesne het bewuste verslag had geschreven, werd dan weer recent benoemd tot nieuwe voorzitter. Het bestuur van het IACSSO blijft met andere woorden in handen van zij die aan de basis stonden van de oprichting ervan. De invloed van Adalbert Denaux op het IACSSO geeft de organisatie bovendien de schijn van een inquisitoriaal observatorium dat de traditionele Vlaamse denominaties in een nativistische reactie krampachtig tracht te verdedigen tegen nieuwe, ‘vreemde’ religieuze bewegingen. De scheiding tussen kerk en staat is hier zo flinterdun dat ze doorzichtig wordt.

Het centrum doet onderzoek naar ‘het sektarisch verschijnsel in België en in het buitenland’, zorgt voor ‘de opvang en de voorlichting van het publiek’ en doet voorstellen aan de regering en het parlement om ‘de middelen ter bestrijding van de gevaren van bepaalde sektarische praktijken te verbeteren’, en dit alles ‘in de geest van het verslag van de onderzoekscommissie, zoals het door de Kamer werd goedgekeurd’ (Wetsvoorstel tot oprichting van een Federaal waarnemingscentrum voor de sekten (Gewone zitting 1997-1998, 17/12/1997), p. 2-3.) Het IACSSO is dus een openbaar aanspreekpunt dat de bevoegdheid heeft bezorgde reacties op onbekende religieuze gemeenschappen te onderzoeken en vervolgens te vertalen in beleidsturende adviezen. Dergelijke klachten kunnen natuurlijk gegrond zijn, het is enkel de vraag of dit centrum geschikt is om zulke reacties te ontvangen, te onderzoeken en de regering te instrueren.

Recent bleek immers dat het werk van het IACSSO erg gemakkelijk foutief kan worden geïnterpreteerd en misbruikt. Op 21 februari 2013 publiceerden de kranten van de Waalse Sudpresse een artikel naar aanleiding van het nieuwe verslag van IACSSO. Daarin zou onder meer staan dat België 1200 actieve sektarische groeperingen telt, en dat met name de Pinksterkerken en genezerssekten door het IACSSO als erg verontrustend worden beschouwd. Op 27 februari plaatste het centrum een korte reactie op haar website waarin het beklemtoonde dat het verslag waarvan in dat artikel sprake was nooit volledig was vrijgegeven, en dat de in de kranten verspreide informatie dus onjuist of tenminste onvolledig was. Het verslag bleek nog niet eens goedgekeurd te zijn door de nieuwe leden van haar Raad van Bestuur en zou zeker niet voor juni 2013 verschijnen.

Het is twijfelachtig of deze rechtzetting een publiek heeft bereikt dat breed genoeg was om de gedane schade te herstellen. Het artikel van de Sudpresse, de grootste Waalse krantengroep, werd immers gretig opgepikt door alle Vlaamse kranten. Ayfer Erkul, journaliste voor De Morgen, nam het foutieve bericht van de Sudpresse bovendien complexloos over in haar artikel over de als sektarisch beschouwde Vriendenkring van Bruno Groening (DM 9 maart 2013): ‘Enkele weken geleden meldde het Informatie- en adviescentrum inzake Schadelijke Sektarische Organisaties (IACSSO) dat ons land 1.200 sektarische organisaties telde. De meest verontrustende evolutie was volgens het IACSSO het succes van de Pinksterkerken en de ‘genezerssekten’.’ Het parlementair verslag uit 1997 kwam zelf ook nog eens aan bod toen de media een confidentieel rapport van de dienst Staatsveiligheid lekten (DM 2 februari 2013). Hieruit bleek dat Staatsveiligheid de contacten onderzocht van Belgische politici en wetenschappers met een aantal door hen geviseerde religieuze groeperingen, zoals Scientology en Sahaja Yoga. In het rapport worden tientallen personen bij naam genoemd. Alain Winants, administrateur-generaal van de Staatsveiligheid, verklaarde naar aanleiding van deze lekkage dat het nu eenmaal zijn opdracht is om sekten in de gaten te houden. Hij beroept zich daarvoor op, jawel, het parlementaire onderzoek uit 1997 inclusief de door de Kamer en in de publieke opinie verworpen ‘lijst van 189 sekten’. Rik Torfs, die zelf in het gelekte rapport wordt genoemd, reageerde scherp (DM 4 februari 2013). Om de werking van Staatsveiligheid te benoemen bediende hij zich van een tweeledig epitethon dat men ook de beslissing tot ontslag van Pauwels door Hans Bruyninckx en Mark Waer zou kunnen toedichten: ‘amateuristisch en dom.’

Men kan zich dus afvragen of het bestaan van een onderzoekscentrum als het IACSSO niet veel meer kwaad berokkent dan dat het door onderzoek een genuanceerd beeld kan ophangen van de diversiteit aan religieuze gemeenschappen in België (wat het zou moeten beogen). Zowel het parlementaire rapport uit 1997 als de (gemakkelijk foutief te interpreteren) activiteiten van het IACSSO vandaag resulteren in een eenzijdig beeld over ‘sekten’, een soort stereotiep beeld dat mensen er in de eerste plaats toe brengt om bij het centrum bepaalde religieuze praktijken te rapporteren. Self-fulfilling prophecy: men onderzoekt geen sekten, men creëert sekten door er onderzoek naar te voeren. En omdat dit onderzoek wordt gefinancierd door het Ministerie van Justitie doet het denken aan wat de anarchistische denker James C. Scott in Seeing like a State (1998) heeft geschreven over het ‘leesbaar’ maken van een samenleving door een overheid. Moderne staten vertonen volgens Scott een manische drang om vat te krijgen op de populatie en hun gedragingen door deze steeds opnieuw te categoriseren, te benoemen en hun ideeëngoed te simplificeren, met als enige finaliteit erover controle te verwerven. Het vergt veel minder energie om een nieuwe religieuze gemeenschap te etiketteren (en stigmatiseren) als sekte, dan te investeren in een gedegen onderzoek en van deze gemeenschap een genuanceerd beeld op te hangen en bij te dragen aan een zo goed mogelijke integratie van haar aanhangers in de samenleving. Het is zeer wel denkbaar dat, als het rapport uit 1997 er nooit was geweest, Fernando Pauwels nooit was ontslagen. Uiteraard zijn er wel degelijk verschillende bespreekbare problematieken aan te wijzen in verschillende evangelische gemeenschappen, inzake vergaande inmenging van de voorgangers in de privésfeer van de gelovigen, het belastingensysteem (de zogenaamde tienden) dat tot uitbuiting kan leiden, de groepering in de vorm van pinksterkerken door migranten die tot nog meer seclusie en gettovorming kan leiden, enzoverder. Maar uiteraard is het foutief de evangelische Pinksterbeweging in essentie gevaarlijk te noemen of als sektarisch te bestempelen. Het IACSSO moet meer zijn dan slechts een leesinstrument van de overheid om ongekende religieuze en spirituele groepen te viseren en te vertalen tot sektarische uitwassen, of het moet niet zijn. Zijn er dan geen andere mogelijkheden om een andere, meer op dialoog gerichte band tussen de overheid en nieuwe religieuze bewegingen te creëren?

 

 

De onkritische rede

Sommigen van de wetenschappelijke medewerkers die zich de afgelopen jaren in naam van de kritische wetenschapsbeoefening en de vrijheid van meningsuiting achter de zaak van Van Dyck hebben geschaard, hebben zich in de wandelgangen van hun departementen misschien wel verontwaardigd uitgelaten over het ontslag van Pauwels. Maar door het nieuws vervolgens te laten verstommen als een anekdote die net goed genoeg was om de koffiepauze op te luisteren, toonden Vlaamse academici zich meer dan ze zelf vermoeden deel van de kortzichtigheid van de instelling waartegen ze zich in hun manifesten en commentaarstukken anderhalf jaar eerder zo luidkeels hadden verzet. Het onrechtvaardige ontslag van Pauwels én de totale desinteresse die leidden tot het stilzwijgen op de maatschappelijke fora kunnen beiden beschouwd worden als een exponent van de huidige seculiere maatschappij waarin de rol en het belang van de wetenschappen als veel groter wordt gepercipieerd dan die van de religieuze sfeer.

Zowel Waer als Bruyninckx beweren dat Pauwels’ geloof er an sich niet toe deed bij hun beslissing tot ontslag. De HIVA-directeur stelde in de op de website van KU Leuven gepubliceerde verklaring dat het ‘niet het religieuze karakter op zich’ is dat hen tot ontslag heeft genoopt, ‘maar wel het feit dat deze publiek uitgedragen opvattingen en gedragingen diametraal indruisen tegen een aantal fundamentele uitgangspunten van wetenschappelijk onderzoek.’ Dit bezwaar, dat wellicht voornamelijk betrekking heeft op Pauwels’ geloof in miraculeuze genezingen, vervalt echter meteen als zou blijken dat Pauwels zijn werk en geloof strikt gescheiden hield. Wie zich de moeite getroost alle filmpjes die Fernando Pauwels online plaatste te bekijken, zal inderdaad merken dat hij zijn positie bij het HIVA of de KU Leuven nergens vernoemt. Ook in zijn blogteksten of video-opnames over genezing zoekt Pauwels nooit de polemiek op met de wetenschappen. Heeft het ontslag dan toch louter te maken met de religiositeit van Pauwels? Mark Waer beweert halsstarrig van niet: ‘of onze medewerkers gelovig zijn of niet is (…) van geen enkel belang. Wie voor de KU Leuven werkt, moet er enkel voor zorgen dat hij de faam van de instelling niet in het gedrang brengt.’ (DM 3 november 2012). Tja. Uit verschillende interviews met de gewezen Leuvense rector blijkt dat hij de ‘faam’ van de instelling voornamelijk opvat als een wetenschappelijke code die door haar medewerkers wordt nageleefd en uitgedragen. Blijkens het ontslag van Pauwels passen volgens Waer bepaalde geloofsovertuigingen klaarblijkelijk niet in die code. Ergo: het doet er aan de KU Leuven wel degelijk toe wélke religieuze overtuiging je aanhangt.

Uit de onverzoenbaarheid (volgens Waer) van Pauwels’ geloof en zijn wetenschappelijke opdracht blijkt een dualistische wetenschapsfilosofie: het subject en het object hoeven met elkaar geen enkele affiniteit te hebben opdat gedegen onderzoek kan gevoerd worden. Het redelijk vermogen van het menselijk subject volstaat immers om het object op een neutrale manier te observeren en te analyseren. Sterker: andersom geldt dat elke wederzijdse beïnvloeding van subject en object in eender welke fase van het wetenschappelijk onderzoek nefast is voor de kwaliteit van het onderzoeksresultaat. Deze eis van professionele distantie wordt vervolgens uitgebreid naar het hele leven van de onderzoeker, zodat Van Dyck volgens Waer niet én wetenschapper én activiste kon zijn, en Pauwels niet én wetenschapper én evangelisch christen.

Een dergelijke sciëntistische visie op wetenschap komt onder meer voort uit een blind geloof in de suprematie van de rede. De verlichte rede verwierf gaandeweg een onaantastbare status, en dit ten koste van religieuze dogma’s en tradities. De paradox wil dat de ‘rede’ vandaag net op een heel dogmatische manier wordt aanbeden als de enige methodologische premisse voor wetenschappelijk onderzoek. In feite is de rationele wetenschapsbeoefening, zoals die door de Verlichte filosofen (waarvan de grote meerderheid trouwens zeer gelovig was) uitgedragen werd, natuurlijk slechts een in de tijd en in een historische context te situeren methode. Elke wetenschapper met een minimum aan historisch besef zou zich er toch bewust van moeten zijn dat zijn of haar wetenschappelijke methodologie relatief is, voortdurend in ontwikkeling en dus nooit absoluut? Het dogma van de rede verblindt wetenschappers en wetenschappelijke instellingen voor de relativiteit van de menselijke ratio. De kritische rede is hierdoor per definitie onkritisch is geworden. Het verabsoluteren van het rationalistische wetenschappelijk paradigma heeft ertoe geleid dat academici zich hebben geconformeerd aan de door hun wetenschappelijke instelling uitgedragen academische code. 

 

De sleutel van Pauwels

Het HIVA is een beleidsvoorbereidend onderzoeksinstituut inzake arbeid en samenleving. Pauwels voerde in de periode van zijn ontslag onderzoek naar de inburgering van migranten in België, in het bijzonder naar Roma in Vlaanderen. Dit onderzoek zeer werd gewaardeerd, zowel door zijn collega’s van het HIVA als die van de UGent en aan het kabinet van minister Bourgeois. Pauwels voerde gesprekken met verschillende Roma met als doel meer inzicht verwerven in hun visie op de samenleving. Zijn eigen geloof speelde tijdens de vaak moeizame interviews met Roma een niet te minimaliseren rol. Aan het wereldbeeld van alle Romagemeenschappen ligt een fundamentele tegenstelling ten grondslag: die tussen Roma en niet-Roma (gadze). Centraal in hun familiale cultuur staat de kumpania of gemeenschapsband. Alles wat buiten die intieme en vertrouwde wereld valt, wordt per definitie gewantrouwd. Het is als buitenstaander dan ook bijzonder moeilijk ingang te vinden in de levenswereld van Roma.

Tijdens sommige gesprekken met Romafamilies vond Pauwels echter een gemeenschappelijke noemer die hem in staat stelde door te dringen tot een meer intieme communicatielaag: de gedeelde christelijke identiteit. Roma uit Kosovo zijn doorgaans moslims, maar de Roma afkomstig uit Roemenië en Bulgarije zijn hoofdzakelijk evangelische christenen. De geloofsovertuigingen die Pauwels deelde met de Roma, bleken een onverwachte sleutel tot meer fijnzinnige gesprekken. Deze gesprekken leverden informatie op van onschatbare beleidsmatige waarde. Onder meer dankzij deze informatie zou Pauwels’ onderzoek in diepgang excelleren en veel lof ontvangen. (Het verslag van dit onderzoeksproject werd inmiddels gepubliceerd: Heleen Touquet en Johan Wets (m.m.v. Fernando Pauwels), Context, drijfveren en opportuniteiten van Midden- en Oost-Europese immigratie. Een exploratief onderzoek met focus op Roma (HIVA-KU Leuven, 2013).)

De ironie is pijnlijk. Pauwels werd ontslagen omwille van de evangelische aard van zijn geloof, uitgerekend in een periode waarin hij onderzoek voerde naar een immigrantenminderheidsgroep die grotendeels uit evangelische christenen bestaat. Dit onderzoek scheerde hoge toppen mede omdat Pauwels’ geloof de sleutel bleek tot een onverhoopt vruchtbare communicatie met een anders zeer gesloten gemeenschap.  

Quaestiones

De kritische rede wordt beschouwd als een typisch ‘moderne’ verworvenheid en wordt in onze geseculariseerde samenleving in het vaandel gedragen als het enige valide denkproces. Deze ‘secularisering’ wordt vaak aangevoeld en gepresenteerd als het logische eindpunt van een lange progressieve evolutie naar een objectieve, neutrale wetenschapsbeoefening. Maar het voorbeeld van Pauwels toont aan dat de wetenschappelijke houding en religiositeit voor de hedendaagse universitaire onderzoeker geen onverenigbare identitaire eigenschappen hoeven te zijn. Mocht de KU Leuven het tegendeel blijven verdedigen, namelijk dat het geloof in de realiteit van een bovennatuur in strijd is met de fundamentele beginselen van de wetenschap, dan zou het zich ook moeten hebben bezinnen over, pakweg, de positie van alle katholieke geestelijken die momenteel werkzaam zijn aan de Faculteit Theologie en Religiewetenschappen.

De opdrachtgever van het onderzoek dat Pauwels op dat bewuste moment voerde was het agentschap voor Binnenlands Bestuur van de Vlaamse Regering. Het inburgerings- en integratiebeleid werd gecoördineerd door Geert Bourgeois (NV-A), toenmalig Vlaams minister van Inburgering. Kwam de klacht over Fernando’s site misschien vanuit het kabinet van Bourgeois? Dit zou kunnen verklaren waarom het HIVA Pauwels meteen van het project haalde: het instituut hoefde Pauwels’ contract na januari 2013 helemaal niet te verlengen en zou niet verplicht zijn geweest die beslissing te beargumenteren. Mocht een andere (toekomstige) opdrachtgever zijn bedenkingen hebben gehad bij Pauwels, dan had het voor het HIVA volstaan Pauwels het project te laten afwerken en hem vervolgens gewoon niet opnieuw aan te stellen. Hoe het ook zij: had de Vlaamse overheid geen publieke stelling moeten nemen in deze zaak, daar zij als rechtstreekse opdrachtgever betrokken was?

Door een pinksterchristen werkzaam op een onderzoeksproject over migratie en integratie te ontslaan gaven het HIVA, de KU Leuven én de Vlaamse overheid een ongelukkige boodschap aan de in België in aantal en in omvang groeiende evangelische (immigranten)gemeenschappen. Die boodschap heette immers, grof gesteld: niet welkom. Het ontslag bevatte niet enkel een intolerante, xenofobische, maar ook een subtiele, en precies daarom des te meer perverse, racistische subtekst. Het was aan de directeurs en ambassadeurs van de denkcentra van ons land zoals om deze boodschap bij te sturen.

Na anderhalf jaar rechtszaak volgde uiteindelijk ook de rechtzetting. Het is echter maar de vraag welke impact die twee paragraafjes zullen hebben op werkgevers en werknemers die in de toekomst in soortgelijke situaties terecht komen.

(Enkele gegevens in de inleiding en de paragraaf ‘De sleutel van Pauwels’ zijn afkomstig uit een telefoongesprek tussen Fernando Pauwels en mezelf.)

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!