Fietsen

Fietsen

vrijdag 19 januari 2018 18:39

Nu heb ik het toch wel gehad. Willen ze me helemaal buiten pesten? Zo te zien wel.

Laat mij toe mij eerst even kort voor te stellen. Ik ben een mountain biker. Neen, niet zo één die de concurrentie met Sven Nijs wil aangaan. Mijn gemiddelde snelheid ligt rond de 15km per uur.  Vijf bergop en tien bergaf.   Mijn laatste tocht van 30km heeft zelfs bijna drie uur geduurd. Onderweg ging ik wel  twee keer over de 1700 meter en  mijn remmen hadden het zo goed als begeven. Daardoor ging ik bergaf – uit schrik – zo mogelijk nog trager dan bergop.

Rwanda is een fantastisch land om te fietsen. Wie vanuit Kigali een tiental minuutjes peddelt zit meteen in de volle natuur. De meest kleurrijke vogels fluiten je toe en  een overweldigend berglandschap beneemt je  letterlijk je adem.  Het is er zoals overal in de bergen: als je uitgeput denkt dat je eindelijk  bent boven gesukkeld, dan lacht  na de volgende  bocht weer eens een Berendries of  een nieuwe Muur van Geraardsbergen je toe.

Maar ik ben boos. Eén keer kan toeval zijn maar hoeveel keer is het nu al gebeurd? Ik heb het over het feit dat de Rwandese overheid  me steeds mijn piekfijn uitgestippeld parkoers ontneemt. Telkens  moet ik constateren dat in een mum van tijd mijn weg weg is en dat er een fantastische asfaltbaan in de plaats kwam.  Het smalle pad midden de natuur werd weer eens opgewaardeerd tot een prachtige avenue waar de volgende Tour du Rwanda zal passeren.  Het heet dat goede wegen en infrastructuur goed zijn voor de economie. Alsof mountain bikers dat niet zijn!

Ik vraag me af hoe ze het te weten komen waar ik fiets.  Het moet zijn dat die massa beroepsfietsers er een bijjob voor de spionagedienst op nahouden. Ik durf me namelijk al eens in het wiel nestelen van zo’n kerel. Er rijden hier veel sterke mannen op een fiets rond die alles vervoeren wat er te vervoeren valt: vrouwen, vier volle melkkannen, drie kinderen, vijf zakken maïs, zes bierbakken. Het liefst zit ik achter zo’n fietser die een deur vervoert. Dat gebeurt hier om één of andere reden zeer veel.  Dan zit ik in een zetel netjes uit de wind. Vergis je niet, telkens ik dat doe zie ik mijn gemiddelde snelheid de hoogte in schieten, tot zelfs meer dan twintig per uur. Ik heb het Sven Nijs nog nooit zien doen.

Waarschijnlijk plegen die kerels ‘s avonds na hun uren een belletje  en leggen piekfijn uit waar ik fietste. Op dat geheime hoofdkwartier is er dan een bobo die luid lachend in zijn handen wrijft: “die gaan we eens goed bij zijn moezoengoes hebben.” Zo moet dat gaan.

Maar ik geef niet op. Ik blijf nieuwe wegels zoeken. Wegels die me langs dorpen brengen waar mensen juichend buitenkomen bij het zien van zo’n gek exotisch exemplaar. Kinderen proberen mee te lopen en als het bergop gaat lukt hen dat ook. Het is trouwens zo dat ik getuige was van de voor mij grootste sportprestatie in Rwanda. Gewoonlijk zijn het ukjes die meelopen maar nu was het een jongedame van 15. Gekleed in haar schooluniform, lange jurk, dikke pull, boekentas op de rug en zeesletsen aan de voeten, begon ze mee te lopen.  Eén kilometer, twee, drie, vier tot we samen boven kwamen en zij als beloning mijn drinkbus mocht ledigen. Haar loopstijl was er één om de nationale trots Imana Truyers jaloers te maken. Maar meer dan een paar goede punten op haar rapport en nu een bezwete zoen op de wang van een muzungu zal haar looptalent haar niet opbrengen. Rwanda is geen sportland. In geen enkele sport blinken ze uit.

Zou dat geen mooiere uitdaging zijn: investeren in sport in plaats van in het pesten van vriendelijke blanke mannen?

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!