Feminisme vandaag: actualiteit en uitdagingen

Feminisme vandaag: actualiteit en uitdagingen

donderdag 7 oktober 2010 15:46

De term feminisme heeft betrekking op zowel het feministisch ideeëngoed als op de feministische beweging. De tweede feministische golf vanaf de jaren ’70 bracht beide tegelijkertijd tot een nieuwe eigentijdse bloei, voortgestuwd door gezamenlijke actie, die ook de traditionele vrouwenorganisaties meetrok. Precies door die actie vormden de vele groepen met hun ongetwijfeld uiteenlopende ideeën, opvattingen, doelstellingen een zichtbare beweging, geïnspireerd door een gedeelde visie dat een radicale transformatie van de samenleving voorwaarde was voor de emancipatie van vrouwen en bij uitbreiding van alle mensen. Wat de uitkomst van die radicale transformatie moest zijn, daarover bestond uiteraard geen eensgezindheid. Het resultaat was wel een beweging die de bestaande orde op vele manieren in vraag stelde. Begin van de jaren ’80 wordt het actiegedreven elan van de feministische en de bredere vrouwenbeweging gebroken. Dit luidt een traag voortschrijdende crisis in: groepen zoals de femsoc-beweging (1), die het voortouw namen in de actie, verdwijnen, autonome feministische bladen houden er de een na de andere mee op. Emancipatie wordt in de eerste plaats een beleidsdoelstelling in handen van een staatssecretaris of minister. Feminisme wordt oubollig genoemd, de jaarlijkse vrouwendagen krijgen het etiket van een evenement voor oudstrijdsters. Kortom feminisme is overbodig en emancipatie wordt geprangd binnen de contouren van het politiek haalbare van het moment, om zonder pardon verzopen te worden in een diversiteits- en genderbeleid en te eindigen als (ingebeelde) inzet van een zogenaamde strijd tussen culturen. Bestaat hierop een feministisch antwoord?

 

Einde van de tweede feministische golf?

Een discussie over het einde van de tweede feministische golf is even interessant als een discussie over het geslacht van de engelen. Maar vermits het een discussie is met een politieke dimensie, kan je er niet onder uit.

 

Het einde van de tweede feministische golf en het aanbreken van een derde is al vaker aangekondigd, vooral door nieuwe en mediagenieke feministische trends. Alsof zo’n derde golf een te bestellen goed zou zijn en geen concept, dat een naam geeft aan een historische vaststelling, namelijk dat er sprake is van twee perioden van grote feministische activiteit, aangeduid als eerste en tweede feministische golf. Of er een derde golf komt en wanneer is voer voor historici later. Vandaag spreken over een derde golf, dient vooral om aan te geven dat de tweede golf haar tijd heeft gehad.

 

En inderdaad het feminisme, zoals het vorm kreeg in de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw (wat klinkt dit ineens heel ver weg) en voortleeft in de uitlopers van de tweede feministische golf, staat vandaag na een lange aanloop op een historisch keerpunt. Het concept van de gelijkheid van man en vrouw wordt gebruikt als glijmiddel voor een antimoslimdiscours en de vraag is of het feminisme zich voor die kar gaat laten spannen of niet. In het licht hiervan wordt vanuit tegengestelde invalshoeken over het einde of het failliet van het tweedegolffeminisme gesproken.

 

De ene stelling luidt dat het tweedegolffeminisme zijn doel heeft bereikt of toch zo goed als en dat het dus uitgediend is. De gelijkheid van man en vrouw is verworven, althans hier ‘bij ons’ en in het Westen in het algemeen. Emancipatie is nog slechts een kwestie van individuele keuzes van dé vrouw. Het is wel tijd voor een derde feministische golf zoals Dirk Verhofstadt, ideoloog van de VLD stelt, waarbij de westerse verworvenheden overgedragen worden op dé niet westerse vrouw, in het bijzonder dé moslimvrouw, die zo onderdrukt is dat ze geen individuele keuzes kan maken, ook niet als ze in België woont, en die zo buiten de samenleving, waarvan ze deel uitmaakt, wordt geplaatst. Volgens Robert Voorhamme, SP.a moet het westers feminisme zelfs die nobele taak van overdracht op zich nemen. (2)

 

De andere stelling luidt dat het tweedegolffeminisme voor een failliet staat, in de mate dat een belangrijke stroming met het type verhaal à la Dirk Verhofstadt meegaat, daarmee de diversiteit in het feministisch ideeëngoed negeert en de basisprincipes schendt van het feministisch denken en handelen, namelijk autonomie, gelijkheid, wederkerigheid en solidariteit, vermits de achtergrond waartegen het verhaal speelt de moslimwereld is en de onderdrukte willoze handelingsonbekwame moslimvrouw.

 

Het debat hierover overstijgt uiteraard het Vlaams niveau en wordt in onze buurlanden in vrijwel gelijkaardige termen gevoerd. Het gaat hem niet om het gebakkelei over tweede of derde golf maar over de vraag of het feminisme in het Westen vandaag nog als autonome maatschappijkritische kracht kan denken en handelen en wat dit dan precies inhoudt.

 

De tweede feministische golf

 

Het tweedegolffeminisme, ooit een levendige beweging met een divers gedachtegoed waarin het maatschappijkritische de boventoon had, wordt vandaag bedreigd door een verstarring op vele vlakken. In plaats van buitenparlementaire actie en kritische opstelling tegenover het systeem komt institutionalisering binnen het systeem; in plaats van actie op eigen kracht voor eisen op basis van wat we willen, komt lobbywerk voor eisen op basis van een inschatting van het haalbare; in plaats van solidaire wederkerigheid komt etnocentrisme. In plaats van ruimte voor de vele reëel bestaande feminismen komt de ultieme verstarring die feminisme reduceert tot een westers monopolie, terwijl precies de les uit de tweede golf feminisme niet is dat hét feminisme niet bestaat, maar dat er vele feminismen zijn.

 

In het feminisme hebben altijd verschillende visies bestaan op de ongelijkheid van vrouwen en mannen, verschillende maatschappijvisies en verschillende visies op emancipatie- of bevrijdingsstrategieën. Ze stonden naast elkaar, overlapten elkaar, niemand eiste een monopolie op. Integendeel de feministische beweging waaierde als maar meer uit in specifieke feminismen (radicaal feminisme, femsoc-feminisme, liberaal feminisme, vredesfeminisme, ecofeminisme, lesbisch feminisme, etnische feminismen, enz…). En dan spreken we nog niet over het internationaal karakter van de feministische beweging, met de vele diverse nationale accenten.

 

Doorheen die hele waaier van feminismen liep wel een fundamentele scheidingslijn. Aan de ene kant zij die stelden dat de ongelijkheid van vrouwen en mannen voortkomt uit de universele strijd tussen de seksen. Aan de andere kant zij die stelden dat die ongelijkheid deel uitmaakt van een ruimer uitbuitings- en onderdrukkingssysteem, met zijn vele steeds wijzigende vormen van discriminatie en racisme, en dat vandaag het kapitalistisch systeem is.

Tijdens de hoogdagen van de tweede (en overigens ook de eerste) feministische golf waren er groepen actief die zich op de ene of de andere visie beriepen, die er een genuanceerde of helemaal geen visie op hadden. Wat hen verbond was de actie, het feit te behoren tot een beweging. Die actie kwam meestal tot stand op initiatief van de autonome vrouwenbeweging. De ideologische tegenstellingen weerhielden de groepen niet om gezamenlijk te mobiliseren voor concrete onmiddellijke eisen zoals abortus uit het strafrecht, recht op werk, tegen geweld op vrouwen, voor lichamelijke zelfbeschikking, enz.

 

Aan deze mobilisaties komt een einde in het begin van de jaren ’80, overigens niet alleen in België. In België is ‘Vrouwen tegen de Krisis’ (VTK) de laatste grote mobilisatie en zoals elders stuit ze op het neoliberaal offensief. Inmiddels zijn ook bepaalde aspecten van vrouwenemancipatie verworven en geïntegreerd in het beleid of zullen er in geïntegreerd worden op korte termijn: de strijd tegen ongewenst seksueel gedrag op het werk, de strijd tegen geweld op vrouwen, legalisering van abortus om er maar enkele te noemen. Hierop staat één onvoorwaardelijke beperking: aan de bestaande sociaal-economische verhoudingen wordt niet geraakt. Zo kan het dat een minister van werk aan de ene kant deeltijd werk, een ongelijke verdeling van het werk ten koste van overwegend vrouwen, uitbreidt en aan de andere kant (goede) campagnes voert als bijvoorbeeld ‘seks-collega ex-collega’. Feministen lijken voor de keuze te staan: nuttig werk leveren en zich inschakelen in de emancipatiepolitiek of blijven vechten tegen de bierkaai. Het is een kortstondige gouden tijd voor het emancipatiebeleid met zijn stelsel van emancipatieambtenaren, emancipatieadviseurs, emancipatie-effectenrapporten enz.. De illusie houdt niet lang stand. Het emancipatiebeleid lost vrij snel op in een genderbeleid, een gelijkekansenbeleid, een diversiteitsbeleid, die doorgevoerd worden via zogenaamde mainstreamingsstrategieën (integratie van een specifiek beleid in alle beleidsdomeinen). Maar dat is een ander verhaal. Belangrijk is dat dit alles gevoed wordt door de opvatting dat emancipatie vandaag geen aparte aanpak meer vergt en dat emancipatie meer en meer een kwestie is van sensibilisatie en individuele keuzes van mensen. Deze opvatting levert de stof voor de illusie dat in het Westen de vrouwenemancipatie voltooid is en voor een discours dat van emancipatie een westers monopolie maakt, dat voor eens en altijd aangetoond heeft wat het begrip emancipatie inhoudt en welke weg er naartoe leidt.

 

Vooraleer hier verder op door te gaan is het nodig de verschillende feministische visies op de verhouding tussen vrouwen en mannen nader te bekijken.

 

Feministische visies en een analysekader

 

De onderdrukking en discriminatie van vrouwen lijkt van alle tijden en plaatsen. Volgens sommigen zijn ze universeel en vloeien ze voort uit de fundamentele tegenstelling tussen mannen en vrouwen, die essentieel verschillend zijn van elkaar. Een strategie van vrouwenemancipatie richt zich in die visie eerder op een herwaardering van het vrouwelijke.

 

Dat de ongelijkheid van vrouwen en mannen zeer oud is staat vast. Misschien is ze wel de eerste sociaal-maatschappelijke ongelijkheid. Maar het is ook duidelijk dat ze intussen historisch evolueerde en verweven is met alle andere vormen van sociaal-maatschappelijke ongelijkheid. Het komt er dus op aan dat telkens concreet te analyseren. Hoewel de ongelijke behandeling van vrouwen deel uitmaakt van het systeem, is deze heel verschillend naar gelang de categorieën van vrouwen: vrouwen uit de gegoede klasse hebben bijvoorbeeld een merkelijk sociaal, cultureel en materieel voordeel op vrouwen uit de arbeidersklasse; westerse vrouwen hebben vaak heel wat voor op vrouwen uit de migratie, maar ook hier verschillen de onderlinge verhoudingen naargelang de sociale klasse van betrokken vrouwen.

 

Inzicht in de positie van vrouwen in de hedendaagse wereld krijg je door de verwevenheid ervan met het uitbuitings- en onderdrukkingssysteem van het kapitalisme en imperialisme te onderkennen en te analyseren. Wat is de impact van klasse, etniciteit, seksuele geaardheid, kolonialisme en neokolonialisme op de onderdrukkingsmechanismen ten aanzien van vrouwen?

 

Dit analysekader laat toe in te zien dat er geen klasse van vrouwen tegenover een klasse van mannen staat maar dat beider posities in een systeem van vele ongelijkheden, waarmee ze verweven zijn, verankerd zitten. Het laat ook toe in te zien dat vrouwen niet zomaar al dan niet passieve slachtoffers van mannen zijn. Vrouwen houden mee het systeem en hun ondergeschikte positie in stand, doordat ze het internaliseren en via culturele tradities en opvattingen over de rol van vrouwen en mannen en over vrouwelijkheid en mannelijkheid doorgeven van generatie op generatie. Maar vrouwen verzetten zich ook tegen die tradities en komen op voor verandering. Naargelang de posities van groepen vrouwen zullen de doelstellingen van dat verzet verschillen en naargelang de cultuur zullen de actiemiddelen eveneens uiteenlopen. De onderneemster wil iets anders dan de werkneemster en beide willen iets anders dan de huisvrouw. Ook de bommoeder wil iets anders dan de huisvrouw. De onderneemster, werkneemster of huismoeder uit een gediscrimineerde minderheidsgroep wil iets anders dan de onderneemster, werkneemster of huismoeder uit de discriminerende meerderheidsgroep. Enzovoort. Vele vrouwen zijn voor het recht op abortus en fysieke zelfbeschikking, maar niet alle vrouwen. En zo kunnen we nog een tijd voortgaan. Vele vormen van accommodatie met het systeem, vele vormen van verzet binnen of tegen het systeem. Vrouwen zijn actieve deelneemsters aan de samenlevingen waarvan ze deel uitmaken, aan hun plaats daarin en aan de strijd voor verandering.

 

Wie de moeite neemt dit telkens concreet te analyseren weet dat het iets ingewikkelder zit dan de reducerende idee van één allesbepalende tegenstelling tussen vrouwen en mannen, de strijd tussen de seksen.

 

Wie de moeite neemt van een concrete analyse komt tot de conclusie dat binnen het kapitalistisch (wereld)systeem de gelijkheid van mannen en vrouwen nooit bereikt kan worden, vermits het systeem steunt op een complex geheel van ongelijkheden, die het voortdurend reproduceert en transformeert en die de positie van verschillende categorieën van vrouwen beïnvloeden en bepalen.

 

De feministische visie dat de tegenstelling tussen mannen en vrouwen alles bepalend is, leidt uiteindelijk tot het ontkennen van dat complex geheel van ongelijkheden. Die visie wint vandaag aan populariteit, ze inspireert het beleid, ze inspireert een etnocentristisch feminisme en het islamofoob discours, waarover verderop meer. Daartegenover staat een andere feministische visie dat alle ongelijkheden in rekening brengt en dat stelt dat het over de bevrijding van alle vrouwen gaat door de praktijk en de actie van die vrouwen zelf. Het stelt dat er noch een uniek model noch een unieke weg naar vrouwenemancipatie zijn, en dat de vrouwenbeweging er alleen maar uitkomt met de erkenning van elkaars diversiteit, met de toepassing van principes als autonomie, zelfbeschikking, wederkerigheid, solidariteit (de feministische versie van vrijheid, gelijkheid, broederschap), met debat en discussie, met onderlinge allianties en breuken.

 

De reeel bestaande ongelijkheid negeren of analyseren

 

De vrouwenbeweging mag dan al heel wat dingen verwezenlijkt hebben, het blijft een feit dat nergens ter wereld de ongelijkheden tussen vrouwen en mannen ongedaan zijn gemaakt, dus dat de vrouwenemancipatie niet voltooid is.

Nochtans wint de populaire opvatting veld in het Westen dat dit wel het geval is, dat mannen en vrouwen toch gelijke kansen hebben en dat als er nog ongelijkheden zijn deze voortkomen uit het fundamentele verschil tussen de seksen.

 

De formele wettelijke gelijkheid van mannen en vrouwen is een belangrijke voorwaarde om tot effectieve gelijkheid te komen. Alles hangt af van wat men onder gelijkheid verstaat. Gaat het om gelijke kansen binnen een structureel ongelijk systeem, dat aanvaard wordt als een onveranderlijke natuurlijke wetmatigheid? Dat is het uitgangspunt van het huidige gelijkekansenbeleid, waarin het individu de laatste hefboom is voor het verwezenlijken van emancipatie. Het komt er op aan dit individu te responsabiliseren, zodat het de juiste keuzes maakt uit de geboden kansen. Dat precies het keuzeaanbod van het beleid de reële keuzemogelijkheden structureel beperkt, staat niet meer ter discussie. De vraag bijvoorbeeld waarom deeltijd werk nog altijd vooral door vrouwen gedaan wordt met als gevolg dat de uitbreiding van deeltijd werk structureel de ongelijke toegang van vrouwen en mannen tot de arbeidsmarkt reproduceert, wordt uit de weg gegaan met de stelling dat die vrouwen een individuele keuze maakten. Hoogstens dienen mannen gesensibiliseerd te worden om zorg voor het gezin en betaald werk eerlijker te verdelen en werkgevers om te aanvaarden dat ook mannen deeltijd kunnen werken. In deze benadering hoeven een heleboel vragen niet meer gesteld te worden. Zoals waarom wordt er vooral deeltijd gewerkt in traditioneel vrouwelijke sectoren en fundamenteler waarom de arbeidsmarkt gesegregeerd blijft in mannen en vrouwensectoren en in mannen en vrouwenfuncties. Of waarom er voltijdse en deeltijdse banen zijn en hoe die opsplitising verbonden is met ongelijkheden tussen mensen, steunend op vooropgestelde of traditionele opvattingen over vrouwen- en mannenrollen. Of hoe het komt dat vooral blanke goed opgeleide niet al te oude heteroseksuele gehuwde mannen met een inheems klinkende naam en met een gezin het meeste kans hebben op een goede en vaste baan. Of waarom gelijk loon voor gelijk werk nog altijd geen verworvenheid is. Of wat de verklaring is voor het feit dat vooral vrouwen betaald werk en zorgarbeid thuis combineren: hun zorgende geaardheid die hen ervoor doet kiezen; het feit dat mannen vaak meer verdienen; of het feit dat het beleid uitgaat van een anderhalf kostwinnersschap?

 

Een van de terreinen, waar de formele gelijkheid van vrouwen en mannen duidelijk nog niet bereikt is, is de politiek. Maar hoe wordt ze bepleit? Waarom willen we gelijke vertegenwoordiging van vrouwen en mannen in de politiek? Omdat vrouwen op een andere manier aan politiek doen, zoals zo vaak beweerd wordt? Omdat vrouwen de bekommernissen van vrouwen beter politiek vertolken, wat ook al eens opgeworpen wordt? Of -iets complexer- omdat de ongelijke aanwezigheid van vrouwen in de politiek een democratisch deficit betekent, dat de ongelijke positie van vrouwen in de samenleving weerspiegelt? Waarbij dan ook de vraag kan gesteld worden welke vrouwen het maken in de politiek? Wat is hun opleiding, hun klasseafkomst, hun etnische afkomst, hun seksuele geaardheid? Maar neen men heeft het liever over hun kledij, hun voorkomen, hun schoonheid, hun babegehalte, kortom hun vrouwelijkheid.

 

De visie dat vrouwen en mannen aparte werelden bevolken blijkt een populaire verklaringsbron voor ongelijkheden, die niet meer als dusdanig herkend worden. Mannen komen van mars, vrouwen van venus. Dat traditionele ideeën over mannelijkheid en vrouwelijkheid geëxploiteerd worden door de mode-industrie, de reclamewereld, de porno-industrie en de schoonheidsindustrie (van missverkiezingen tot esthetische chirurgie) is geen punt meer. Erger sexy kledij en al dan niet voor het goede doel naakt gaan op tv (bv. het hele gedoe rond naaktkalenders) staan symbool voor bevrijding en zijn dingen waar vrouwen en meisjes vrij voor kiezen, ongeacht de context waarin ze dit doen. Deze ontkenning van de concrete context komt een nieuw en krachtig idee-fixe ten goede, namelijk dat van de vrije westerse vrouw versus de onvrije moslimvrouw, gesymboliseerd door hun respectievelijke kledij: zoals westerse sexy kledij op zich bevrijdend zou zijn en een kwestie van vrije keuze (al wordt wie er niet voor kiest gebrandmerkt als een tante nonneke, zoals gebeurde met Inge vervotte) zou moslimkledij op zich onderdrukkend zijn en onmogelijk een kwestie van vrije keuze.

 

Om te besluiten. De in wezen liberale kijk op de samenleving als een verzameling van vrij kiezende individuen, die slechts geresponsabiliseerd moeten worden om werk te maken van hun emancipatie (en welzijn) verhult het complexe geheel van structurele ongelijkheden, seksisme, racisme en zijn culturele variant en allerlei discriminaties. Het is een populair verhaal, dat bij brede lagen van de bevolking aanslaat maar ook bij feministen. Toch houdt het niet stand bij een wat grondigere analyse. De keuzes waarover het gaat zijn beperkte keuzes. Ze wekken een schijn van vrijheid. Er zijn wel wat termen te bedenken voor een feminisme dat hierop stoelt: consumptiefeminisme, lifestylefeminisme, vrijemarktfeminisme, gepriviligieerd feminisme. Het gaat immers over emancipatiekeuzes op maat van individuele vrouwen die over voldoende middelen beschikken om bijvoorbeeld met dienstencheques een goedkopere huishoudhulp te betalen. Maar wie helpt in het huishouden van de huishoudhulp? Zo komt men tot een emancipatie met verschillende snelheden, stilstand inbegrepen, terwijl de illusie van de vrije keuze overeind blijft en een basis vormt voor het nieuwe dogma van emancipatie als een westerse verwezenlijking.

 

Culturalisering van het feminisme

 

In België en in de westerse wereld in het algemeen ent zich op het verhaal van de vrije keuze, dat van dé vrije westerse vrouw en de culturalisering van vrouwenemancipatie. Een populair islamofoob discours is op gang gebracht door politici, wetenschappers en opiniemakers allerhande, waarbij dé vrije westerse vrouw tegenover de onvrije moslimvrouw wordt geplaatst. In dit discours is de hefboom van vrouwenemancipatie verschoven van de vrouwenbeweging en haar strijd naar dé (westerse) cultuur. Dit herleidt vrouwen in het westen tot even willoze passieve wezens als moslimvrouwen. Als de vrouwenbeweging al een rol gespeeld heeft, dan is ze nu wel passé, aldus het discours. En het hoge woord hoeft ze ook niet te voeren. Het hoge woord in deze voeren vooral mannen over de hoofden van de betrokken vrouwen heen, want noch zij die het verhaal tegenspreken noch zij die getuigen van hun vrije keuze voor de islam en de bijhorende kledingregels wenst men te horen. Van de enen wordt gezegd dat ze zich laten beetnemen door de moslims, van de andere dat ze hun onderdrukking zo geïnternaliseerd hebben dat ze niet meer weten dat ze onderdrukt worden. Men kan dus van een ware kaping van het feminisme spreken.

 

Die culturalisering van emancipatie krijgt geloofwaardigheid dankzij precies de opvatting dat emancipatie gaat om de (wettelijke) gelijkheid van vrouwen en mannen. Het laat toe te stellen dat alleen de westerse democratieën de vrouwenemancipatie hebben volbracht in tegenstelling tot de niet westerse regimes, in het bijzonder de islamitische, en vervolgens dat alleen de westerse cultuur dit kon volbrengen in tegenstelling tot de moslimcultuur, ook die van de moslimgemeenschappen binnen de westerse democratieën. Dat de wetten van die democratieën gelden voor alle burgers van het land, ook die met een andere culturele en religieuze achtergrond, en dat die wetten al eens overtreden worden door om het even wie met om het even welke culturele achtergrond komt niet ter sprake. Zo behandelen de media een gezinsdrama als een jammerlijk fait divers en een eremoord als een barbaarse cultuuruiting. Maar zijn beide geen cultureel geïnspireerde varianten van verwerpelijke en extreme vormen van familiaal geweld tegen vrouwen (en kinderen). Alleen wordt het (westers) cultureel karakter van het gezinsdrama nooit benoemd, dat van de eremoord des te meer.

 

Overigens is de suggestie zelfs niet dat de moslimcultuur de vrouwenemancipatie nog moet verwezenlijken. Neen, onderdrukking van vrouwen zou inherent zijn aan de moslimcultuur, waarin vrouwen eeuwig de willoze passieve slachtoffers van hun mannen zijn en blijven. Of ze dat nu willen of niet, hun énige hoop is de westerse cultuur, die letterlijk de baanbreekster is van vrouwenemancipatie, desnoods met verboden en met wapens en geweld. Zo wordt het argument van islamitische vrouwenonderdrukking dan ook voortdurend ingeroepen als rechtvaardiging voor een verbod op het dragen van de hoofddoek evenals voor imperialistische interventies in Irak, Afghanistan enz., wat de islamitische (en andere) vrouwenorganisaties her en der daar ook mogen over zeggen.

 

Het prentje kan afgerond worden met de bewering dat de positie van vrouwen symbool staat voor hoe ver gevorderd een cultuur is: dé westerse cultuur is duidelijk superieur aan de moslimcultuur want alleen zij omarmt de gelijkheid van man en vrouw (naast andere universele waarden).

 

Als ideologische constructie is dit verhaal bijzonder samenhangend. Het wordt gekenmerkt door idealisme en essentialisme, culturalisme en dogmatisme. Idealisme en essentialisme omdat dé westerse vrouw en dé islamitische vrouw concrete vrouwen herleiden tot ideaalbeelden van aan elkaar tegengestelde essenties met ontkenning van hun maatschappelijke werkelijkheid, hun reëel bestaan, hun bewustzijn, hun actiecapaciteit, hun oordelingsvermogen, hun autonomie.

Culturalisme omdat mensen herleid worden tot producten van cultuur en godsdienst, terwijl cultuur en godsdienst net door mensen wordt geproduceerd. Zo plaatst men culturen als starre monolitische gehelen tegenover elkaar, wordt alles door een culturalistische bril bekeken. Als een moslimvrouw omwille van haar hoofddoek moeilijkheden ondervindt om werk te vinden is dat dan te wijten aan haar cultuur en aan haar onwil om zich te integeren en niet aan discriminatie en eventueel andere maatschappelijke factoren? Zo komt men uit bij een botsing van culturen en een hiërarchie van culturen, wat de westerse overheersing en onderdrukking, waarover het écht gaat, verhult en zelfs rechtvaardigt.

Dogmatisme omdat de veronderstelde in het westen verworven gelijkheid van man en vrouw tot een abstracte en onaantastbare maatstaf wordt verheven waaraan losse concrete en vaak anekdotische feiten uit niet-westerse -lees moslim- culturen gemeten worden. In de abstractie wordt de concrete analyse vervangen door een geloof, dat geen discussie meer gedoogt: iedereen weet toch waarover het gaat, vermits de abstractie nooit concreet kan zijn…

 

Analyse of geloof: uitdagingen aan het feminisme

 

Na bijna een halve eeuw tweede feministische golf staat het hedendaags feminisme voor prangende keuzes. Welke houding aannemen tegenover het heersende discours?

 

Men kan als feminist meegaan in het verhaal van de superieure westerse cultuur en haar reddingsmissie van niet westerse vrouwen. Deze keuze is overigens geen privilege van westerse feministen. Ook een Ayaan Hirsi Ali kiest hiervoor.

 

Men kan als (ex?) feminist er de brui aan geven, het niet meer weten, met rust gelaten willen worden. Het is inderdaad geen pretje in te gaan tegen de stroom van met feministische pretenties gekruide islamofobe uitspraken van zoveel geleerde en geëerde heren en af en toe een enkele dame. Ook deze houding is geen privilege van westerse vrouwen.

 

Men kan als feminist de traditie verderzetten van autonoom en kritisch denken, spreken en handelen. Hoeft het nog gezegd dat ook die houding geen privilege van westerse feministen is. Niet de ene of andere set van culturele aanspraken is hier de leidraad, maar wel de aloude feministische principes: feminisme gaat over de bevrijding van alle vrouwen en gelijkheid van alle mensen. Vrouwen zullen zelf wel bepalen wat voor hen emancipatie betekent en opkomen voor hun rechten. Wat hen en hun actie bindt is vrijheid, solidariteit, wederkerigheid. Twee voorbeelden.

Ten eerste: BOEH! (Baas Over Eigen Hoofd) dat opkomt voor het recht van vrouwen om zelf te bepalen of ze al dan niet een hoofddoek dragen, noemt zichzelf een multiculturele, multireligieuze, feministische actiegroep en dat komt tot uiting in de samenstelling van de groep.

Ten tweede: RAWA, de Revolutionary Association of Women of Afghanistan is een actiegroep die strijdt voor de emancipatie van Afghaanse vrouwen en die zich uitspreekt tegen de aanwezigheid van vreemde troepen in Afghanistan. En om te eindigen de vraag: wat kiezen we, solidariteit met RAWA of steun aan het door het westen beheerde vrouwenhuis Istahif, dat de boodschap de wereld in stuurt dat “de Afghaanse vrouwen gebroken zijn en geen weerstand meer hebben”.

 

De autonoom en kritisch denkende en handelende feministische traditie voorzetten is niet de gemakkelijkste keuze. Ooit was autonoom en kritisch denken het handelsmerk van een brede actieve feministische en vrouwenbeweging. Vandaag staat ze onder vuur en is ze in het defensief gedrukt. Maar er zijn altijd keuzes te maken op basis van een analyse van concrete feiten en gegevens, getoetst aan feministische principes. Dat is boeiender, interessanter maar ook moeilijker dan het geloof in de superioriteit van één cultuur en het beslag dat ze legt op de term emancipatie (en feminisme).

 

Ida Dequeecker

Dit artikel is de weergave van een lezing gevolgd door een debat over de stand van zaken van het feminisme vandaag.
Het is verschenen in {KENTERINGen]digit, september 2010.
www.kenteringen.be.

 

Noten

(1): femsoc: Feministische Socialistische vrouwen.
(2): Zie Ida Dequeecker, Als de Gelijkheid van Man en Vrouw verwordt tot Dogma. Bedenkingen bij het debat over universele waarden, de multiculturele samenleving en het feminisme. In ‘Een leeuw in een kooi. De grenzen van het multiculturele Vlaanderen’ (Meulenhof/Manteau 2009), pp. 136-148.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!