Sociale psychologen noemden de Koppen-reportage manipulatie. Juist, maar manipulatie van ons evolutionair ingeslepen groepsgevoel om discriminatie of een vorm van racisme te doen toepassen.

Evolutionaire (neuro)wetenschappen geven andere kijk op Koppen-reportage

dinsdag 9 juni 2015 10:33

Het experiment in de Koppen-reportage ‘De
verdeelde klas’ was inderdaad manipulatie van ons evolutionair ingeslepen
groepsgevoel, zoals meerdere sociale psychologen opmerkten in de media.
Maatschappelijke omstandigheden, zoals hier discriminerende regels, kunnen het
slechtste uit de mens naar boven halen. Andere omstandigheden kunnen ook het
beste uit de mens zijn groepsgevoel naar boven halen. Nieuwe ontdekkingen in de
evolutionaire neurowetenschappen en experimentele psychologie geven bewijs voor
een supersociaal en supercoöperatief instinct bij de mensensoort.

Zo is er de “puzzelklasmethode”
die in plaats van conflict te bevorderen, een coöperatief en positief
klasklimaat schept. De klas wordt hiertoe verdeeld in etnisch gemengde groepjes
en de bedoeling is dat alle kinderen samen stukjes van de leerstof verwerken en
elkaar die stukjes aanleren. Kinderen met verschillende achtergrond leren op
deze manier echt samenwerken en hebben een positieve ervaring. Deze methode
leidt wél aantoonbaar tot zowel verbeterde schoolresultaten bij allochtonen als
verminderde onverdraagzaamheid bij autochtonen.

Maar iedereen kent ze ook, die opmerkingen:
de mens wordt van nature door hebzucht gedreven; mensen worden gemotiveerd door
eng eigenbelang. Homo homini lupus, de mens is een wolf voor zijn medemens.
Nochtans, samen-leven kan je niet alleen. Sociale diersoorten, zoals de mens
zijn niet in staat om buiten de gemeenschap te overleven. Individuen moeten
samenwerken.

Het Darwinistische ‘survival of the fittest’
is ideologisch misbruikt en hervertaald naar een soort biologisch egoïsme. Ten
tijde van Darwin heette die ideologie sociaaldarwinisme. Vandaag omvat het
neoliberalisme veel van die denkbeelden. Volgens het neoliberale mensbeeld
wordt de menselijke natuur gekenmerkt door een ‘strijd voor het bestaan’, via
‘het recht van de sterkste’, ‘zelfzuchtige genen’ en ‘competitie, agressie en
dominantie’. Dat zouden voor de ene de ‘natuurlijke instincten’ van de mens
zijn (seculiere visie) of is voor de andere een gevolg van de ‘erfzonde’
(Christelijk mensbeeld). De ratio voor de ene of het godsgeloof voor de andere
of een overheid (vorst-staat-sociaal contract) moeten die ‘beestachtige’ natuur
temperen om samenleven leefbaar te houden. Maar ‘the fittest’ of de best
geschikte sociale diersoorten zijn vooral diegenen die in de loop van de
evolutiegeschiedenis het best in staat waren om met elkaar samen te werken.

Dat maakt van empathie een robuuste
eigenschap en niet zomaar een laagje vernis dat pas recent door de beschaving
aangebracht werd

Vaak wordt empathie gezien als een complexe
eigenschap, waar mensen bewust over beslissen. Gerenommeerd wetenschapper Frans
De Waal legt integendeel uit dat empathie deel uitmaakt “van een erfgoed dat
even oud als de klasse van de zoogdieren”. Dat maakt van empathie een robuuste
eigenschap en niet zomaar een laagje vernis dat pas recent door de beschaving
aangebracht werd. Empathisch gedrag rendeert op lange termijn voor de
mensensoort en is precies daarom door het evolutiemechanisme geselecteerd,
stelt De Waal. Het ‘zelf’ kan niet zonder het ‘ander’. Primatoloog Frans De
Waal schrijft: “De vernistheorie was lange tijd de overheersende biologische
opvatting over de aard van de mens. De moraal was een dun vernis dat nauwelijks
in staat was onze ware aard te verhullen, die volkomen zelfzuchtig zou zijn. De
afgelopen tien jaar is de vernistheorie bezweken onder een overweldigende
hoeveelheid bewijs voor aangeboren empathie, altruïsme en samenwerking bij
mensen en andere dieren.” Van dat wetenschappelijk bewijs wil ik hier een
bondig overzicht geven. Het vormt de evolutionaire verklaring voor
overeenstemming tussen sociaal instinct enerzijds en de Darwinistische
natuurlijke selectie anderzijds.

Waarom wij samenwerken?

Charles Darwin (1809-1882) worstelde reeds
met hoe altruïstisch gedrag, dat aanwezig is bij mens en dier, in
overeenstemming kan gebracht worden met zijn theorie van natuurlijke selectie,
waarbij de meest aangepaste overleeft en zich kan voortplanten. In zijn werk
‘Descent of Men’ beschreef hij het concept van groepsselectie als mogelijke
verklaring: “Er kan geen twijfel bestaan dat een stam met vele leden, die
altijd bereid zijn elkaar te helpen en zich kunnen opofferen voor het gemeenschappelijk
welzijn, moet zegevieren over andere stammen. Ook dit beantwoordt aan de
natuurlijke selectie”. Het probleem waar Darwin met zijn theorie van
groepsselectie bleef mee kampen was wat er zou gebeuren als er in een groep
‘free riders’ of profiteurs zouden voorkomen. Zij gaan kunnen profiteren van
het altruïsme van hun groepsgenoten, zonder dat ze er zelf iets voor in de
weegschaal hoeven te leggen. Zij zijn bevoordeligd en gaan zich beter kunnen
voortplanten en hun eventuele genen die gelieerd zijn aan het profiterende
gedrag gaan zich over de populatie verspreiden. Dus groepsselectie bleek geen
stabiele strategie te zijn om altruïstisch gedrag in overeenstemming te brengen
met natuurlijke selectie.

Verwantschapselectie en wederkerigheid

Later is dan de verklaring van
verwantschaps- of kin-selectie gekomen (John Haldane, William Hamilton, Robert
Trivers). De Brits-Indische evolutionaire bioloog en populatiegeneticus John
Haldane drukte het zo uit: ‘Ik ben bereid mijn leven te riskeren om minstens drie
broers of zusters of negen neven of nichten te redden’. Broers en zusters
bezitten de helft van het genetisch materiaal van Haldane, neven of nichten een
achtste. De opoffering van zijn eigen genen resulteert in die situaties op een
voortplanting van meer dan zijn eigen genenmateriaal. Dus zijn verklaring is in
overeenstemming met het concept natuurlijke selectie waarbij het reproductief
succes, of de voortplanting van de eigen genen de drijfkracht achter evolutie
zou zijn. Nog later kwam de verklaring van wederkerig (‘tit for tat’) altruïsme
om dit gedrag in overeenstemming te brengen met de theorie van natuurlijke
selectie (Robert Trivers). ‘Ik krab uwe rug als jij de mijne krabt’. En nog
later de verklaring van indirecte wederkerigheid, met taalontwikkeling, de
mogelijkheden van reputatieschade voor free riders e.d. (Martin Nowac). ‘Ik
krab uwe rug, als iemand anders de mijne wel eens zal krabben’.  Voor al
die verklaringen is er verrassend veel empirisch bewijs in de evolutie van
zowel de planten als de dierenwereld.

Supersociaal instinct evolutionaire basis
voor menselijke intelligentie

Maar waarvoor relatief nieuw empirisch
bewijs (evidence) bestaat is dat het prosociaal interactie instinct, dat
supersterk aanwezig is bij de mens vergeleken met onze meest verwante primaten,
de basis vormt van ons sociaal leren, en dus van onze cumulatieve culturele
adaptatie en evolutie. Vandaar dat dit prosociaal instinct onvoorwaardelijk kan
zijn (geen verwantschap of wederkerigheid is noodzakelijk) en toch sterk
succesvol  is in de natuurlijke selectie. Precies omdat het vermogen van
de homo sapiens  tot cumulatieve culturele adaptatie, m.a.w. de menselijke
intelligentie,  de meest succesvolle eigenschap vormt in  het proces
van natuurlijke selectie in Darwinistische zin.

Vergelijkend onderzoek van het gedrag van mensenkinderen (ook
cross-cultureel) en mensenapen toont aan dat ons sterke
interactie-instinct van gericht zijn op de ander, van gezamenlijke
aandachtsvorming en van een zeer sterke drang tot
onderwijzen de basis vormt van sociaal leren en
dus van onze intelligentie

Michael Tomasello, codirecteur van het Max
Planck instituut voor evolutionaire antropologie in Leipzig,  heeft in
zijn vergelijkend onderzoek van het gedrag van mensenkinderen (ook
cross-cultureel) en mensenapen weten aantonen dat ons sterke
interactie-instinct van gericht zijn op de ander, van gezamenlijke
aandachtsvorming, van gedeelde intentievorming en van een zeer sterke drang tot
onderwijzen en opvoeden, op de eerste plaats vanwege de moeder, maar ook
vanwege hulp-ouders en andere medemensen, de basis vormt van sociaal leren en
dus van onze intelligentie.  Daarin zijn we als homo sapiens fundamenteel
verschillend van onze meest verwante nog levende primaten, de chimpansees. Een
groot opgezet onderzoek door Tomasello en zijn team vergelijkt de vaardigheden
voor het herkennen van de fysieke wereld (wat is minder en wat is meer, wat
komt voor en wat achter, wat is oorzaak en gevolg tijd, plaats, snelheid, rekenen tot vijf
enz.) en sociale vaardigheden (vermogen tot empathie, vermogen tot ‘theorie of
mind’: het kunnen inschatten van de gedachten, gevoelens en intenties van de
ander, helpgedrag, samenwerken enz.) bij 105 mensenkinderen van 2 jaar, met dat
bij 105 chimpansees en 35 orang-oetans. Wat bleek: op vlak van herkenning van
de fysieke wereld waren de chimpansees een ietsje beter dan de mensenkinderen.
Maar op vlak van de sociale vaardigheden staken mensenkinderen kop en schouder
boven de mensapen. Een vervolgonderzoek 2 jaar later liet zien dat de
mensenkinderen zowel op fysieke en sociale vaardigheden ver, zeer ver vooruit
lagen tegenover de mensapen. Nauwer onderzoek toonde aan dat de mensenkinderen
hun sociale vaardigheden gebruikten om te leren de fysieke wereld beter te
begrijpen, sociaal leren genoemd. Tomasello deed een gelijkaardig onderzoek
cross-cultureel bij kinderen van universiteitscrèches in Canada, kinderen van
geletterde moeders in de Peruviaanse Andes en kinderen van ongeletterde moeders
op het Indische platteland. Daar opnieuw, voor de vaardigheid van begrijpen van
de fysieke wereld scoorden kinderen van geschoolde ouders beter, maar voor de
sociale vaardigheden waren ze allen gelijk.

Deze sterke prosociale eigenschappen zijn
geselecteerd bij de homo sapiens, omdat onze soort als meest onvolwassen, meest
kwetsbare, meest hulpeloze en meest afhankelijke dier ter wereld komt. Dit is
de oplossing die de natuur heeft geselecteerd voor het toenemende conflict in
de loop der hominide evolutie tussen enerzijds het bipedalisme met de
vernauwing van het geboortekanaal en anderzijds de flinke hersengroei, die
sprongsgewijs heeft plaats gehad. Van alle zoogdieren meest prematuur geboren
worden,  afhankelijk, hulpeloos en kwetsbaar kunnen overleven, opgroeien
en zich kunnen reproduceren vergt om succesvol te kunnen zijn, zeer sterke
prosociale interactie instincten, niet alleen van de moeder en van het kind,
ook van allo-ouders en andere medemensen van de gemeenschap. Dit vanaf de
zwangerschap en de geboorte tot in de adolescentie. 

Onze kwetsbaarheid en
afhankelijkheid heeft het prosociaal
instinct doen selecteren,  waaruit onze intelligentie en onze cultuur ontstaan, die in
het proces van de natuurlijke selectie juist het meest succesvolle zijn van
heel het dierenrijk. Dat is de dialectiek van de evolutie 

Bij de mens is die periode van opvoeding en
onderwijzen ook veel langer dan bij de andere primaten. Via hersenscans weten
we nu ook dat de hersenen bij de mens, in het bijzonder de frontale cortex nog
doorgroeien en intens neuronale verbindingen vormen tot voorbij de 20 jarige
leeftijd. Bij chimps is dit proces voltooid op 3 jaar en zij zijn geslachtsrijp
en onafhankelijk op 6 jarige leeftijd. Die verlengde kindertijd bij de mens is
belangrijk in het proces van sociaal leren. Onze kwetsbaarheid en
afhankelijkheid, op het eerste zicht nadelige eigenschappen in het proces van
natuurlijke selectie,  heeft eigenschappen doen selecteren, het prosociaal
interactie instinct waaruit onze intelligentie en onze cultuur ontstaan, die in
het proces van de natuurlijke selectie juist het meest succesvolle zijn van
heel het dierenrijk. Dat is de dialectiek van de evolutie.

Biologische bouwstenen voor empathie en
sociaal leren

Bovendien zijn er recent in de
neurowetenschappen mechanismen ontdekt die een belangrijke rol spelen in het
prosociaal gedrag van zoogdieren. Deze mechanismen zijn bij de mens immens veel
sterker ontwikkeld dan bij andere zoogdieren, ook in vergelijking met onze
meest verwante nog levende primaten. Dat zijn de spiegelneuronen
, zenuwcellen die ervoor zorgen dat we kunnen medelijden en empathie hebben.
Het neurohormoon oxytocine, ook wel het ‘morele’ of ‘gelukshormoon’ genoemd,
dat zorgt voor vertrouwen en verbondenheid (Sue Carter, Stephanie Brown).  Onze huid
als sociaal instrument voor aanraking, liefhebben en streling (David J. Linden).
Goed doen en geven doet niet alleen goed voelen, maar geeft op hersenscans
stimulatie van de belongscircuits. Tenslotte de voorste nervus vagus, een
onderdeel van het parasympathisch zenuwstelsel dat geactiveerd wordt door
meditatie en mindfulness training en dat ons niet-oordelend doet open staan
voor anderen (Stephen Porges).
Experimenteel onderzoek geeft empirisch bewijs voor de sterk prosociale
werkzaamheid van deze biologische bouwstenen.

Empathie, altruïsme, solidariteit en samenwerken zijn niet
alleen belangrijk voor ons en andermans welbevinden, ze maken ons bovendien
slim en wijs

Deze ontdekking van de oorzakelijke relatie
tussen het super prosociaal instinct van de homo sapiens (vergeleken met onze
meest verwante primaten) en de menselijke intelligentie geeft de oplossing voor
de paradox tussen altruïsme en natuurlijke selectie in Darwinistische zin. Want
de menselijke samenwerking en intelligentie is de meest succesvolle eigenschap
in de ‘survival of the fittest’. Dankzij zijn intelligentie is de mens in staat
om op alle plaatsen van de planeet te leven, door de omgeving aan te passen aan
zijn behoeften. Empathie, altruïsme, solidariteit en samenwerken zijn niet
alleen belangrijk voor ons en andermans welbevinden, ze maken ons bovendien
slim en wijs.

Over dit onderwerp geef ik een tweedaagse vorming op de Marxistische Zomeruniversiteit. Het is een boeiende en luchtige vorming met veel illustraties, er is geen speciale voorkennis vereist.

De natuur van de mens: waarom wij samenwerken?  — Dirk Van Duppen / 22 – 23 augustus.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!