Eerste reactie op de Conceptnota “Samen taalgrenzen verleggen”

Eerste reactie op de Conceptnota “Samen taalgrenzen verleggen”

donderdag 11 augustus 2011 07:55

Deze kanttekeningen verschijnen naar aanleiding van het verschijnen enkele dagen geleden van de talen-nota van de onderwijsminister, via De Standaard.

Het is altijd een beetje jammer als je op onderwijsvlak, waar het om de toekomst van een samenleving gaat, een heel belangrijke nota, die normaal enkele decennia lang het onderwijsgebeuren diepgaand zal bepalen onder ogen krijgt op een ogenblik dat men mag verwachten dat de helft van de mogelijke discuttanten, overigens meestal heel verdiend, op vakantie zijn.  Dit bevordert niet echt een diepgaand en kritisch debat. Of moeten we het normaal vinden dat in een krant als De Standaard naast een van de onderwijsspecialisten uit de oppositie, namelijk mevrouw  Fientje Moerman, enkel nog een werkgeversorganisatie – met alle respect… – en een vakvereniging van leraren Frans kan reageren?

Wat ik hier als eerste reactie schrijf, doe ik enkel uit eigen naam en niet namens Foyer.  Ik ben inderdaad op vakantie en kon mijn  medewerkers nog niet spreken. Een Foyer reactie, na gesprek onder medewerkers,  komt er wellicht aan ergens begin september…

Wat valt me op?

Eerst drie duidelijke positieve zaken:
Meertaligheid wordt in de conceptnota belangrijk geacht, meer dan bij de vorige onderwijsminister het geval was. Er wordt duidelijk en zonder schroom over gecommuniceerd. Niet de meertalige is een probleem, maar de eentalige.

Over de noodzaak van de  kennis van een uitstekend Nederlands in Vlaanderen wordt eveneens zonder schroom gecommuniceerd.
 

Engels en Frans worden op gelijke voet geplaatst en de kennis ervan wordt gewaarborgd.

Wat mij betreft, zijn dit drie duidelijke en goed te verdedigen beleidslijnen.

Wat vind ik dan echter jammer?

Jammer is dat voorbij gegaan wordt aan een hele wetenschappelijke litteratuur over de plaats van de eerste (moeder)taal respectievelijk taal van herkomst. Op bladzijde 3 staat weliswaar dat in het talenbeleid van de school een plaats aan thuistalen moet gegeven worden, maar als je dan op bladzijde 5 leest dat die thuistaal “ofwel dialect is of een andere taal”, met andere woorden dat Turks bijvoorbeeld gelijk gesteld wordt met Westvlaams, tja… dan heb ik het daar moeilijk mee.

Voor alle duidelijkheid: ik vind niet dat men er in West-Vlaanderen, waar het dialect nu helaas nog altijd zwaar doorweegt, vooruitgang  mee zal boeken door het Westvlaams nu ook nog eens in het kleuter een statuut te geven. (Ik ben van ginds afkomstig, sorry.) En kennis van het  Turks of van het Italiaans lijkt me van een andere orde…

Het voorgaande maakt ook begrijpelijk dat de nota voor die thuistalen dan wel een heel bizar statuut voorziet, namelijk weliswaar op school, maar buiten de uren, en mits betaling door de ouders. Dit wordt dan wel een heel eigenaardige bedoening, als de Vlaamse regering weliswaar bereid is om na te gaan of voor kinderen van EU ambtenaren op een andere manier (namelijk geintegreerd zoals op de Europese scholen) met bijvoorbeeld Spaans en Italiaans kan omgegaan worden dan voor  arbeiderskinderen. (Ik kom hierop terug heel aan het eind, omdat ik op zeker ogenblik lees dat men zich hiervoor blijkbaar beroept op onderzoek van Luk Van Mensel).

Wat begrijp ik niet? U zal de officiele taal van een BRIC land kunnen leren… alsof sommige van die landen maar een officiele taal hebben, maar Turks geniet deze status blijkbaar niet. Eigenaardig… Ik dacht dat Turkije een quasi-BRIC statuut heeft… en iets dichter ligt dan Brazilie.

Wat vrees ik?

Dat veel  van wat in de nota staat, in de eerste tien jaar ook niet realiseerbaar zal zijn. Ik ken al die leerkrachten in Vlaanderen niet die op zulke uitstekende wijze in de lagere school  in het Frans en Engels zullen onderwijzen, of toch niet in die hoeveelheid die de nota lijkt te suggereren.

En wat er staat voor eventueel geinteresseerden aan Europese talen zoals  Maltees,  Lets enzovoort (zie voetnoot 21),is me een raadsel in  de praktijk. Wat ik bedoel? Ik vrees dat veel van wat in de nota staat, dode letter zal blijven… omdat het materiaal voor de realisatie ervan in Vlaanderen ontbreekt.

Ondertussen zouden de makers van de nota best niet al te licht omspringen met het feit dat enkele mensen die tot vandaag heel ernstig met dit soort zaken bezig waren en expertise opgebouwd hadden, zwaar geschoffeerd werden en wellicht nog moeilijk opnieuw te motiveren zullen vallen, zeker op die plaatsen en  in die steden waar men hen wel eens het meest nodig zou kunnen hebben.

Wat ik bedoel?

Dat de implementatie van dit onderwijsbeleid niet gemakkelijk zal zijn. Er lopen nogal wat onnodig zwaar gekwetste mensen rond die men heel goed had kunnen gebruiken, bijvoorbeeld in Brussel, om de doelstellingen uit de nota te helpen realiseren.  Wat men riskeert? Niet genoeg gemotiveerde “soldaten” om de tekst waar te maken.

Sommige problemen lijken me in de conceptnota ook sterk onderschat. Denkt men echt  dat 4 tot 8 weken taalbad voldoende zullen zijn om het vroegere OKAN uit het secundair onderwijs te vervangen? In provinciesteden wellicht  wel, maar Ik betwijfel het voor de grotere steden.

Tot besluit:

De nota heeft echt haar goede kanten, maar ik denk dat ze erbij had gewonnen ware er een ernstiger poging geweest om datgene wat goed werkte in het verleden erin te integreren, eventueel op een kritische, bijgestuurde wijze. Ik vrees dat het een verkeerd uitgangspunt is van hedendaagse politieke beleidsvoerders om ervan uit te gaan dat zij per se het begin moeten inluiden van iets compleet nieuws.

De  revoluties die duurzaamheid beogen begrijpen wat goed was in het verleden en bouwen erop verder. Wie dit niet doet, riskeert vroeg of laat toch met volgende vragen geconfronteerd te worden:  Wat heb je echt in de feiten bijgebracht en wat liet je verloren gaan? 

Perceptie alleen, blijft niet duren. Van de bijna 30 Europese talen uit voetnoot 21 die in ons Vlaams onderwijs hun intrede zullen doen dankzij deze nota, behoren de meeste tot het rijk van de pure perceptie.

Nooit zal er in Vlaanderen  een school zijn waar dit idee waarnaar voetnoot 21 verwijst zal bestaan. Wat men later zal onthouden is dat de Turkse taal noch bij Europa noch bij de BRIC landen geplaatst wordt, al is het een taal waar heel veel  Vlaamse kinderen de ‘basics’ van in huis hadden.  En idem voor het Spaans en het Italiaans. Dit op een ogenbik, dat de kennis van die talen stukken meer voor de hand lag en gemakkelijker te implementeren was dan de kennis van het Hindi of het Gujarati, of het Chinees. Waarom mag volgens de Vlaamse onderwijsminister  voor Latino kinderen taalinitiatie in het Duits, maar niet in het Spaans? Idem dito voor kinderen van Italiaanse  herkomst  Toch niet omdat in de Oostkantons in Belgie enkele tienduizenden landgenoten het Duits als officiele taal mogen kiezen? Waarom moeten die migrantenkinderen hun mogelijk voordeel verliezen (maar kinderen van EU ambtenaren niet)?

In de conceptnota van de minister wordt op bladzijde 20 gesteld dat “de Spaanse en Italiaanse projecten zijn gekoppeld aan het beleid van een school, eerder dan aan de evolutie van een buurt”. Eigenaardig genoeg klinkt dit in de conceptnota als een negatieve kritiek. Persoonlijk vind ik dit een positieve kritiek.

De minister en zijn opvolgers later zullen zelf ondervinden hoe wenselijk het is dat meertaligheid  beleid uitmaakt van een school en hoeveel  jaren werk het vraagt om het zover te krijgen. Ze zullen inzien, maar te laat, dat deze kritiek uit de nota de bal volledig  verkeerd slaat.

Ik wil echter  afsluiten met een verwijzing naar de studie van Luk Van Mensel uit 2007. In de conceptnota wordt die studie ingeroepen om te verantwoorden dat de OETC projecten “voorbij” zijn. Ze hebben hun tijd gehad. Ze zijn niet meer relevant. Immers, enkel “meer bewuste en kansrijke niet-Nederlandstalige ouders” worden nog aangesproken door onderwijs in thuistaal en thuiscultuur, schrijft de conceptnota.

Dit verantwoordt dan vermoedelijk waarom kinderen van EU amtenaren daarvoor nog in aanmerking mogen komen en die uit gewone middens niet. Welnu, mag ik antwoorden met een e-mail bericht dat ik enkele weken geleden kreeg van diezelfde onderzoeker, Luk Van Mensel, gericht aan mij naar aanleiding van iets wat verschenen was in Brusselnieuws?

“Voor alle  duidelijkheid, ik vind  OETC-onderwijs wel een goed idée en vind het onbegrijpelijk dat het Foyerproject wordt stopgezet. (…) In het onderzoeksproject waarvan sprake (maar blijkbaar ben ik zo naief te denken dat de lezer die als een geheel tot zich neemt) ben ik m.i. eerder expliciet in het kaderen en relativeren van dit soort kwantitatieve onderzoeksresultaten (zie onder andere de eerste twee paragrafen van de conclusie).” (Luk Van Mensel, 8 juli 2011). Blijkbaar interpreteert de auteur zijn tekst  anders dan de lezer ervan op de onderwijsadministratie respectivelijk de minister. We moeten blijkbaar veronderstellen dat de heer Van Mensel degene is die zich vergist als hij zijn eigen tekst interpreteert.
Johan Leman

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!