De community ruimte is een vrije online ruimte (blog) waar vrijwilligers en organisaties hun opinies kunnen publiceren. De standpunten vermeld in deze community reflecteren niet noodzakelijk de redactionele lijn van DeWereldMorgen.be. De verantwoordelijkheid over de inhoud ligt bij de auteur.

the master's tool
Audre Lorde by Elsa Dorfman

Eerst de pandemie, later het socialisme!

dinsdag 2 februari 2021 20:55
Spread the love

Op DWM verscheen een uitgebreide analyse van de hand van Thomas Decreus met als titel ‘Waarom coronasceptici ongelijk hebben[1]. Het is een onderbouwde analyse met helaas nogal wat veralgemeningen en m.i. voornamelijk een grondig gebrek aan realiteitsinzicht. Misschien, denk ik dan, keek de auteur wat teveel door de (rood)roze bril van zijn ideologie.


Het ‘geval’ Arendt.

Zo kon Decreus eveneens niet nalaten ‘het geval’ Arendt (te weten: of haar onderzoek naar totalitaire regeringsvormen nu al dan niet van toepassing is op de huidige coronatijd en meer bepaald op de genomen vrijheidsbeperkende maatregelen) te framen als een onderzoek naar een wel zeer specifiek historisch gegeven en niet van toepassing op deze tijden. Letterlijk schrijft hij:

Uiteraard valt één en ander af te dingen op de wel erg selectieve lezing van Arendts concept van het totalitarisme, maar het probleem in dit citaat schuilt dieper. Desmet vergelijkt hier een regeer- en staatsvorm die gekoppeld was aan de zeer specifieke historische projecten, met een reactie op een onverwachte pandemie. Het grote verschil is dat de historische vormen van totalitarisme waar Arendt het over heeft, bewuste politieke projecten waren.

Daar zitten enkele aanwijsbare fouten in.
Hoewel Arendt inderdaad (twee specifieke) historische regeringsvormen in haar werk rond totalitarisme heeft bestudeerd (het nazisme en het stalinisme), besluit zij haar onderzoek met een wel heel expliciete waarschuwing voor de toekomstige generaties. Want: “Er blijft het feit dat de crisis van onze tijd, en haar centrale ervaring, een heel nieuwe regeringsvorm hebben voortgebracht, waarmee wij heel waarschijnlijk blijvend opgezadeld zitten, als met een mogelijkheid en een altijd aanwezig gevaar.[2]

Ik herhaal hier overigens wat ik in mijn ‘Brief aan Dominique Willaert’[3] reeds uitvoerig heb beschreven, namelijk dat Arendt het totalitarisme dus niet enkel beschreef als een volslagen nieuwe regeringsvorm naast reeds bestaande vormen zoals de dictatuur, de tirannie of de monarchie, maar dat ze zich ook bewust was van het feit dat er voortaan altijd rekening mee zal moeten gehouden worden. En later nog, men leze bijvoorbeeld haar voorwoord bij de derde uitgave van On the Origins of Totalitarianism van 1966[4], dat het totalitarisme nog andere verschijningsvormen kon aannemen ook.

En of het totalitarisme in haar ontstaan wel degelijk zo’n bewust gestuurd politiek project was, zoals Decreus in zijn analyse beweert, gaat voorbij aan het feit dat het in oorsprong vooral een revolutionaire beweging was, zonder specifiek vooraf uitgestippeld doel behalve dan misschien de vernietiging van al het bestaande en voorheen gekende. Arendt stippelt overigens op verschillende plaatsen in haar werk aan dat de zelfvernietiging, hoewel mogelijks tegenstrijdig, uiteindelijk wel de innerlijke consequentie is (was) van het streven van de totalitaire beweging en dat ze niet zozeer de totale overheersing zelf als doel heeft gehad. Korter: mocht voor Hitler enkel maar de totale overheersing op het programma hebben gestaan, dan had hij het wel gehouden bij een eenvoudige dictatuur. Dat is niet gebeurd. Arendt maakt specifiek dat onderscheidt om juist dat aan te tonen.

Hoe het totalitarisme zich overigens verder veruitwendigde, was in beide bestudeerde gevallen zowel aan interne als aan externe gevolgen te wijten. Men spreekt daarom ook over reactionaire bewegingen. En misschien is dat zelfs de reden waarom beide voorbeelden uiteindelijk zo verscheiden zijn geweest? Te weten is in elk geval dat middels de reactionaire houding bepaalde processen in gang werden gezet waarvan men in vele gevallen de manier waarop dat gebeurde en dus de uiterlijke vorm die het kreeg, zelfs volledig overliet aan de uitvoerders.
Het vorig jaar bij EPO verschenen boek Breendonk, kroniek van een vergeten kamp (Jos Vander Velpen) geeft bijvoorbeeld goed de wreedheden weer die zich in dat kamp afspeelden maar die geenszins van bovenhand werden voorgeschreven. Ja, men kan in dergelijke gevallen bijna spreken van een reactionaire creativiteit.

In elk geval lag aan de basis van het totalitarisme een revolutionaire beweging die eveneens als een reactie kan/kon worden beschouwd op een ‘onverwachte’ crisis. Al moet voor de volledigheid gezegd dat die crisis ook een achterliggende oorzaak had en niet louter een logisch gevolg was van het (eens te meer) falende kapitalisme. We lezen samen:
De Europese elite was ontsteld dat haar ambitieuze contrarevolutionaire en antidemocratische project, de Grote Oorlog, tot het tegenovergestelde had geleid, namelijk revolutie en meer democratie. Maar ze legde zich daar niet bij neer. Om de democratisering terug te schroeven en de revolutie uit de wereld te helpen, ondersteunde zij overal fascisten en bracht hen indien mogelijk ook aan de macht via intriges en staatsgrepen.”[5]

Maar dit citaat ruikt voor Decreus mogelijk wat teveel naar een complottheorie. Dat de vergelijking met het totalitarisme ongemakkelijk zit voor sommigen, behoort volgens mij in elk geval eerder toe aan het gevoel en de perceptie van de aanhoorder(s) en niet aan de waarde van de vergelijking. Waartegen de auteur vervolgens eigenlijk alleen maar wat kan raaskallen. U leest verder:

De huidige maatregelen gelijkstellen met het historische totalitarisme, geeft de indruk dat we te maken hebben met ‘een plan’ dat een nieuw regime wil installeren, terwijl we eigenlijk net het tegendeel meemaken: een oud, versleten regime dat zich geen raad weet met een totaal nieuwe situatie. De analogie maken met het historisch totalitarisme is in die zin gewoon fout. Meer dan gewoon fout is het ook kwalijk, omdat het idee van een bewust politiek plan de deur wagenwijd openzet naar de meest basale vormen van complotdenken.

Wat zei ik? Los van de open deur naar het complotdenken, gaat – bij elke ontstentenis van valabele alternatieven in deze analyse – de auteur hier wel even het democratisch deficit van het huidige beleid goedpraten. Want gaat hij verder:

Vanzelfsprekend bevinden we ons in een situatie waarin de greep van de staat steeds verder reikt, waarin normale wetten, gebruiken en normen zijn opgeschort. Maar er schuilt iets heel naïefs in de ontzette reacties hierop bij coronasceptici en anderen. De architectuur om dit soort maatregelen te kunnen doen gelden, was immers reeds lang in opbouw. Het is niet sinds het uitbreken van het coronavirus dat er intelligente camera’s op onze straathoeken staan, dat lockdowns worden ingeroepen om de algemene veiligheid te garanderen, dat BigTech data opslaat en politiediensten vrij spel krijgen. Dit proces is al decennia bezig en groepen die zich aan de rand van de samenleving bevinden (of daar geduwd worden), krijgen er ook al decennia mee te maken. Wat we vandaag meemaken is dat het veiligheidsapparaat dat reeds in gebruik was tegen specifieke groepen en dreigingen in een soort paniekreactie wordt toegepast op de samenleving als geheel.”

En dus, zo hoor ik de auteur alvast opnieuw bij gebrek aan enig alternatief, verder denken, ‘omdat het bestaat, moeten we het maar goedkeuren’! Correctie, omdat het bestaat kunnen we het alvast gebruiken. Wel, was het niet net dat wat die op totalitaire principes gebaseerde bewegingen juist deden: de bestaande gedachtegangen, vooroordelen, wetten en gebruiken, verder doordenken, misbruiken en stelselmatig omvormen totdat (opnieuw dixit H. Arendt) ‘het ondenkbare denkbaar wordt’?

Het lijkt wel of Decreus ons hier eventjes wil komen vertellen dat Hitler zowaar de Jodenhaat heeft uitgevonden en dat met zijn dood in 1945 het antisemitisme ook plots is opgehouden te bestaan. Ik hoop alvast dat de man geen geschiedenislessen geeft. Al blijft hij goed op dreef:

Er is een bepaald type intellectueel, voornamelijk behorend tot witte middenklassen, die nu plots de werking van dat veiligheidsapparaat min of meer aan den lijve ervaart en het daarom nu heeft over totalitarisme en dictatuur.

En hoewel daar een zekere waarheid zit, slaagt hij er niet in het besef ‘dat doordringt bij dat type intellectueel’ aan te grijpen en verbindende, emancipatorische denkpistes te openen; het ‘type’ te overtuigen dat de bestaande dwang- en controlesystemen in elk systeem misschien wel verwerpelijk zijn of gewoon af te raden zijn juist vanwege hun mogelijk misbruik of, zoals ik het zelf eerder zou zeggen, omdat dat misbruik juist inherent aan hun bestaan gekoppeld is. Neen. De auteur gaat verder op zijn missie. Het oude normaal moet eraan.

De oorlogsretoriek ontbreekt overigens ook niet in de analyse van Decreus. Al suggereert hij dat dat oorspronkelijk wel bij de ‘coronasceptici’ zelf ligt. Wat natuurlijk een flagrante leugen is. ‘De strijd tegen het virus’, ‘het verpletteren van de curve’, et cetera, is van overheidswege aangewakkerd nog voor er sprake was van enige tegenkanting tegen de maatregelen. Meer zelfs, in mijn ogen is de oorlogsverklaring juist het raison d’être van deze regeringsploeg. Datgene wat haar de legitimiteit verschaft na een jarenlang desastreus beleid en wat een – zij het zeer kunstmatig – gevoel van solidariteit teweeg moest brengen. Wat overigens gedurende de eerste golf wel aardig lukte, maar gaandeweg en zeker tijdens de tweede golf (na de feitelijke regeringsvorming) volledig werd verspeeld.

Maar belangrijker, hoe ‘de democratie’ er vandaag dan kan, mag en misschien wel moet uitzien horen we niet van Decreus. Wel hoe de solidariteit er moet uitzien. Want solidariteit staat volgens de auteur hier gelijk aan een buitenproportioneel beperken van grondrechten en het ‘met klak en matrak’ opleggen daarvan.


De klassenstrijd.

Dat het coronavirus een klassenvirus is, is alvast een terechte opmerking. Het is vreemd genoeg eveneens voor zekere linkse intelligentsia het sein geweest om de aangevoerde autoritaire maatregelen van de regering te steunen en goed te praten. Zo ook bij Thomas Decreus. Dat het coronabeleid en het hierboven aangebrachte repressieve beleid navenant ook een klassenjustitie blootlegt, wordt zedig verzwegen. Correcter zou zijn te stellen dat het coronavirus vooral de reeds bestaande klassenverschillen in onze samenleving versterkt.

Decreus geeft verder aan dat de besmettingsgraad de meest valabele reden was waarom al die restrictieve maatregelen zo nodig moesten worden ingesteld. Ik betwijfel of dit het geval was. Tot op vandaag blijft de besmettingsgraad van Covid-19 immers een zeer moeilijk te bepalen punt waar reeds ellenlange discussies zijn uit voortgekomen. Ik geloof eerder dat men het zekere voor het onzekere wou nemen of dat men dacht dat men toch wel iets moest doen. Helaas voor de mensen was dat een beperking van hun bewegingsvrijheid en nog een reeks zaken.

Maar wat mij vooral stoort aan de analyse bij Decreus is de toon en het uitgesproken hokjesdenken. De schijnbaar rotsvaste overtuiging dat alle ‘coronasceptici’ rechts zijn en zij die zich alsnog links (durven) noemen, slechts ‘beschouwen’ dat ze dat zijn. Omdat, volgens Decreus: “hun discours op geen enkele wijze leidt tot een vorm van solidariteit, laat staan een solidariteit met specifieke klassen of groepen in de samenleving en men het verder slechts heeft over de ‘vrijheid van de burger’.” Dat is behoorlijk simplistisch volgens mij en op bepaalde punten zelfs aanwijsbaar fout. Maar ik had het over hokjesdenken. De auteur zegt immers verder dat de groep waarover hij het in zijn stuk zal hebben volgens hem bezwaarlijk een groep kan worden genoemd, want:
Ze hebben bij mijn weten geen clubhuis, zijn geen vrienden en komen uit verschillende steden, landen, onderzoeksgroepen en faculteiten. Wat hen bindt is een bepaald vertoog; bepaalde terugkerende argumenten, verwijzingen, houdingen en kritieken waartussen familiegelijkenissen bestaan. Wat ze bovenal delen is een veralgemeende scepsis ten aanzien van de noodzaak en de omvang van verschillende coronamaatregelen.

Nu, het is waar dat onder de ‘coronasceptici’ een enorme variëteit aan meningen, opinies, ideeën en overtuigingen schuilgaan, maar als dit het niveau is waarop een of ander debat tot stand zou moeten komen, belooft het alvast weinig goeds. Maar misschien wil Decreus wel helemaal geen debat? Ten andere lijkt het mij eigen aan gelijk welke groep of groepen dat ze inherent heterogeen zijn of uiterst divers. Net zoals bij een betoging tegen klimaatopwarming elk individu wel zijn of haar intrinsieke motivatie heeft om daaraan deel te nemen. Misschien speelt de enorme variëteit en de toevloed aan meningen en opinies de auteur wel gewoon wat parten?

De spreidstand waarin Decreus’ idee echter wel terechtkomt is sprekend, om niet te zeggen pijnlijk. Want, om de “reële krachtsverhoudingen en uitbuitingsrelaties die moeten benoemd worden om solidariteit vorm te geven,” gaat hij nu een alliantie aan met de vertegenwoordigers van zij die de uitbuitingsrelaties juist mede in stand houden. Zij ook die de democratische rechten opschorten. Zij die in mijn ogen juist lak hebben aan solidariteit en zij die na aantoonbaar en herhaaldelijk flateren zichzelf wel verheven blijven voelen boven het plebs. Maar nog belangrijker, zij die zich boven de wet stellen. Doet hij dat in de hoop of de veronderstelling dat na het ‘overwinnen’ van het virus, de afrekening wel in het voordeel zal komen te staan van de klassenstrijd of – laat staan – de arbeiders en bedienden?


Of biopolitiek

Het is bevreemdend vast te stellen dat de filosofen die van leer trekken tegen de onmenselijkheid van de coronamaatregelen, tegelijk bereid zijn om het bestaansrecht van een groep mensen in vraag te trekken, om de vrijheid van kwetsbare groepen compleet onmogelijk te maken zodat gezonde mensen kunnen verder leven zoals ze willen.

De maatregelen zijn ze er in deze zin dus volgens Decreus omwille van de menselijkheid en om de vrijheid van kwetsbare groepen mogelijk te maken. Een vreemde gedachtegang wanneer de maatregelen juist iedereen treft en bovenal beperkingen opleggen.

Maar waarom zouden we ze dan toch implementeren? Is dat dan om achteraf te kunnen zeggen dat ze toch iets moesten doen of om het regeren zelf gewoon makkelijker te maken?
Dat laatste is alvast mijn stelling. Wie echter iets over biopolitiek wil zeggen kan niet omheen Giorgio Agamben. We lezen even mee:

Vanuit een bepaald punt lijkt het alsof iedere belangrijke politieke gebeurtenis altijd twee kanten heeft: de ruimtes, vrijheden en rechten die de individuen in hun conflict met de centrale machten verwerven, effenen ook telkens het pad voor een stilzwijgende maar steeds grotere invoeging van hun leven in de staatsorde. De soevereine macht waarvan zij zich hadden willen bevrijden, wordt daarmee een nieuwe en nog gruwelijkere basis gegeven.”[6]

Vaststaat dat dezelfde opeising van het naakte leven in de burgerdemocratieën tot de voorrang van het private boven het publieke en van de individuele vrijheden boven de collectieve verplichtingen leidt, en in totalitaire staten juist het doorslaggevende politieke criterium en het oord bij uitstek van de soevereine beslissingen wordt. En alleen doordat het biologische leven met zijn behoeften overal het politiek beslissende feit is geworden, is het mogelijk de anders onverklaarbare snelheid te begrijpen waarmee de parlementaire democratieën van onze tijd konden omslaan in totalitaire staten en de totalitaire staten bijna naadloos konden overgaan in de parlementaire democratieën. In beide gevallen hebben deze omwentellingen zich voorgedaan in een context waarin de politiek al lang veranderd was in biopolitiek, en waarin sindsdien alles draait om het vaststellen welke organisatievorm het effectiefst kan instaan voor de controle, het genot en de zorg van het naakte leven.”
“Als het naakte leven eenmaal hun fundamentele referent is geworden, verliezen de oude politieke onderscheidingen (zoals die tussen rechts en links, liberalisme en totalitarisme, privé en openbaar) hun klaarheid en begrijpelijkheid en komen ze in een gebied waar ze niet meer te onderscheiden zijn.
[7]

Wat ik met deze uitgebreide verwijzing naar Agamben wil aantonen is in de eerste plaats dat het verwijt dat Decreus naar de ‘coronasceptici’ gooit, als zouden ze bijna wanhopig verlangen naar een terugkeer naar de oude gekende situatie, evengoed voor zijn idee van de klassenstrijd kan opgaan. Ik ben overigens erg benieuwd hoeveel arbeiders en bedienden vandaag immers nog bekend zijn met de term, de inhoud ervan of laat staan dat ze er voor zouden opkomen? Waarbij ik echter niet wil suggereren dat klassenbewustzijn en zelfs klassenstrijd geen noodzakelijk goed is. Ten tweede gaat zijn verwijt voorbij aan de effectieve aanvoelbare en aantoonbare versnippering van diverse bevolkingsgroepen (cfr. de bij Arendt besproken massavorming), die in steeds grotere mate, steeds minder grip krijgen op hun eigen leven en verstoken worden van de macht om hun eigen leven en levensomstandigheden vorm te geven of aan te passen naar hun eigen noden en wensen. Het lijkt wel of Decreus elke vorm van zelfbeschikkingsrecht bij deze de vuilbak in kiepert.
Ten derde (opnieuw!) dat de nauwe verbinding tussen parlementaire democratie en totalitarisme, echt niet zomaar uit de lucht gegrepen is.


De dood is aan de doden

Het lijkt alsof Decreus in zijn analyse een discussie over de dood ten gronde wil vermijden. Er is terecht een aanvoelen dat de oversterfte niet louter en alleen aan corona kan worden toegeschreven maar wel degelijk bredere of complexere oorzaken kent. Een juiste analyse is echter wegens gebrek aan (juiste) data nog niet mogelijk, maar wanneer de auteur de dramatische situatie in de VS aanhaalt, klinkt het in elk geval zo:

Hier moet tevens bij benadrukt worden dat de hoogte van het sterftecijfer sterk afhankelijk is van de toegang tot kwaliteitsvolle zorg.”

Helaas wordt er in zijn analyse niet verder op in gegaan. Dat lijkt mij eveneens een vorm van intellectuele luiheid. Zeker wanneer zodoende de jarenlange besparingsrondes in de zorgsector, netjes geregisseerd door quasi dezelfde beleidsmensen of op zijn minst door dezelfde politieke partijen die vandaag aan het roer staan, buiten schot vallen.

De dood in de samenleving is in elk geval een delicaat debat. Het is noodzakelijk juist daarom het in alle sereniteit te kunnen voeren. Verwijzingen naar “doorgeschoten sociaal-darwinisme” zijn in deze materie opnieuw simplistisch te noemen. Te meer daar de dagelijkse realiteit (lees: de vergrijzing van de bevolking) een wel vreemde paradox heeft blootgelegd eigen aan de kapitalistische samenleving. Tenminste wanneer ik Leo Apostels essay ‘Naar een conflictuele sociologie van het sterven[8] correct lees.
Daaruit het volgende:
Paradoxaal is de minst oudervriendelijke en stervensvriendelijke cultuur die we kennen, precies degene die het grootst aantal ouderen en stervenden in leven houdt.” [9]

Dit staat dus los van de gevolgen van deze pandemie en is al decennialang de dagdagelijkse realiteit. Maar er zit een logica in: “In een kapitalistisch winstgerichte ruilwaarde-economie kan een stervende geen producent meer zijn, en slechts een marginaal consument (van zorgdiensturen, bedden, kamers en geneesmiddelen). Een eenvoudige economische berekening toont dat investeren in werkuren en geneesmiddelen voor personen die nog overlevingskansen hebben, het aantal productieve en consumerende tijdseenheden veel meer vergroot.”
Verder: “Een lage stervenskwaliteit is bijgevolg onvermijdelijk in een op meerwaardeproductie en winstmaximalisatie gerichte maatschappij.”[10]

Het zou Decreus sieren mocht dat de reden zijn waarom hij mensen wil behoeden van de dood of een opname in het ziekenhuis in deze coronatijden. Of mocht hij tout court opkomen voor meer levenskwaliteit (voor iedereen!). En niet enkel wanneer ze in het ziekenhuis, het WZC of het stervenshuis terecht komen. Maar dat doet hij niet. Het is alsof boven alles iedereen in leven moet blijven. Elke mens telt. Dat klinkt inderdaad zeer solidair, maar in de praktijk, bijvoorbeeld juist in het ziekenhuis of in het woonzorgcentrum, heel wat moeilijker realiseerbaar, laat staan houdbaar. Het zijn wel de ‘coronasceptici’ die naïef zijn volgens Decreus.

Vervolgens beweren dat dezelfde ‘coronasceptici’ de terechte woede en frustratie in de samenleving in de richting kanaliseren van een “individualistisch, nostalgisch verlangen naar het voorbije normaal en de status quo van weleer,” legt misschien ook enkel maar het zoveelste falen bloot van de ‘linkerzijde’ om een valabel alternatief te formuleren.

Het socialisme, als beweging of partij, naar een meer sociaal en solidair systeem binnen in de democratische samenleving, heeft gefaald. Lang reeds voor er sprake was van corona. Het is vreemd dat de auteur deze tekortkoming in zijn analyse niet naar voren brengt, maar nu wel eventjes de strategie en de methode van de machthebbers, zij die zowel de democratische samenleving als het socialisme hebben gefnuikt, braafjes volgt en zelfs verdedigt.

Graag herinner ik Decreus aan Audre Lordes woorden: “The Master’s tool will never dismantle the Master’s house”, en misschien, heel misschien kan Decreus deze vraag eens beantwoorden:

Waarom zouden we geloven dat die mensen of die politieke partijen die decennialang de zorg hebben afgebouwd, vandaag plots bereid zouden zijn al die besparingen terug te draaien? Ja, waarom zouden we geloven dat zij die aan de basis liggen van de ernst van de gevolgen van deze crisis, plots met de juiste oplossingen voor de dag zouden komen?

Want, wanneer een ontredderde massa haar ongenoegen toont en schreeuwt om een reddingsboei, zie ik Decreus in zijn analyse enkel met lood komen aandraven en links en rechts nog wat mensen neersabelen. Ja, misschien is hij wel in de leer geweest bij die grootviroloog van ons.

 

 

[1] https://www.dewereldmorgen.be/artikel/2021/01/29/waarom-coronasceptici-ongelijk-hebben/

[2] Arendt, H, Totalitarisme, 4e oplage 2020, Boom, Amsterdam, p 350

[3] https://www.dewereldmorgen.be/brief-aan-dominique-willaert/?fbclid=IwAR1bAouiMFZRrtv_-aH0O9rmbZgA_xMLCUoBuyvk-J8GP-9QydDLpM2PWxE

[4] Idem, Arendt 2020, p 48-49

[5] Pauwels, Jacques R., De grote mythen van de moderne geschiedenis, 2019, Uitgeverij Epo, Berchem. p 117

[6] Agamben, Giorgio, Homo sacer, de soevereine macht en het naakte leven, 2002 (Ned. vert.), Boom / Parrèsia, Amsterdam, p 131

[7] Idem Agamben, 2002, p 132 (onderlijning door mijzelf)

[8] Apostel, Leo, Levend sterven, 2000, VUBpress.

[9] Idem, Apostel, 2000, p 133

[10] Idem, Apostel, 2000, citaat p 130, naar Ziegler, J. (1977), Les Vivants et la Mort, Essai de Sociologie, Paris. Editions du Seuil

Creative Commons

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!