Een sociaalecologisch, postkapitalistisch alternatief 7/10

Een sociaalecologisch, postkapitalistisch alternatief 7/10

zondag 27 maart 2011 16:42

Aflevering 7: in principe geen prijskaartje bij consumptiegoederen

Naast de sector van de productiemiddelen is daar ook die van de consumptiegoederen. En ook die zijn gratis en kunnen dus kosteloos gedistribueerd worden, althans in principe. Deze reserve betekent dat ook de verdeling van consumptiegoederen niet onvoorwaardelijk kan zijn. Welke voorwaarden zijn van kracht?

Voorwaarden: het periodiek uit te keren budget

In ieder geval komt hier niet in aanmerking een controle door een overheidsinstantie, zoals bij productiemiddelen. De aanschaf van consumptiegoederen is immers zozeer gebaseerd op individuele keuzen, dat dit instrument niet alleen een volstrekt verkeerd, maar ook een impertinent middel zou zijn. De voorwaarde, te verbinden aan de verwerving van consumptiegoederen, zou de individuele keuzevrijheid van de consument geheel intact moeten laten. Maar waar zij wel aan zou moeten voldoen is er voor te zorgen dat de totale consumptie in overeenstemming is met een productiehoeveelheid die natuur en milieu niet meer aantast dan de aarde op enig moment en met de dan heersende technologie kan verwerken, zonder er blijvende schade van te ondervinden.

Zo’n voorwaarde kan gestalte krijgen in een budget. En daarmee is bedoeld een uit te keren waardebedrag dat de consument – en dat is iedereen – periodiek door de overheid wordt toegekend. Zo’n budget waakt er dan voor dat de totale consumptie blijft binnen de grens van wat in een bepaalde tijd en context als ruimschoots voldoende wordt beschouwd voor een reële behoeftebevrediging, en dat die consumptie tevens blijft binnen de draagkracht van het milieu. Zo’n budget verhindert dat de aanschaf van consumptiegoederen leidt tot een overdaad die het milieu te veel belast en energie en grondstoffen verkwist.

Samenstelling pakket consumptieartikelen

Het budget moet zorgen voor een consumptie die niet te zwaar drukt op natuur, milieu en grondstoffen. Maar betreft het een consumptiegoed dat niet zo’n zwaar beslag legt, en/of van groot maatschappelijk belang is, dan kan het gratis ter beschikking worden gesteld en dus buiten het budget blijven. Hier komen in ieder geval voor in aanmerking diensten als onderwijs, (gezondheids)zorg en openbaar vervoer. Het omgekeerde gaat ook op. Consumptiegoederen waarvan de productie energie, milieu en grondstoffen zwaar aantast en bovendien van gering maatschappelijk nut zijn, dienen niet alleen onder het budget te vallen, de aanschaf ervan moet ook een relatief groot deel van het budget opeisen, om zo het beslag op energie, milieu en grondstoffen zo klein mogelijk te houden. In het algemeen geldt dat naargelang consumptiegoederen natuur en milieu zwaarder belasten, hun beslag op het budget groter zal zijn.

Afstemming grootte van het budget en draagkracht

Het budget draagt zorg dat de behoeftebevrediging de draagkracht van natuur en milieu niet overschrijdt. Budget en die behoeftebevrediging moeten dus op elkaar zijn afgestemd. Met dit doel is het noodzakelijk aan de diverse goederen een waarde toe te kennen, en de hoogte van het waardebedrag in het periodiek budget zodanig te bepalen, dat er geen sprake kan zijn van een consumptie die de draagkracht van natuur en milieu onherstelbaar zou beschadigen.

Aan ieder consumptiegoed wordt een waarde toegekend, en wel met dien verstande dat aan consumptiegoederen voor de productie waarvan natuur en milieu zwaarder worden belast, een hoger ‘prijskaartje’ zal hangen. De hoogte van de waarde van het periodiek budget is zodanig op deze waarden van goederen en diensten afgestemd, dat het de soort behoeftebevrediging mogelijk maakt waarom het ons te doen is: een naar tijd en plaats redelijke behoeftebevrediging, waarin natuur, milieu en energievoorraad niet onherstelbaar worden aangetast.

Vervuilingseenheid of ecologische bestedingsruimte

Als we spreken over de ‘waarde’ van het periodiek budget, wordt natuurlijk niet bedoeld ‘geld’ dat eerst door inzet in het productieproces is verdiend. Het postkapitalistisch productieproces is immers opgeschoond, er wordt dus geen geld meer verdiend, en daarom kan de waarde van het budget ook niet in geld worden uitgedrukt. Verwijzen wij naar de waarde van het budget, dan is daarmee niet bedoeld een betaalmiddel in de betekenis die het had in het kapitalistische en vóór-kapitalistische tijdperk. Een adequate typering van de betekenis van ‘waarde’ in het periodiek budget, zou kunnen zijn ‘vervuilingseenheid’ of ‘ecologische bestedingsruimte’. De postkapitalistische mens krijgt in zijn budget dus de beschikking over een aantal vervuilingseenheden. Door inwisseling ervan kan hij goederen en diensten verwerven, aan welk van te voren een voor elk specifiek aantal vervuilingseenheden is toegekend (dat is de hoeveelheid vervuiling ontstaan tijdens het productieproces). Men zou het betaalmiddel van het periodiek budget bijvoorbeeld ‘eco’ kunnen noemen, als verwijzing van ecologische bestedingsruimte. Om een voorbeeld te noemen van een betaalmiddel in het postkapitalisme: met een biljet van 5 eco kan de postkapitalistische consument een product of dienst aanschaffen waarvoor bij de productie het milieu voor 5 eenheden is vervuild. De dekking van het postkapitalistisch betaalmiddel is niet arbeid, maar milieulast.

De volgende aflevering: economische groei en verschrompeling van banken

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!