één sector, één strijd!

vrijdag 9 september 2011 12:42

Vakbondsmensen ontslaan of zelfs de hele fabriek verhuizen: zulke vormen neemt de syndicale repressie aan in Midden-Amerika. Maar door hun krachten te bundelen, slagen vakbonden erin het tij te keren – zelfs in volle crisistijd.

“Excellente werkkrachten tegen competitieve prijzen in de regio. Een laag verloop, een snelle leercurve, weinig absenteïsme: de Nicaraguaanse werkkrachten hebben zich in geen tijd als een van de meest competitieve en productieve van de regio weten te positioneren. De 2.2 miljoen mensen van actieve leeftijd staan bekend om hun flexibiliteit en werkethiek.” Met deze woorden lokt de Nationale Commissie van de Vrijhandelszones investeerders naar Nicaragua. Ook met de totale vrijstelling van belasting op winst, eigendom, invoer enz., halen ze investeerders over de streep. De assemblagebedrijven die zich in die vrijhandelszones vestigen, de zogenaamde ‘maquilas’, zijn sinds de jaren ’90 in heel Midden-Amerika uitgegroeid tot belangrijke economische spelers.

Volgens een rapport van het syndicaal studiecentrum ISACC werken in Nicaragua ruim 76.000 arbeiders, waarvan iets meer dan de helft vrouwen, in zo’n 150 bedrijven. Drie kwart van die arbeiders werken in de confectie van kleding, die veelal in Noord-Amerikaanse en Europese winkelrekken terechtkomt. Hun lonen schommelen rond de 120 dollar per maand en dekken slechts een fractie van de basisbehoeften. Niet enkel de armoede maar ook de hoge temperaturen in de fabrieken, de beperkte toegang tot sanitair, de lange werkdagen (vaak tot 12u per dag), ondermijnen de gezondheid van de werknemers.

Antisyndicaal klimaat
De arbeidsvoorwaarden zijn precair, het klimaat is antisyndicaal. Dat laatste zegt ook het Internationaal Vakverbond. Slechts in 28 van de ongeveer 150 Nicaraguaanse maquila’s zijn er vakbonden actief, dit is amper 2 op 10. En daarmee scoort Nicaragua nog het best! Arbeiders die een vakbond willen oprichten, worden geïntimideerd. Vakbondsleiders worden ontslagen. Of de hele fabriek wordt gesloten. Door bedrijfssluitingen zijn er tussen 2007 en 2009 wel 30 vakbonden opgedoekt, en dat heeft heus niet alleen met de economische crisis te maken.

Zo had de Sandinistische Arbeiderscentrale CST-ZF, partner van fos, vorig jaar af te rekenen met de dreigende sluiting van het bedrijf Kaltex. 1300 banen stonden op de tocht, tot een groep Mexicaanse investeerders interesse toonde voor een overname. Bij het begin van de onderhandelingen stelden ze als eis dat de vakbond weg moest om het bedrijf te redden. Na hevig protest van de vakbond bij het ministerie van arbeid heeft de nieuwe werkgever uiteindelijk toch de vakbond moeten aanvaarden. Er heerst sindsdien echter nog steeds een sfeer van sterke syndicale repressie op de werkvloer.

Regionale samenwerking
Dat het antisyndicale klimaat grensoverschrijdend is, blijkt uit het voorbeeld van de bedrijven New Holland en Gran Textil. Zij ruilden vorig jaar Honduras voor buurland Nicaragua. Ze waagden deze oversteek omwille van de lagere lonen en energieprijzen in Nicaragua en het onstabiele politieke klimaat in Honduras. Maar een bijkomend motief was dat ze zo van de vakbond in hun bedrijf in Honduras verlost waren.

De vakbonden versterken is dan ook broodnodig en daar zet fos mee de schouders onder, meer bepaald door een regionale dynamiek op gang te brengen. Frank Lensink, fos-medewerker in Nicaragua, haalt een paar belangrijke beweegredenen daarvoor aan: “Wat in Nicaragua gebeurt, heeft gevolgen voor Honduras en El Salvador. De landen uit de regio zijn economisch afhankelijk van elkaar en de werkgevers spelen daarop in. Dat dwingt ook de vakbonden om deze dynamiek met argusogen te volgen. Bovendien worden vakbonden uit verschillende landen met dezelfde arbeids- en mensenrechtenschendingen geconfronteerd. Dus hebben ze er ook baat bij om ervaringen uit te wisselen: wat zijn de strategieën van de ander en waarom zouden die bij ons ook kunnen werken, of juist niet?”

Dat is precies wat in december vorig jaar gebeurde: op initiatief van het vakbondsstudiecentrum ISACC en fos kwamen vakbondsleiders van Midden-Amerika samen in de Nicaraguaanse hoofdstad Managua om ervaringen uit te wisselen. De deelnemers dromen echter van meer: “Het zou ideaal zijn als we in de toekomst kunnen samenwerken met de andere Midden-Amerikaanse landen en naar een gezamenlijke regionale agenda kunnen toewerken,” aldus een van hen.

Dat is een nobel streven. Op dit moment is het echter al een hele opgave om dit voor één land gedaan te krijgen. In Nicaragua zijn de eerste successen op dit vlak al behaald, dankzij gebundelde krachten. De vakbeweging is erin geslaagd om een gemeenschappelijke miniumumagenda op te stellen voor het overleg met de werkgevers. Met de steun van de Sandinistische regering lukte het de vakbonden om met het patronaat rond de tafel te gaan zitten en een akkoord af te sluiten over de minimumlonen in de maquilasector. Een akkoord dat geldt in alle bedrijven, ook in degene die weigerachtig staan tegenover de aanwezigheid van een vakbond.

In 2009, in volle crisistijd nota bene, is bij een eerste akkoord een loonsverhoging van 9% afgesproken en 10% voor 2010. Het tweede akkoord dateert van 2010 en legt verhogingen vast van 8% in 2011, 9% in 2012 en 10% in 2013. Dat lijkt veel, maar men mag niet vergeten dat ook de inflatiepercentages van die grootteorde zijn.

Toch mag men terecht spreken van een doorbraak. Het rond de tafel krijgen van maquilavakbonden is zelfs in Nicaragua geen sinecure: de arbeidersbeweging in het land is nog steeds zeer verdeeld, ook al is de burgeroorlog nu al enkele decennia achter de rug. Terwijl de werkgevers allemaal binnen één organisatie zitten en achter dezelfde doelen staan, telt de Nicaraguaanse maquilasector maar liefst vijf vakcentrales. In sommige fabrieken zijn meerdere vakbonden vertegenwoordigd. Vakbondsleider Roger Hernandez (CST) aarzelt niet om ook kritisch naar de eigen organisatiemodellen te kijken: “Er zijn de wetten en het patronaat die ons kwetsbaar maken. Maar ligt die kwetsbaarheid ook niet aan het huidige model van vakbondsvertegenwoordiging, waarbij iedereen zijn deeltje heeft? Ons organiseren op sectorniveau kan een uitweg bieden.”

‘Better Work’ project
Een nieuwe springplank voor een sterkere samenwerking, dient zich aan in de vorm van een ‘Better Work’ project dat de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) in Nicaragua opstart.

Nicaragua is het eerste Midden-Amerikaanse land waar de IAO zo’n project lanceert. In samenwerking met het ministerie van arbeid brengt de IAO alle werkgevers en vakbonden rond de tafel om het sociaal overleg voor heel de sector een duwtje in de rug te geven. De IAO engageert zich om toezicht te houden op de naleving van de nationale arbeidswet en van haar eigen grondbeginselen over waardig werk, zodat de levenskwaliteit van de werknemer en zijn of haar familie verbetert. Tegelijk is de IAO ervan overtuigd dat de textielindustrie competitiever moet worden en haar positie op de internationale markten moet versterken. Sociaal verantwoorde economische groei moet bijdragen tot een verhoging van de export, een verbeterde kwaliteit van de producten en tot beter opgeleide werknemers. Dit alles moet leiden tot een hogere en stabielere tewerkstelling.

Een pijnpunt is dat het programma zich enkel richt op de directe arbeidsomstandigheden binnen de fabriek: hygiëne, verluchting, betaling overuren, voorkomen van seksuele of andere vormen van fysieke en psychische intimidatie. Het loon blijft buiten het vizier. Noodgedwongen, volgens Frank Lensink: “Als je aan het loon komt, gaan de bedrijven weg, naar een ander land.” En dan is het met onderhandelen ook gedaan. Men hoopt dus dat de lonen zullen stijgen naarmate de productiviteit en de kwaliteit van de productie in de sector toeneemt. “Een hogere kwaliteit van textiel en van afwerking moet investeerders in de toekomst overtuigen om voor Nicaragua te kiezen. Want met de lonen in Cambodja en Vietnam kan men ook hier niet concurreren,” aldus Frank Lensink.

Toch ziet Pedro Ortega van CST-ZF het project als een extra kans om het proces dat in 2009 begonnen is, verder te verbreden en te verdiepen. Estela Gonzales Mendoza van de CUS-centrale (Confederación de Unificación Sindical) sluit zich bij die visie aan: “We zullen ons als één blok opstellen tegenover de werkgevers die de belangen van het kapitaal verdedigen en geen oog hebben voor de verbetering van de arbeidsvoorwaarden. De bedrijven zullen het werk van de vakbonden meer au serieux nemen en de relaties met de werknemers zullen een stuk menselijker worden. De regering van haar kant staat voor de uitdaging om zoveel mogelijk bedrijven bij het project te betrekken. De vrees is reëel dat sommige bedrijven het land verlaten omdat ze niet akkoord gaan met de verbintenissen die uit het overleg voortkomen. De overheid moet duidelijk maken dat een verhoogde productiviteit wel degelijk kan samengaan met respect voor de arbeidsrechten, door de efficiëntie te verhogen.”

Meer info: en acties op www.schonekleren.be

01 juli 2011
Auteur: Wim Leysens en Isabel Wagemans
Contact: Wim.Leysens@fos-scosol.be

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!