Een proper einde
NMBS, Zelfdoding -

Een proper einde

maandag 16 september 2013 11:00

Voor Antwerpen Centraal op spoor 11

Ik zat aan het raam ommendom ingepakt door drie medereizigers, iets te weinig ruimte om de krant behaaglijk opengevouwen te houden. Waarom denken die van De Morgen niet wat meer aan het comfort van de treinreiziger en drukken hun nieuws niet meteen op een handelbare tabloid?

“Dames en heren, dadelijk zullen we de plaats van een aanrijding voorbijkomen rechts van de trein in de richting waarin de trein rijdt. Mogen we u vragen uw blik af te wenden. Dankuwel.”

Een ogenblik stond ik danig perplex. Na een poos wist ik het en kon ik reageren.

“Dat moeten ze nu juist zeggen, genoeg om de nieuwsgierigheid op te wekken”, sprak ik mijn buurman aan. De man richtte zijn wijsvinger op zijn oorschelp, maakte een cirkelbeweging over de hele omvang van zijn radarsysteem en haalde vertwijfeld de schouders op. Hij had er dus niets van begrepen. Daar ik er geen benul van had in welke wereldtaal hij zich uitdrukte deed ik geen moeite om hem het voorval uit te leggen.

‘s Avonds berichtte het journaal dat de NMBS, geteisterd door niet aflatende vertragingen en door bakken kritiek van het rijdend publiek, de stukken en de brokken, verspreid over de sporen tijdens de eerste morgenritten nog niet schroomvol met lakens afgedekt, laat staan opgeruimd had en sommige reizigers zich een ongeluk schrokken bij de onverwachte confrontatie met die lichamelijke ravage.

“Zelfdoding?”, had ik bij het uitstappen in het Centraal Station aan de conducteur gevraagd. Hij twijfelde een ogenblik om al dan niet een antwoord te formuleren. “Wellicht”, kwam het eruit.

Er mag zich te lande geen uitslaand brandje voordoen, al was het maar op één verdieping en zonder enig slachtoffer, we krijgen het stellig op ons bord tijdens het avondjournaal. Jaarlijks gooien zich 200 Belgen voor de trein, voor de helft met dodelijk resultaat. Horen we niks over. Bovendien zou ik willen weten wat er met de andere helft verder gebeurd is.

Hoe zijn die wanhopige niet gestorven mensen er uitgekomen? Met hoeveel lichaam nog? De stukken worden samengeraapt, in het ziekenhuis opnieuw in elkaar gezet en het slachtoffer half afgewerkt weer de jungle ingestuurd. Maar daar mag ik niets over weten. Gerechtvaardigde schroom? Schaamte bij de onkunde om het probleem effectief aan te pakken? Manoeuvres om dit onthutsend verschijnsel, deze inktzwarte vlek op het blazoen van een nagenoeg keurige samenleving weg te moffelen? Zo weinig mogelijk weten, niet van wakker liggen lijkt het devies. Wat niet weet, niet deert.

Ik probeerde me het duistere hersenspinsel in te denken van iemand die in zichzelf ingekooid leeft, er uit wil en er niet uit kan, hulp zoekt en ervaart dat die hulp neerkomt op ‘blijf in je kooi.’

Ik trachtte me de onweerstaanbare drang om uit te breken voor te stellen, een drang die voortdurend afketst op grenzen van ingeslotenheid, rondjes draaien, in je staart bijten. Ik was me ervan bewust dat ik er niet bij kon. Welke angst voor het leven is zo gruwelijk dat zij de angst voor de dood doet verbleken?

Teneinde raad daagt de doe-het-zelf-oplossing op. De martelende aftasting: hoe het aan te pakken? Feilloos, bliksemsnel en dus pijnloos. De anderen, de achterblijvers? Een geschreven berichtje? Neen, zij kunnen er toch niet bij. Zij zitten vast in een andere wereld en vinden geen aansluiting. Mijn zoektocht naar verlossing verloopt in de grootste eenzaamheid, ik ben alleen op de wereld, de anderen zijn onbestaande.

Een stevig touw, beter een zeel, een das blijkt ook te lukken, ergens las ik dat iemand er met een das aan de verwarmingsradiator in geslaagd was. Toch maar beter een dwarsbalk en een stoel of een bankje dat bij de eerste schop kantelt. Waar dan? Op een geschikte zolder, die hebben we bij ons thuis niet. Vrij ingewikkeld.

Beter het water? Diep genoeg, geen terugweg mogelijk. Maar wat met de kans op toevallige voorbijkomende pottenkijkers die naar mislukking leidt? En wat met de uitsluiting van een pijnlijke dood? De plons is het begin, niet het einde. De verstikkende doodsstrijd duurt eeuwige minuten.

De trein is fulminerend, bliksemsnelle levensbeëindiging verzekerd, wel is er het risico dat de laatste ogenblikken bij het naderen van de machine niet bevrijdend, maar ondraaglijk worden en de sprong beletten. Bovendien hoe vermijden dat de dood maar half lukt?

Pillen, welke pillen? Zonder risico te lopen dat ik niet overleden en plantaardig terugkeer. En pijnloos? In welke mate garanderen ze me een slapend verscheiden? En geen ontwaken met verkoolde maag. Waar haal ik ze?

Ik probeerde me in te beelden hoe vertwijfeld ik zal staan om een keuze te maken, de strop, het kanaalwater, de treinwielen of chemisch vuur in de darm. Ik zou het betreuren me niet doodgewoon, jawel, zo gewoon als de dood, naar een centrum te kunnen begeven, zoals ik naar de tandarts ga, naar de uroloog die mijn voorstander beter kent dan ik zelf, naar de psycholoog die me eens over de vloer kreeg toen ik de Noordpool in Antarctica situeerde. “Ik kan het niet meer aan, ik wil er af, er uit.”

Zo’n centrum binnenstappen, mocht het er al zijn, is dat ook geen onoverkomelijke hindernis? Per slot van rekening zijn dat pottenkijkers. Een kat kruipt in een donker verwijderd hoekje om te sterven. Ik loop kans dat ze in plaats van me te helpen me met alle middelen ontraden zoals ik al talloze keren ontraden werd. Tenzij dat centrum effectieve hulp garandeert.

“Plaats hier je handtekening en je getuige het zijne, hiernaast, slaap er nog een nachtje over, mag ook twee of drie nachtjes en kom dan terug. We doen het, professioneel, begeleid, pijnloos, we bezorgen je een proper einde.”
Helaas heb ik een dergelijk centrum nog niet ontmoet.

Neen, ik heb het hier bijvoorbeeld niet over iemand met zware emotionele, mentale of fysische beperkingen, zo geboren of zo geworden, die wel degelijk wil leven, ook als hij het alleen niet redt. Ik heb het hier over recht op sterven, als er geen andere uitweg is of ik niet in staat ben die te zien. Misschien verwart men teveel ‘recht op sterven’ met ‘recht op doden?’ Er is altijd een andere uitweg, zeggen ze. Maar als je het hen vraagt weten ze niet welke.

De kwestie blijft overeind: “Waarom wordt mij de keuze niet gegund tussen de strop, het kanaalwater, de treinwielen of onzekere pillen enerzijds en een proper, menselijk en begeleid einde anderzijds?”

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!