Een les in Diepgang aan de heren van de orde van de ivoren pen

Een les in Diepgang aan de heren van de orde van de ivoren pen

zaterdag 11 juni 2016 14:09

Met de verhelderende afstand die intussen is gegroeid, treft het mij als bijzonder onwaardig, hoe heren in de stand van de pennenlikker, zoals Torfs en Vande Voorde, een week terug schaamteloos de oorzaken minimaliseerden, de gegronde drijfveren van de stakende mannen en vrouwen. Vooral in het geval van de cipiers lijkt zulke opinievervalsing door ‘opiniemakers’ mij een Misdaad tegen de Menselijkheid. Met hun pennenvruchten doen zij immers dit: het eigen geweten & bewustzijn én dat van de bourgeois medemensen ‘beschermen’. In bescherming nemen tegen een essentieel deel, een superbelangrijke laag van de werkelijkheid die zich constant ontrolt op nauwelijks enkele meters van de drempel van hun stenen huis. Zij ontnemen de slachtoffers die cipiers zijn, zonder meer het basale recht op antwoord, op reactie, op opstaan. En die cipiers zijn dan nog maar gebufferde figuren. Het werkelijke lijden speelt zich af bij de gevangenen. ça va de soi… Deze toplui falen dus in begrip voor de kleine mens, en dan ook in het dragelijk maken ervan. 

Met die schriftvervalsing doen zij mij denken aan de vileine rol die Staatssecretaris Paula d’Hondt speelde in het jaar 1994. Toen de cijfers van het aantal doden binnenliepen die vielen in Rwanda tijdens de genocide, dag na dag, (in een voormalige kolonie van dit landje dus), sprak zij: “Dit kan niet. Wij mogen deze cijfers (ongeveer een miljoen doden op zeer korte tijd) niet doorgeven aan de media”. Zij wurgde de catastrofe lichtjes, en verkleinde dit getal met een factor tien. Op maat van het bevattingsvermogen…

Of: moeten wij onze leidersfiguren nu ook niet het leven onmogelijk maken? Wij zouden toch niet willen dat een schrijver als Rik Torfs of een Mark Vande Voorde niet meer vrolijk zijn bleek rode Bourgogne zou kunnen proeven? (Vgl. “Wie gaat er dan de wereld redden?” p. 62. – Onze eigen Heilige Woede vindt dan weer alle grond in hetzelfde magistrale boekje van Torfs op pp. 123, 235, 143.)

Om dit duo en consorten door elkaar te schudden, (The Audacity of hope!) krijgt de progressieve lezer dadelijk een paar uitgeschreven rapporten van Jachtexcursies. Die mocht ik zelf meemaken. In het (uiteraard uiterst nobele) kader van het realiseren van het wetenschappelijk opgestelde “Wildafschotplan op Roodwild” in de wouden die aan de Kroon behoren in het gebied van de Hoge Venen. “Les chasses Royales de Hertogenwald”. Ik was daar werkende Invité in dat jaar 1994. Bourgeois waarheidsverneukers en ieder met interesse in het Maatschappelijk Debat, mogen met Gods hulp in deze authentieke dagboeknotities sporen vinden van inspiratie om te remediëren tegen een van de grootste kwalijke realiteiten van vandaag: het gebrek aan menselijke Broederlijkheid. Dit is intussen vaak nog vermeerderd door de absolute, zij het meestal onderbewuste, weigering van velen om in contact te komen met existentiële Realiteiten als de Dood (van dieren dan nog).

Onze ervaring is misschien interessant: dieren doden in de context van goed georganiseerde, verantwoorde, vakkundige jacht, die nobele activiteit kan een mens toelaten net fijnmenselijk te laten blijven in de omgang. Jagen voldoet wellicht perfect aan de criteria van de roep van Paul Verhaegen in zijn essay ‘Identiteit’: Wij moeten op zoek naar kansen voor de (stedelijke) mens van nu, om Agressie op aanvaardbare manier uit te leven”.

De tekst staat er zoals ik hem redigeerde in 2008, op basis van dagboeknotities uit ’94.

Van beide diepe emoties, de liefde en het lijden aan het jagen, heb ik – Goddank – mogen proeven en kan ik verhalen. Na een tweetal jaar voor de jagerswereld te werken ontving ik midden 1994 van de overheid het voorrecht een jachtstage te doen op grofwild op een van de Koninklijke Jachten van Belgie. Tijdens de eerste dagen in Hertogenwald, het wondere woud dat de Hoge Venen omzoomd, hebben de wildschutten en ik vele uren doorgebracht zonder wild te zien. Wij zaten uit te kijken naar edelherten, reeën en everzwijnen in de regen en in de koude die eigen is aan het hoogste plateau van het land naar het einde toe van de septembermaand. Gelukkig hadden we elkaars menselijke gezelschap: op de eerste dag trok ik erop uit met Thys, een van de vijf professionele jachtbegeleiders van de domeinbossen.

Wij zijn beiden in donker jagersgroen gehuld, de lodens doorweekt na uren aanzitten, sluipen en turen. Wij vinden troost in tabak. De rook blijkt bovendien een goed afschrikmiddel tegen de plaatselijke miniskuule zwarte vliegen die venijnig bijten… Heel even, alsof de Schepper zijn medeleven wil tonen in een royale aanmoediging, krijgen wij na uren in de regen een roedel Roodwild (edelherten) in het oog; de dieren blijven echter versluierd achter een regengordijn en achter de benevelde lenzen van de verrekijker… en van afschot kan dus geen sprake zijn.

Tijdens de tweede ‘sortie’, een excursie aan de zijde van de ouderdomsdeken van het vijfkoppige team, wildschut Bourguet, zien wij twee hindes, vrouwelijke herten (Cervus elaphus). Zij hebben ons gehoord of geroken ondanks onze inspanningen om geluidloos en boven de wind te vorderen, en ze zijn na enkele seconden verdwenen. Bourguet is de oenoloog van het team boswachters van het Koninklijk Domein dat zich uitstrekt over meer dan 6300 ha. Het blijft voorlopig verschrikkelijk weer: koud, winderig én nat.

De avond van de 16de september zal aangenamer verlopen. Voor de eerste keer trek ik erop uit met de chef van de jachtgidsen van de bossen van het Koninklijk Domein: de heer Buisseret. Hij is een rijzige vijftiger die op een besliste manier beweegt en vlot en zelfzeker praat. Bij het vertrek van de berstocht krijg ik een algemene repetitie over het mikken met behulp van het driebenig statief (‘Goed krachtig schouderen maar rustig laten opveren bij het schot’); over de strategie bij het speuren (‘Wanneer ik naar rechts kijk, kijkt u naar links, zo missen wij niets. Als je op een goed pad berst, waar geen takjes liggen die geluid kunnen veroorzaken, dan kijk je vooral voor je uit om het wild in het oog te krijgen. Maar meestal zal je bij de jacht op grootwild naar de grond kijken, om elk gerucht van krakende takken of ritselende bladeren te vermijden bij het stappen’); de discipline bij het sluipen (‘U volgt mij op de voet’); de structuur van de uitstap (‘Wij gaan telkens korte bersgangen maken, vanuit de geparkeerde wagen’). De chef pakt het allemaal professioneel en planmatig aan. Op die manier voel je welkom in de wereld van de jacht, je voelt “de inwijding” plaatsgrijpen. Wij zien heel wat wild deze keer. Achterin een sterk naar beneden hellende brandgang zie ik in de 10 x 40 kijker plots een enorm gewei bewegen, boven het gras van een heuvel uit, de drager ervan blijft mysterieus onzichtbaar. Vervolgens duikt een reegeit met jong op aan de linkerkant, zij is echter verdwenen voor wij ze kunnen “aanspreken”; en ten slotte bespieden wij een mannelijk edelhert met vier stukken kaalwild (vrouwtjes en hertenjongen) erbij. Een verrukkelijke ervaring van schoonheid zoals ik die nog nooit eerder mocht meemaken. Schoonheid is zulke krachtige emotie omdat ze in ons bewustzijn verwijst naar een mooie toekomst…

Mijn eerste schot

Het roedel roodwild en de sprong reewild hebben wij dus telkens even aangeberst, de jachtgids gebruikt voortdurend zijn snoeischaar; de berspaadjes vragen erom aan het begin van het seizoen. Maar wij komen voorlopig niet tot kansen op afschot. De spanning bouwt zich op. Het is nu halfacht, wij hebben nog een half uur voor zonsondergang die het wettelijk bepaalde einde van de Sortie zal inluiden. De baas besluit het nog eens beneden te proberen, in een uithoek van het woud vrij dicht tegen de stadskern van Eupen. Daar blijkt inderdaad ander weer te heersen, beter jachtweer: minder wind. Twee minuten na aankomst is er al een bende zwartwild links op zestig meter, ze vluchten voor iets, wellicht is er hun een late wandelaar ter ore gekomen (everzwijnen zien niet zeer goed). Ze zijn snel uit het zicht. Een gemiste kans, maar wel een mooie observatie. De Schepper van al dit natuurschoon en die creaturen blijkt vanavond echter in een milde bui. Er is een stuk zwartwild achtergebleven… Vanuit de hoogte ziet de Vader in de daaropvolgende ogenblikken beide mannen het stuk aanspreken met de veldkijker, zij zetten een paar stappen.

“Tirez-le”

 

… klinkt het zacht in mijn oor. Ik geef de zware buks een plaats op het driebenige statief. Dat gaat gewoon, daar komt voorlopig geen emotie bij kijken. Buisseret kijkt mee uit en verplaatst gedienstig het statief naargelang het wilde zwijn traag achter de grijs-zwarte stammen verder stapt, het dier heeft ons gelukkig niet in de gaten. Ik zoek het schouderblad van het beest in mijn vizier. Alsof de Voorzienigheid ermee gemoeid is, spreekt mijn mentor van de dag het bevrijdende woord precies tijdens de seconde dat ik het dradenkruis van de bukskijker op het silhouet heb:

“Maintenant!”

 

 

Magisch moment

Nu ervaar ik wél de geladenheid van het magische moment! Ik voel de verantwoordelijkheid : dit wordt, na een jeugd van oefenen met de windbuks in de tuin van het ouderlijke huis en op Leuven kermis, na een strenge schietproef onder toezicht van de wachters van dit domein, wordt dit het eerste schot dat ik afgeef op een groot dier, dat voelt heel anders dan het schieten met hagel op kleinwild, iets dat ik de afgelopen zomer met zeker succes voor het eerst heb gedaan. Ik heb geen drempelvrees om af te drukken want Buisseret legt met veel gevoel voor didactiek zijn hand op mijn schouder. Het schot dondert, de buks beweegt omhoog, het zwijn valt op slag om, plat op de grond! Ik ervaar blijdschap bij dat zicht, geen spoor van schuldgevoel. Kordaat zegt de gids “Verrouillez – grendel opnieuw”.

Ik doe dat, een beetje verbaasd dat ik dit verplichte en ingeoefend gebaar dan toch niet uit eigen beweging heb kunnen maken, en dan stuurt hij mij naar de aanschotplaats om zo nodig een vangschot, een genadeschot te geven. Gespannen ga ik op het beest af, van boom tot boom, ik tracht op elke beweging voorbereid te zijn. Door die over-concentratie, geraak ik natuurlijk de locatie van het zwarte lijf kwijt. Even later ben ik er dan toch, ik kom, ik kijk en ik besef : “Mijn eerste stuk grofwild is gedood!!” Mijn reflectie op dit unieke moment is: “Dit is niet een ervaring van “doden”. Jagen heeft veel meer van “deelnemen aan een groot, gewijd ecologisch Spel”. “Jagen is voor mij deelnemen aan het Leven zoals het bedoeld is…”

Kameraadschap

Buisseret zegt: “Wij halen het stuk straks wel op”. Wij gaan door met sluipend stappen, en zetten ons nog even op een jachtkansel. Het donker valt in. Samen op een tweede stuk loeren na het eerste geslaagde schot, het doet deugd, het is een rijk, vredig-kameraadschappelijk en toch spannend gevoel. Wij voeren een fluisterend gesprek over de technische kanten van onze verrekijkers en de bukskijker. Ik werk met een 6 x 40 bukskijker. Heel handig, die vaste vergroting en bijbehorende beeldhoek; je weet in alle omstandigheden wat je eraan hebt. Altijd even scherp, dat beeld. De gids overtuigt mij wel van het belang van een extra lichtsterke bukskijker. Hoe groter de frontlens hoe beter, want bersen op grofwild speelt zich altijd af in de schemering. Ik neem mij voor naar een 7 – of 8 x 56 te informeren. Het wapen dat ik gebruik is een kogelkarabijn met getrokken lopen in het Europese grofwildkaliber van 7 x 64. De kogel zelf is 7 mm breed, en de huls meet van de voet tot de kraag 64 mm. Dat komt ongeveer overeen met het Amerikaanse .27 kaliber.

Heilservaring met bloed

Terwijl wij terugstappen naar de Anschuss maak ik vrome plannen, misschien ook wel vanuit de wens een niet onbestaand schuldgevoel te compenseren. Het vereiste respect wil ik betonen aan het gedode dier, op alle beschikbare manieren. Ik zal het everzwijn met de jachthoorn het laatste eerbetoon brengen, als men mij aan het jachthuis de gelegenheid geeft. Gelukkig ook dat ik vanmiddag in de hoofdstad van de Hoge Venen een flesje Jägermeister heb kunnen bemachtigen. Zo kan er straks in de kring van jagers getoast worden op het eerste stuk grofwild dat ons te beurt valt, zoals dat gebruikelijk en aangenaam is. Ook zal ik mij inspannen bij het ontweiden, het wegnemen van de ingewanden, ik zal het vuile werk niet aan de helper alleen overlaten.

In de buurt van een rotsblok is Buisseret al dadelijk begonnen met dit bloedige klusje. Ik houd het beest vast, hij snijdt. Dit gaat met vlotte en rustige bewegingen van het oude, goed aangescherpte Opinel-mes. De rechterhand gaat van de keel naar beneden. Het borstbeen gaat gemakkelijk open; het is een jong dier. Van dichtbij is het diertje kleiner dan het in de bukskijker leek, toen het zijn laatste meters liep. Mijn gebrek aan ervaring blijkt wanneer ik het gewicht te hoog schat; na de ontweiding weegt het wilde varken slechts 13 kilogram. Dertien; dit getal roept even onbehagen op. Er is inderdaad wel wat twijfel vanbinnen; zo van “Wie ben ik, dat ik dat allemaal mag?”.

Meer dan een decennium later, begrijp ik het anders en beter. Dertien staat in de fameuze Arkana voor “een nieuw begin”. Dit is een dag om nooit te vergeten. Ooit werd een jongen tot ‘man’ door dit soort handeling… Wereldwijd, bij de Huron in de bossen van Amerika, de Kung San in de Kalahari, de Maasai in de savannah, de Inuit in Alaska of Groenland, de Lakota in de prairie… Voor mijzelf zijn het ophalen van mijn nummerbord voor mijn eerste wagen in de hoofdstad en mijn kerkelijke huwelijksviering in een nokvolle gothische kerk zulke grootse “rites de passage” geweest. Dit zijn rituelen, gewijde handelingen, waarop je identiteit als mens én als man bevestigt.

De geur van het dier is heerlijk. Het is de authentieke, niet-artificiële geur van het bos, van het veld, van de bomen, van grassen en kastanjes. Het is de geur van de vrijheid, van een aan aardse beperkingen gebonden vrijheid. Het is de geur van de klieren die het leven sturen, bij deze zeug van het wild varken, Sus scrofa. Het regent plots wanneer wij met vereende krachten het jonge zwijn aan twee poten wegdragen. Een weinig fraai, donkerrood vocht beweegt ritmisch tussen de ribben en de buikwand. Een koninklijk oergevoel maakt zich van me meester, bescheiden én feestelijk tegelijk.

Jager inspireert mysticus

Deze opbouwende ervaring bij het contact met het bloed van een dier dat je hebt mogen doden, laat me toe de opinie van de in de Bijbel weerhouden brief aan de Hebreeën (10, 4) te relativeren, waar die constateert: “Ja, het is niet mogelijk dat het bloed van geiten en stieren de zonden van de mens wegneemt.” In het nieuwe Testament kadert deze uitspraak in een debat dat op dat moment de geesten bezighoudt: het ontwikkelen van een nieuwe geloofsstijl, nu de messias van Galilea de ogen van de mensen met nieuwe intensiteit heeft weten te openen op het religieuze aspect van het bestaan te midden het Hebreeuwse volk; een volk met een eeuwenlange traditie van intens contact met het bovennatuurlijke.

Als je leeft te midden van een superb natuurlijk milieu als de woestijn, dan is het inderdaad moeilijk om naast het wonder van de natuur, naast de boven-natuurlijke, transcendente sfeer van het leven te kijken. Met het doden en villen van het wild, beseft de jager ook vandaag iets over de eeuwige cyclus van leven en dood, krijg ik toegang tot een verfrissende, bevrijdende, verlossende ervaring. Het doden van een dier kan wel degelijk innerlijke vrede brengen; evengoed als de diverse vormen van bidden en meditatie of het vieren van de eucharistie met haar symboliek van wijn en bloed van Christus dat kunnen. De auteur van het Bijbel hoofdstuk had gelijk in die zin dat de mens niet moet overdrijven met het brengen van dierenoffers in de tempel. Eenzijdigheid en routinematig automatisme is in het spirituele domein uit den boze.

Concertje Hoorn

Bij de dienstwagen gekomen stop ik, als vertolking van de laatste dag en de laatste maaltijd van het jonge beest een bebladerde twijg in de muil: de laatste bete. De bek van het jonge wilde varken is overigens reeds voorzien van indrukwekkende hoektanden; als aandenken aan geslaagde jachten op volwassen dieren leveren die “hamers en geweren” een fraaie trofee op, een esthetisch verantwoord souvenir dat een tastbaar handvat oplevert om bij gelegenheid met het innerlijke oog de weg terug af te leggen, van het banale dagelijkse bestaan naar de jachtdag als triomfantelijke bladzijde in de eigen biografie. Aan de koninklijke jachthut van Hestreux blaas ik in het bijzijn van de vijf jachtwachters en de tien genodigde jagers “Zau tod”, het muzikale eerbetoon aan het everzwijn volgens de Duitse traditie.

Ah ja, de dood

Een wat oudere heer, een industrieel die een plaats bekleedt in de natuuradviesraden in Brussel, is van de partij. Hij luistert aandachtig terwijl ik speel, de jachtpet in de handen voor zijn buik. Hij komt even praten, want is geïnteresseerd bij het bemerken mijn eigen intense, blijkbaar diep gemotiveerde omgang met deze traditionele gebaren van respect en eerbied, van Verbondenheid met het Wild en met de Natuur. De Schepping & de Dood…

Aan de grote eikenhouten tafel geniet het gezelschap nog de hele avond lang van gemoedelijke gesprekken en vriendelijke grappen. Voor mij is dit moment een heerlijke kennismaking met het fenomeen van de Après Chasse. Op deze verheven plek in de bossen is het een waardig en ook bijna sacraal onderonsje van mannen. Samen zitten, proeven en praten. Na onze daden in het rijk van leven en dood, van zon en wind, heuvel en vallei, boom en bloem, maan en sneeuw. Een goed glas geestrijke drank en wat kwaliteitstabak horen daar voor ons toch wel bij. Merkwaardig, schiet me plots te binnen, hoe de meest triomfantelijke momenten van het leven in bijna alle goede culturen ter wereld vergezeld gaan van rituelen zoals het roken van tabak. Een activiteit die op subtiele manier… naar de dood verwijst! En haar, en dat lijkt essentieel, voor de man in kwestie zelf, ook werkelijk dichterbij brengen…

 

 

Stefaan van Leuven

 

Woorden schat

(Aan)bersen: het besluipen van het wild, waarbij de strijd gaat tussen de concentratie en de scherpte van de zintuigen van de jager en die van het dier.

Aanspreken van wilde dieren: het bestuderen van een bepaald stuk wild om te beoordelen of het volgens de regels van de kunst en de wet mag geschoten worden.

De Anschuss: De aanschotplaats; dit is de precieze plek waar het wild stond toen de jager zijn schot loste en de kogel insloeg. Het is belangrijk deze plaats precies te localiseren, om daar naar sporen te zoeken die getuigen over de doeltreffendheid van het schot, en om te beslissen of een nazoek vereist is.

Ontweiden: het wegnemen van de ingewanden onmiddellijk na het vellen van het dier, om bederf van de edele smaak van het vlees te voorkomen.

Verrouiller: de buks grendelen. Na elk schot is dit een onmiddellijke vereiste, om een eventueel ‘genadeschot’ te kunnen geven.

De laatste bete: symbool van het laatste voedsel dat het wild in de muil ontvangt bij het tableau. Welbepaalde soorten loof- en pijnbomen dragen de voorkeur.

De Kansel: torenhoge uitkijk- en schietpost voor grofwildjagers.

Het Tableau: het tafereel van het eerbiedig en volgens rituele regels op het gras uitgelegde gedode wild. Altijd een kleurig memento mori.

 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!