Economie, blijkbaar een positieve wetenschap!

Economie, blijkbaar een positieve wetenschap!

dinsdag 22 juni 2010 15:38

Economie, blijkbaar een positieve wetenschap!

Geschreven door Hans Elsen, beleidseconoom.

Het zo efficiënt mogelijk verdelen van schaarse en minder schaarse goederen is het basismotto waarrond de economische wetenschap zich heeft uitgebouwd. De essentie van deze zin zit vervat in het woord efficiëntie. Belangrijk hierbij is te vatten dat efficiëntie in de verste verte niets te maken heeft met rechtvaardigheid wat een andere mogelijke invulling van de economie als academische wetenschap had kunnen  wezen. De rode draad doorheen de academische cursussen is dan ook efficiëntie. Op basis van verschillende assumpties, die vaak een povere benadering zijn van de werkelijkheid maar daarover verder meer, worden modellen opgesteld die als doel hebben de meest efficiënte allocatie van goederen en middelen weer te geven. 

De meeste economen zien zichzelf dan ook niet als humane wetenschappers maar wel positieve wetenschappers die louter mathematisch uitrekenen op welke manier deze verdeling het efficiëntst zou gebeuren. Zich het credo van een positieve wetenschap aanmeten die gewoon maar vaststelt wat het efficiëntste is, is compleet waanzinnig gezien hier geen natuurwetten of fenomenen worden bestudeerd maar wel een door de mens geconstrueerd systeem dat onderhevig is aan de voorkeuren en ideeën van de mensen zelf.

Het gieten van voorkeuren en ideeën van mensen in mathematische formules en wetmatigheden is mijns inziens wat kort door de bocht. Toch stellen deze academische cursussen dat er een positieve analyse wordt gemaakt en vervolgens een normatieve.[1] Deze positieve analyse laat zien hoe de meest efficiënte allocatie plaatsvindt en via de normatieve analyse kan dan gekozen worden of men in functie van de heersende maatschappelijke ideeën deze efficiëntie verstoort uit bijvoorbeeld sociale overwegingen. Door deze opdeling te maken in een “ mathematisch berekende realiteit “en de later normatieve analyse die wordt overgelaten aan de politieke wereld geeft de economische wereld zichzelf het label van onaantastbaar. De allesomvattende visie, de metatheorie, die mathematisch is onderbouwd geeft weer hoe onze economie zo efficiënt mogelijk georganiseerd kan zijn. Hiervan kan afgeweken worden maar wel ten koste van deze efficiëntie en bijgevolg dus ten koste van de algemene welvaart. Hoewel de economisten beweren een louter positieve weergave van de realiteit te geven zit in hun positieve berekening al een normatieve stelling nl. afwijken van het meest economisch efficiënte is per definitie een welvaartsverlies.

Deze opgestelde modellen vertrekken  echter niet vanuit de realiteit. Economie is één van de zeldzame academische wetenschappen waar de realiteit zich maar moet aanpassen indien ze niet overeenkomt met de theorie.  Op basis van verschillende vaak theoretische  assumpties stelt men modellen op die de efficiëntste verdeling of aanwending van goederen weergeeft. Deze assumpties echter staan meestal in schril contrast met de realiteit. Zo gaat men in de micro-economische modellen uit van de rational choice mens, het zogenaamde fundament van de economische visie op de mens. Andere menswetenschappen zijn echter niet zo overtuigd dat deze theorie zo alles verklarend is voor het menselijk gedrag. Deze assumptie is wederom een duidelijke teken dat economie niet zo exact is als economen ons graag willen doen geloven. De rational choice theorie is een theoretisch concept waar toch enige empirische bemerkingen bij gemaakt kunnen worden . Om dan te stellen dat modellen gebaseerd op deze assumptie een louter positieve weergave zijn van de werkelijkheid lijkt me wederom kort door de bocht.

Een andere vaak gebruikt assumptie voor deze “positieve” modellen is dat de weergegeven situatie zich voltrekt onder het idee dat er een volledige vrije markt is. Waar lonen naar elkaar toe convergeren en bedrijven hun winstmarges gereduceerd worden door de vrije markt die speelt doordat elk bedrijf de vrije kans heeft om in een bepaalde sector in te stappen. Er blijven bedrijven in een bepaalde markt instappen totdat er geen winst meer gemaakt wordt in die bepaalde sector doordat de concurrentie zo hard speelt. Deze utopische situatie staat nogal veraf van een weergave van de werkelijkheid. Toch is dit weer één van de fundamenten waarop deze zogenaamde positieve wetenschap is opgebouwd. Vanuit deze louter theoretische concepten bouwt de economie zijn positief model op om vervolgens te vertellen wat vanuit de empirie het  meest economisch efficiënt is. Economen zijn er in geslaagd om de schijn op te houden dat ze een aan exacte wetenschap doen. Hun exacte wetenschap is echter in zijn assumpties gestoeld op louter liberale theoretische concepten. Van genuanceerd wetenschappelijk onderzoek kan moeilijk spraken zijn als je vertrekt van een louter liberale  theoretische invalshoek.  Dan nog doen alsof je louter de positief de werkelijkheid beschrijft is bijna crimineel te noemen.

Deze liberale bezetting van de economische wetenschap heeft echter verregaande gevolgen. In cursussen, hoorcolleges en naar samenleving toe worden deze liberale concepten aangenomen niet als een liberale kijk op de economie maar als dé economie. Een kritische kijk op deze wetenschap is dan ook totaal verdwenen. In de samenleving en al zeker in economie als academisch wetenschap. Economen bereken  aan de hand van mathematische modellen wat het economisch meest efficiënt is. De invulling van het begrip efficiënt gebeurt wederom normatief. De term efficiënt komt overeen met de liberale invulling van het begrip efficiënt. Efficiënt wil zeggen hier zeggen algehele welvaart. Conform de liberale theorie dat het niet uitmaakt hoe deze welvaart verdeeld is gezien volgens het trickle down principe uiteindelijk iedereen er beter van wordt. 

Aan de hand van deze definitie van efficiëntie berekend op basis van liberale assumpties komen er vanuit de economische handboeken dan ook conclusies die worden voorgesteld als empirisch bewezen en vaststaande economische feitelijkheden, hieronder enkele voorbeelden.

De kost die een belasting veroorzaakt, ook wel Exess Burden genoemd, wordt berekend door middel van de kost van de belasting en de kost van het efficiëntie verlies  bij elkaar op te tellen. [2]   Belastingen kosten dus per definitie meer dan dat ze opbrengen ( behalve als se lump sump zijn maar dit is een louter theoretisch concept). Deze stelling die volgens economen empirisch vaststaat is natuurlijk  nogal eenzijdig. Ten eerste verwarren ze hier wederom hun liberale visie, die per definitie een verstoring van de markt als welvaartsverlies definieert, met empirisch bewezen. Ten tweede vergeten ze al dan niet bewust, dat een belastingen ook een maatschappelijke meerwaarde kunnen creëren. De investering bijvoorbeeld van belastingsgeld in onderwijs betaalt zich ongetwijfeld meervoudig terug. Waarom hoeft het vast te staan dat belastingen de samenleving meer kosten dan ze opbrengen? Dit is een liberale stelling geen empirisch bewezen feit zoals de economische handboeken de studenten graag willen laten geloven. 

Volgens macro-economische modellen heeft de verhoging van de werkloosheidsuitkering of het versterken van het arbeidsstatuut  een negatief effect op de inflatie en de natuurlijke werkloosheidsgraad.[3] Bijgevolg is een werkloosheidsuitkering of een sterk beschermd arbeidersstatuut economisch inefficiënt,  wederom empirisch ‘bewezen’.  Deze welvaartsdistortie wordt dan ook vaak aangehaald om te verklaren waarom de werkloosheid zo hoog is in West-Europa.  Deze empirie is wederom bewezen aan de hand van verschillende theoretische assumpties. Hieruit blijkt duidelijk dat efficiëntie niet gaat over mensen. Zo worden mensen, toch wel de essentie waarover economie zou moeten handelen, niet eenduidig benaderd. Zo is er de bekende vraag en aanbod curve die de producenten en consumenten in onze samenleving weergeven. Dit model is in evenwicht en dus perfect efficiënt! Indien de vrije markt volledig speelt en de producenten dus op efficiënte wijze produceren komen we in een economisch evenwicht waar vraag en aanbod gelijk zijn. Een tussenkomst van de overheid door middel van taksen, subsidies etc. zijn per definitie een verstoring van het meest efficiënte punt en bijgevolg een welvaartsverlies. Efficiënt houdt bijgevolg niet in dat bijvoorbeeld iedereen een huis kan kopen maar wel dat de markt, dus vraag en aanbod, perfect in evenwicht zijn.

Belangrijk is hier om vast te stellen dat de mens is opgedeeld enerzijds in een consument anderzijds in een productiefactor. Arbeid en kapitaal worden in deze modellen als belangrijkste productiefactoren gezien. Efficiënt produceren houdt in dat de productiekosten geminimaliseerd moeten worden, alleen zo blijf je een  vrije markt concurrentiële.  Productiekosten zijn inputfactoren.  De kosten op bv. arbeid moeten dus geminimaliseerd worden.  Langs de ene kant moet er bespaard worden op de mens langs de andere kant moet hij wel kunnen consumeren en dit alles om het economisch efficiëntste punt te bereiken. Niet de mens in zijn geheel  staat centraal in de economische wetenschap, wel  het bereiken van het meest efficiënte punt. Waar de mens zich  als geheel dus als productiekost en als consument bevind is een groot vraagstuk.

Aan de faculteiten economie heerst geen kritische houding of de wil om de studenten op te leiden tot volwaardige economen. Men hanteert er louter Amerikaanse cursussen die compleet doordrenkt zijn van het neo-liberale gedachtegoed.  Een andere dan deze liberale visie komt niet aan bod aan deze faculteit. Men erkend er zelfs niet dat de liberale voorstelling slechts een interpretatie is van economie. Los van deze academici hun persoonlijke overtuiging van het grote gelijk van het liberale denken lijkt het mij intellectueel oneerlijk om gedurende geheel  de economische opleiding nooit een andere invalshoek aan bod te laten komen. De gemiddelde economie student zouden geen drie zinnige dingen over Marx’s of  economisch denken kunnen formuleren. Hier zit natuurlijk een strategie achter. Indien je andere economische theorieën (diegene die niet vertrekken van een hele hoop liberale assumpties)  aan bod zou laten komen verdwijnt het positivistische kantje van je opleiding.  Indien er al eens een kritiek  op bijvoorbeeld de handelsliberalisering in de lessen aan bod komt wordt deze standaard naar de prullenbak verwezen onder het mom niet empirisch onderbouwd. Studenten economie worden en masse opgeleid om mathematisch het meest efficiënte punt te kunnen bereken.

Een kritische of genuanceerde economische visie  wordt niet ontwikkeld aan de faculteiten economie. Het is een liberale fabriek waar jaarlijks duizenden mensen worden geschoold om de samenleving te komen vertellen wat al dan niet economisch efficiënt is. Ik geloof dat het dringend tijd is dat de linkse beweging om opnieuw actief deel te nemen aan het economische debat zodat begrippen als rechtvaardigheid en menselijkheid opnieuw in het economische canon binnensluipen.  Links moet opnieuw actief de fundamenten van deze “exacte” economische wetenschappen in vraag stellen en naar menselijkere alternatieven op zoek gaan.

[1]  D. BESANKO en R. BRAEUTIGAM, Microeconomics, international student version, USA, 2008, 16.

[2] H. ROSEN en T. GAYER, Public Finance, McGrawHill, USA, 2008, 331

[3] O. BLANCHARD, Macroeconomics, Pearson International Edition, USA, 2009, 160-189.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!