Drukke keuken
Ontwikkelingssamenwerking -

Drukke keuken

donderdag 27 januari 2011 16:37

Ontwikkelingssamenwerking is tegenwoordig mondiaal gezien een gigantisch kluwen van donoren, hulpstromen en ontvangende instanties. Vanuit Europa bv. heb je niet alleen hulp van staten (al dan niet verenigd in de EU of de OESO) aan ontwikkelingslanden, maar ook bijdragen aan internationale organisaties, fondsen en programma’s. Daarnaast doen ook ngo’s, de privésector en subnationale entiteiten als gemeenten, provincies en regio’s aan ontwikkelingssamenwerking. Die willen allemaal, vanuit hun eigen inzichten en belangen, hun ding doen daar ‘in het zuiden’. Het risico bestaat dan ook dat zij daar elkaar voor de voeten lopen, oftewel -om een niet geheel geslaagde metafoor te gebruiken- dat het te druk wordt in de keuken van de ontwikkelingssamenwerking.

Daarover ging gisterenavond in Antwerpen het programma met Evert Waeterloos (Steunpunt Buitenlands Beleid) en Koen Detavernier (11.11.11) in de reeks ‘4×4 ontwikkelingssamenwerking anders bekeken!’ Moderator Robrecht Renard vatte het probleem, gezien vanuit het oogpunt van de ontvangende landen, zo samen: je zal maar minister van volksgezondheid zijn en vanuit tientallen instanties geld en hulpstromen aangeboden krijgen, die je eigen nationale budget ver overstijgen, maar die allemaal verschillende oogmerken en doelen dienen of nastreven.

Dat heeft er toe geleid dat vanuit de EU op verschillende manieren geprobeerd wordt die wildgroei wat te kanaliseren, o.m. door te werken aan een arbeidsverdeling tussen lidstaten maar ook de rol van subnationale entiteiten hierin te verkennen. Uitgangspunt daarbij is complementariteit: elke donor focust op domeinen waarin hij de grootste toegevoegde waarde kan neerzetten, en waarmee hij andere donoren aanvult. Grootste toegevoegde waarde, of ‘comparatief voordeel’ kan gebaseerd zijn op lange aanwezigheid ter plekke, het vertrouwen dat leeft tussen de donor en het ontvangende land, technische expertise, hulpvolume, efficiënte werkwijze, gericht zijn op innovatie, …

Ook België schrijft zich in in dat EU-beleid, maar tegelijkertijd is door de aanhoudende staatshervormingen juist meer versnippering opgetreden. Sinds 1993, of in ieder geval sinds 2001, zijn de gewesten en gemeenschappen immers ook internationaal bevoegd voor de zaken waarvoor zij in België bevoegd zijn. En dus kunnen zij op bepaalde terreinen een eigen beleid van ontwikkelingssamenwerking voeren. ‘Vlaanderen’ maakt daar gebruik van en heeft ontwikkelingssamenwerkingsakkoorden met o.m. Zuid-Afrika , Mozambique en Malawi.

Evert Waeterloos is degene die de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking ten aanzien van deze landen wetenschappelijk ondersteunt. Hij pleit er dan ook voor dat ‘Vlaanderen’ zou onderzoeken wat het als ‘comparatief voordeel’ heeft te bieden, en op basis daarvan zich als actieve of juist terughoudende donor op te stellen in het kader van de EU-arbeidsverdeling. Maar wat zijn juist de comparatieve voordelen die ‘Vlaanderen’ heeft? Dat is niet helemaal duidelijk. Liggen die noodzakelijkerwijs op de domeinen waarover Vlaanderen buitenlandse bevoegdheid heeft? Is Vlaanderen echt een expert inzake voedselzekerheid, landbouw, tewerkstelling en kmo’s? Vlaanderen heeft momenteel vooral een comparatief voordeel in de drie landen op het vlak van haar ‘aanwezigheid’ in de ondersteuning van een aantal nationale en/of lokale initiatieven, en in tweede instantie op het vlak van kennisoverdracht ivm. gezondheidsexpertise, havenbeheer of onderwijs. En moet er dan ook niet eerder binnen België een arbeidsverdeling komen, om de taakverdeling tussen de lidstaten binnen de EU te vereenvoudigen?

Koen Detavernier van 11.11.11 daarentegen pleit er resoluut voor dat er geen afbreuk gedaan wordt aan de federale ontwikkelingssamenwerking. Hij is tegen het uit handen nemen van instrumenten van de nationale ontwikkelingssamenwerking en een intra-Belgische opdeling in exclusieve bevoegdheden. De bulk van middelen/bestedingen OS moet van de federale overheid (blijven) komen. Zo niet kan België zijn internationale rol als erkende VN lidstaat, met de daarbij horende rechten en plichten, niet langer spelen en is coherent beleid veel moeilijker. Wel is het volgens hem noodzakelijk dat er een gemeenschappelijke visie ontwikkeld wordt voor België in zijn geheel, met alle gefedereerde entiteiten, en dat er actief gezocht wordt naar de interne complementariteit en een goede coördinatie. Beide sprekers zien in de reanimatie van de Interministeriële Conferentie Buitenlands Beleid slechts een eerste maar noodzakelijke stap om tot een beter coördinatie tussen de Vlaamse en federale ontwikkelingssamenwerking te komen.
 

Tja, goede coördinatie? Is het niet wat ironisch om daar nu om te vragen?

4×4 Ontwikkelingssamenwerking anders bekeken! – Jan-Apr 2011

 Hugo Durieux

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!