Directe democratie: FAQ

Directe democratie: FAQ

vrijdag 12 oktober 2018 16:47

Als je met mensen praat over directe democratie komen er meteen een aantal intuïtieve kritische bedenkingen op. Intuïtie lijkt mij een belangrijke bron van kennis, maar het staat er natuurlijk niet mee gelijk. Intuïtie is een vertrekpunt waarop in een dialoog kan verder gebouwd worden. In een goede dialoog wordt er niet vanuit tegengestelde standpunten geprobeerd om de ander te overtuigen. Het punt is niet om gelijk te hebben of te krijgen. Een goede dialoog is samen een onderwerp onderzoeken, en verkennen. Alles moet daarbij op tafel kunnen komen. In zo’n dialoog komt het erop aan bedenkingen, kritieken en argumenten rationeel onder de loep te houden. Idealiter ga je daarbij ook actief op zoek naar alternatieve, dissonante stemmen. Zo bouw je samen een redenering op en kom je tot een gezamenlijk gedragen conclusie, al kan dat lang duren.

In het huidige politieke klimaat is het confrontatiemodel en de bijhorende debatcultuur vandaag dominant. Dat merk je ook wanneer je met mensen spreekt. Men kruipt direct achter een schild en zoekt alleen naar argumenten die het eigen standpunt versterken. Dat heet selectiebias. Ik droom van een geheel andere cultuur, een ander soort samenleving in feite. Dialoog betekent samen rond de tafel gaan zitten en is dus per definitie verbindend. Men spreekt in dat opzicht van de deliberatieve democratie.

Deliberatief betekent dat iedereen inspraak heeft bij het beleid en de besluitvormingen. De burger wordt oprecht betrokken en bevraagd. Dat heet inspraak. Een stap verder is participatie of co-creatie: de burger gaat ook effectief mee beslissen. Dat gaat dan niet langer om een bolletje inkleuren of een referendum voor of tegen iets, maar samen nadenken, zich informeren, luisteren en dan kiezen. Dit is volgens mij het antwoord op de problemen van onze geïndividualiseerde cultuur. In plaats van zich te isoleren en van de ander te onderscheiden, komt het individu (met zijn individuele karakter en achtergrond) samen met andere individuen om een groep te vormen.

Maar zo’n idee stuit dus op intuïtieve kritiek bij mensen. Daarom lijkt het me handig om, bij wijze van verkenning van dit idee, even een aantal bedenkingen op te lijsten.

 

”Er is al participatie.”

“Door te stemmen belonen of bestraffen we het beleid.”

Door om de vier of vijf jaar een bolletje in te kleuren kunnen we in theorie een huidige coalitie beoordelen op de beslissingen die ze hebben genomen, maar zo simpel is het niet. In feite weten we niet echt waarvoor we stemmen. Burgers hebben een aantal belangen en ze kiezen de partij (of de persoon) die die belangen het best lijkt te zullen behartigen. Als er al geen sprake is van kiezersbedrog, kunnen ze daarvoor afgaan op de partij- en verkiezingsprogramma’s. Zo’n programma is echter veel breder dan de belangen van één kiezer. Je stemt dus tegelijk voor een totaalprogramma, ook voor domeinen van de samenleving waar je eigenlijk geen belang of mening over hebt. Bovendien moeten partijen na een verkiezing coalitiegesprek voeren. Het is dan helemaal niet duidelijk welke punten voor hen prioritair zijn, waar ze water bij de wijn willen doen, of welke punten ze zelfs helemaal willen laten vallen. De personencultus die mede door de media wordt gevoed verergert dit nog. Een charismatisch persoon kan zo om niet-inhoudelijke redenen stemmen krijgen.

“Maar elke partij is tegenwoordig toch bezig met inspraak en participatie?”

In elk verkiezingsprogramma staat bijvoorbeeld wel het voornemen om meer inspraak te organiseren. Het woord ‘participatie’ wordt hier vaak misleidend gebruik. Met ‘inspraak’ bedoelt men vaak ook ‘informatie’. Dat is natuurlijk niet hetzelfde. Belangrijker: deze ideeën staan meestal helemaal achteraan in de programma’s of staan er slechts pro forma in. Men heeft het ergens opgevangen en steekt het er daarom maar mee in om stemmen te ronselen, maar welke garantie hebben we dat deze ideeën na de verkiezingen ook integraal worden waar gemaakt? ‘Inspraak’ betekent vaak oude wijn in nieuwe zakken. Zogenaamde window dressing.

We zien regelmatig dat partijen ondanks (goed of slecht georganiseerde) inspraak, toch tegen de wil van de burger ingaan. Bovendien kan niemand voorspellen wat er de komende vier à zes jaar zal gebeuren, op grote of kleine schaal. Zo kunnen partijen beslissingen nemen waarover met geen woord werd gerept voor de verkiezingen.

“Er is toch al inspraak? Mensen kunnen hun vertegenwoordigers aanspreken, er zijn wijkcomités, zelfs een burgerbegroting in Antwerpen Stad!”

Laat ons dit eens van dichterbij bekijken. Vertegenwoordigers bedienen meestal nog steeds hun eigen achterban. Het is vaak lang wachten op antwoorden om informatie, laat staan dat we als individu kunnen wegen op het beleid. Wijkcomités zijn vaak ook weinig meer dan een verlenging van de politiek. Zogenaamde ‘wijkantennes’ capteren slechts waarop ze afgesteld zijn. Dissonante stemmen worden echt nog te vaak genegeerd.

Een initiatief zoals de burgerbegroting is zeker een stap in de goede richting. Burgers komen samen om rechtstreeks, onder begeleiding van een gespreksleider, samen een deel van het budget over verschillende projecten te verdelen. Die projecten kunnen van burgers zelf of allerlei middenveldorganisaties komen. Dit lijkt me een model dat we moeten verbeteren en vergroten. Op dit moment worden er in Antwerpen zo’n 700 burgers bereikt (op 200.000 inwoners). De begeleiding van de projecten kan professioneler en de projecten zelf kunnen transparanter. (Vaak wordt er met de natte vinger een budget gevraagd en is de uitvoering nogal chaotisch.) Men begint stilletjesaan met een online aanvulling om zo meer mensen te bereiken, maar helaas ontbreekt daar de mogelijkheid tot dialoog. Kortom: een goed begin.

“Mensen kunnen niet in dialoog gaan met elkaar.”

“Mensen zijn te dom om over alles mee te kunnen beslissen.”

Een eerste korte bedenking hierbij: deze ‘domme’ mensen stemmen nu ook. Zij kiezen, zonder fatsoenlijk geïnformeerd te zijn, vaak intuïtief op een charismatisch persoon of op wat hun vrienden hen zeggen. Kijk naar de verkiezingsaffiches: onze democratische show is nu meer gebaseerd op een irrationele personencultus (bekende gezichten en namen) dan op inhoud en ideeën.

Laat ons er in ieder geval van uitgaan dat mensen dankzij technologie en onderwijs verstandiger zijn dan vroeger. Iedereen weet minstens wat zijn of haar concrete belangen zijn: de straat waar je woont, het huis dat je huurt of bezit, de regelgeving rond de job die je uitoefent, het verkeer, enz. Ook al heb je niet alle informatie om rationeel mee te kunnen beslissen, je weet wel wat voor jou van belang is. Vandaag de dag zegt de partij op basis van informatie die zij hebben geselecteerd of studies die zij hebben uitgevoerd, wat de burger moet denken. Denk terug aan die selectiebias.

Nochtans is er in de bevolking een enorme voorraad van kennis en ervaring gratis ter beschikking, die nu niet wordt gebruikt. Gekleurde studies mogen gerust op tafel worden gelegd, maar ze moeten door andere experten of burgers kunnen worden bekritiseerd in een open en transparante dialoog. Zo moet de burger volledig geïnformeerd worden.

Alles weten is dus niet belangrijk. Correcte (wetenschappelijke) feiten en de betrokkenheid en bereidheid om te luisteren zijn wel van belang. De rol van de media valt hier zeker niet te onderschatten.

Er bestaat zoiets als ‘Wijsheid van de Massa’. Als je een grote groep individuen een schatting laat maken, is het gemiddelde van die schattingen zeer accuraat. Natuurlijk gaat het dan om een vraag waarop een eenduidig antwoord bestaat. Dat is niet zo voor maatschappelijke vraagstukken en politieke problemen. Als je zonder informatie en begeleiding een massa tot een consensus laat komen is het gevaar op extremisme inderdaad groot. Onderzoek naar dit fenomeen toont tegelijk dat een collectieve beslissing kwalitatiever wordt naarmate er meer dissonante stemmen aanwezig zijn (stemmen die niet akkoord zijn). Het is dus van belang om een groep te hebben met een zo divers mogelijke achtergrond. Dan lijkt onze samenleving de ideale proefgroep. Een onderzoek uit 2004 zegt het zo: “[I]t’s better still to add individuals who aren’t simply independent thinkers but whose views are ‘negatively correlated’ – as different as possible – from the existing members. In other words, diversity trumps independence. If you want accuracy, then, add those who might disagree strongly with your group. What do you reckon of the chances that managers and politicians will select such contrarian candidates to join them?”

“De meeste mensen zijn niet in staat om een rationele dialoog te voeren.”

Mensen die dit zeggen hebben het nooit over zichzelf. Ik vraag me af wie ze dan concreet zouden willen uitsluiten van die dialoog. Dat komt eigenlijk neer op de vraag wie er volgens hen niet zou mogen mee stemmen. Senioren? Kinderen? Mentaal gehandicapten? Mensen zonder diploma? Anderstaligen? Zoals hierboven gezegd is het van groot belang om met een zo divers mogelijke groep aan tafel te zitten. Zwakkere mensen zullen vaak vragen stellen waar de hoger opgeleide niet aan denkt. “Wat een belachelijke vraag” denkt die dan. Nochtans geldt het cliché dat er geen domme vragen zijn. Stel jezelf eens de vraag: heb ik een antwoord? En belangrijker: kan ik antwoorden op zo’n manier dat de persoon mij begrijpt?

Door verschillende ervaringen, ben ik op dit moment echter geneigd om akkoord te gaan met deze stelling. De conflictcultuur zit momenteel in brede lagen in de bevolking ingebakken. Het ouderwetse politieke model en de politici die als voorbeeldfiguren dienen legitimeren dat ook. In een samenleving zoals Zwitserland is dat model echter al sinds de 19de eeuw anders. Daar is men blijkbaar wel in staat om directer en deliberatiever samen te werken. Men is er grondig in geoefend. Het ligt dus niet aan de mens, maar aan de cultuur. Een cultuur veranderen vraagt tijd en energie, maar is niet onmogelijk. In de middenveldorganisaties, die nu fel verzwakt zijn, was er een cultuur van dialoog waarbij men gezamenlijk een opinie tot stand bracht die vervolgens aan de politici werd doorgegeven. Ook in kleine burgerinitiatieven is men vandaag deze dialectische vaardigheden terug aan het opbouwen. Door op kleine schaal burgers, met bemiddeling, te laten samen zitten, kan men op relatief korte tijd een geheel andere cultuur tot stand brengen. Als we bij wijze van spreken eerst al eens met de bewoners van een straat proberen samen te zitten, vervolgens op wijkniveau inspraak organiseren en daarna op grotere en grotere schaal. Elke (r)evolutie begint klein …

“Ik wil niet verplicht worden om over alles te stemmen. Laat mij gerust.”

Op dit moment stemt u op een partij die over elk domein van de samenleving een standpunt en ideeën heeft. Zonder in gesprek te gaan, kiest u dus voor een totaalpakket van programmapunten over zowat alles. In een directe democratie hoeft niet iedereen voor alles gemobiliseerd te worden. Door een hechter sociaal weefsel en contact zal men wel automatische beter op de hoogte zijn. Zo kan een individu die niet voortdurend wil gaan stemmen, enkel opkomen voor de belangen die hij of zij zelf belangrijk vindt. Door gebruik te maken van het internet en andere technologie kunnen we ook veel tijd besparen. Het zal natuurlijk belangrijk zijn om dat doordacht te organiseren, maar daarvoor bestaan nu al veel goede voorbeelden. We moeten het warm water niet meer uitvinden.

Terzijde, er bestaat mijns inziens een gemakkelijke manier om mensen wel geëngageerder te maken: een universeel, onvoorwaardelijk basisinkomen. Als mensen niet meer wakker moeten liggen of ze kunnen overleven, zullen ze sneller gemotiveerd zijn om zich maatschappelijk (of op vele andere manieren) te engageren. Erst kommt das Fressen, und dann kommt die Moral.

“Dat idee van overleg en participatie is zo links als de pest.”

Linkse partijen die zwaaien met inspraak, blijken hun staart in te trekken wanneer die inspraak een resultaat oplevert die niet in hun kraam past (ik denk aan de Joe Englishstraat in Borgerhout). Als je aan een groen politicus vraagt wat ze zullen doen wanneer de bevolking na een participatietraject een voorkeur laat blijken voor meer auto’s en parkings, weten ze natuurlijk niet goed wat ze zullen doen. Met meer en goede informatie en volgehouden dialoog zullen de mensen het licht wel zien, is dan de redenering. Tegen dialoog en informatie kan niemand natuurlijk iets hebben, maar ergens moeten er keuzes worden gemaakt.

Rechtse partijen zijn van nature hiërarchischer en meer autoritair. Dat maakt het idee van participatie voor deze partijen niet erg aantrekkelijk en ook daar treffen we duidelijk window dressing aan. Slechts na lange, dure en energierovende procedureslagen, is men uiteindelijk bereid om toe te geven (iets meer voorbeelden hier, bv. de Zuiderdokken). Nochtans is het idee van participatie en directe democratie in essentie gebaseerd op gelijkheid én vrijheid van het individu. De burgerbegroting in Antwerpen Stad is niet voor niets door de liberalen doorgevoerd.

In vele bewegingen die voor meer inspraak en participatie ijveren, zitten mensen die een aantal ‘linkse’ ideeën hebben. Dat mag ook, zo lang men bereid is om op basis van feiten de dialoog aan te gaan en te luisteren. In burgeroverleg en wijkcomités zien we dat ook mensen met uitgesproken rechtse ideeën actief zijn (middenstand, automobilisten, enz…) dus zo eenzijdig is het heus niet. Inspraak en participatie zijn gebaseerd op de waarden van gelijkheid, solidariteit en vrijheid. (Klinkt bekend?) Mits een goed functionerende cultuur van dialoog en een geoefende bevolking, is het perfect mogelijk om zonder vechten samen tot een beslissing te komen.

Zoals u en iedereen ben ik begaan met de samenleving. Of u nu denkt dat het daar goed mee gaat of niet, of als u (zoals mij) niet goed weet of we nu blij mogen zijn of niet met ons landje: het kan beter. Laat ons daarom op zondag een duidelijk signaal geven…

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!