Foto Simon Denys-Ketels

De zabbaleen: de informele afvalverwerkers van Caïro

dinsdag 24 december 2013 02:49

Caïro, februari 2013. Het is relatief warm voor de tijd van het jaar. De zon schijnt stralend door het smogscherm dat permanent boven de metropool uithangt heen. Uit een taxi stappen twee jongemannen. Eén draagt een rugzak, de ander een fototoestel. De taxichauffeur wordt betaald en geeft de reizigers nog een waarschuwing mee. “Watch the camera. Not safe neighbourhood.” We knikken, maar hechten verder niet zoveel belang aan de goedbedoelde woorden van de man. We hebben andere verhalen gehoord over de bewoners van Manshiyat Naser. Toch moeten we even slikken wanneer we beseffen dat de verhalen alvast kloppen op één punt – dit is dus ‘garbage city’.

De taxi maakt onherroepelijk rechtsomkeer, en even staan we besluiteloos stil op het aarden kruispunt, vanwaar een wirwar van aarden straatjes vertrekt, die op het eerste zicht allemaal tenminste twee dingen met elkaar gemeen hebben: ze zijn omringt door hoge gebouwen, merkbaar in fases opgetrokken in rode bakstenen en betonnen pijlers, waarvan de wapening bovenaan uitsteekt, en liggen vol met grote witte zakken vol vuilnis, waarvan de geur alle straten doordringt. Wanneer de eerste verlammende indruk van schijnbare chaos wat is weggeëbd, besluiten we op goed geluk de breedste, licht naar boven hellende weg in te slaan. Er wordt niet veel gezegd, behalve als we moeten beslissen welke straat in te slaan – wat toch redelijk vaak is in dit organisch labyrint met zijn grillig kronkelende informele netwerk van achterafstraatjes. De camera hangt veeleer lijdzaam rond de nek van mijn reisgezel, behalve voor die enkele behoedzame kiekjes. We lijken beiden zo weinig mogelijk aandacht te willen trekken. Een onmogelijke opdracht. Langzaamaan verdwalen we, en we vangen een glimp op van het leven achter de rode bakstenen. We zien mannen zakken vuilnis een gebouw in dragen. Binnen staat een machine. Ik heb geen idee hoe ze werkt. Groepjes kinderen vragen verlegen maar nieuwsgierig onze naam, knikken ongeïnteresseerd bij het horen van de mijne, maar gaan uit hun dak wanneer ze Simons naam te weten komen. Het is blijkbaar een populaire naam hier. We zien afbeeldingen van Jezus en Maria in de werkplaatsen, muurschilderijen met dezelfde thema’s, en een soort ark met drie houten kruisbeelden op, die over de weg gespannen is. Een stel kinderen vraagt of we christelijk zijn. We knikken bevestigend onze geloofskwesties even weg, voor het gemak. De bewoners van Manshiyat Naser zijn overwegend Koptische Christenen. Ze worden de zabbaleen genoemd, wat letterlijk ‘afvalmensen’ betekent. Je kunt ze overal in Caïro aan het werk zien. In hun pick-up of met paard en kar halen ze het afval op dat gegroepeerd ligt langs de straten en nemen het mee naar hier, een buitenwijk aan de voet van de Mokattamberg. Hier verandert het vuilnis van de stad in het levensonderhoud van de zabbaleen.

Een man spreekt ons aan in het Engels. Hij vraagt hoe we heten, glimlacht bij het horen van de naam van Simon. Zijn naam is Magdy. Wanneer hij te weten komt dat we Belgen zijn, schakelt hij over op het Frans. Zijn Frans is beter, zegt hij. Of we de wijk wat willen zien? Hij kan ons ook de werkplaats van zijn familie tonen. Eerst moeten we met hem mee naar zijn huis. Hij komt net van zijn werk en wil zich nog vlug even douchen en andere kleren aandoen. We volgen hem door het spinnenweb van straatjes. Hij mankt. We vragen niet waarom. Hij begroet wat mensen onderweg terwijl hij ons een beetje uithoort. Wat doen we in België? Waarom zijn we hier? In Egypte? In Mokattam? Waar hebben we van de zabbaleen gehoord? Hij vertelt over zijn reizen naar Europa. Over zijn economische successen in het buitenland, en hoe hij is teruggekeerd om het familiebedrijf te steunen. Uiteindelijk komen we aan bij het appartementsblok van zijn familie. De zabbaleen wonen vaak samen met hun zonen in één gebouw. Wanneer een zoon trouwt kan hij dan een verdiep extra op het reeds voorhanden betonnen frame bouwen en daar met zijn gezin gaan wonen. Tot die tijd wonen ze met hun ongetrouwde zussen op de verdieping van hun ouders. Familie is erg belangrijk, zoals zo vaak in een informele sector. We wandelen de stoffige betonnen trappen op. Ik vraag Magdy of hij een eigen verdiep heeft gebouwd. Hij knikt van ja, toont trots zijn trouwring en zegt dat hij het goed heeft. Vele anderen in de wijk hebben het veel slechter. Op de vierde of vijfde verdieping veegt hij zijn schoenen af aan een welkomstmatje, trekt ze vervolgens uit, spoort ons aan om hetzelfde te doen en opent de deur.

Wanneer we de drempel overgaan, lijken we in een andere wereld terecht gekomen. Enkel een vage geur herinnert ons nog aan de straat. Het is er kraaknet. Onder onze voeten voelen we oosters tapijt. Het is rood en het lijkt nog maar net gestofzuigd. De muren hebben een al even kleurrijk motief. Op de houten eettafel staan plastieken bloemen. Het donkere hout van de kasten blinkt in de namiddagzon, die door de flinterdunne witte gordijnen schijnt. Wat verder in de L-vormige ruimte staan zware gele zetels, afgewerkt met gouden stiksels. Aan de muur hangen foto’s van Magdy en zijn vrouw, van zijn kinderen, en van religieuze figuren. Ik wijs naar een foto en vraag of dat de Koptische paus is. Magdy knikt. De oude paus. Hij is een jaar geleden gestorven. Op een andere foto staat Magdy met zijn vrouw. De achtergrond is bezaaid met gefotoshopte sterren en hun beeltenis is vaag en doorzichtig weerspiegeld in de linkerbovenhoek. Net zoals de rest van het interieur maakt de foto een kitscherige en eclectische indruk. Magdy vraagt of we de rest van zijn huis willen zien. Hij opent een deur en toont ons de ruime keuken. Daarna toont hij de slaapkamers. In één kamer is alles roze. Mijn dochter, zegt Magdy gespeeld verontschuldigend. Ze houdt erg van roze. Hij lacht. Terwijl we terug naar de woonkamer wandelen bemerkt hij nogmaals dat niet iedereen het zo goed heeft als hij. Hij is gezegend met een mooi huis en heeft niets tekort. Veel mensen in de wijk kunnen nauwelijks de eindjes aan elkaar knopen. Hij nodigt ons uit om te gaan zitten in de goudgele zetels terwijl hij zich doucht en omkleedt. Hij biedt ons elk een blikje cola aan en vermeldt nog vlug dat we na de rondleiding mogen geven wat we willen. Daarna laat hij ons achter tussen de glitter en de prullaria. Terwijl we bespreken hoeveel Egyptische pond we over hebben voor het gidswerk van onze gastheer, nemen we de kamer in ons op. De zetels kijken uit op een belachelijk grote tv, een hypermoderne flatscreen die aan de muur zit bevestigd. Ik merk dat Simon een foto wil trekken, maar daar uiteindelijk toch van afziet. Nog voor we het goed en wel beseffen is onze gids al klaar. Hij draagt nu een knalgeel trainingspak, dat bijna net zo hard contrasteert met zijn werkkledij, als dit opzichtige appartement met de straat. Voor we vertrekken wil Magdy ons nog vlug toevoegen op facebook, waar hij direct werk van maakt op de computer die in de living staat, alweer een snufje hoogstaande technologie dat pronkerig vloekt met zijn omgeving.

Terwijl we onze schoenen terug aantrekken dringt het belang van de kraaknette woning tot me door. De straat wordt vakkundig buiten gehouden en men creëert zo een stukje weg van de alledaagse chaos daarbuiten – een vrijplaats. Dat dit absoluut noodzakelijk is wordt bevestigd door het feit dat onze eerste bestemming gewoon op dezelfde verdieping ligt, aan de andere kant van de gang. Daar blijkt de broer van Magdy aan het werk. Het ligt er vol met witte zakken, die hij met een katrol naar beneden laat. We schudden zijn hand en Magdy legt uit dat voorgesorteerde zakken met plastieken flesjes hier toekomen, waarna de flesjes door een machine worden versnippert tot wat nog het beste lijkt op glasscherven. Tenslotte worden die opnieuw gebundeld, en verdwijnen ze via de katrol naar hun volgende bestemming. Vooraleer we de plastieken scherven achterna reizen – via de trap, niet via de katrol – brengt onze gids ons nog even naar de bovenste verdieping, het dak, waar we een fantastisch uitzicht hebben over de wijk. De straatjes, de generische bouwstijl, overal vuilnis. Boven de huizen steken grote groene torens uit. Het zijn duiventillen. Magdy fluit naar één ervan. Er verschijnt een figuur die begint te zwaaien in de lucht. Tientallen duiven stijgen op uit de toren en cirkelen daarna rond de figuur, die ze lijkt aan te sporen en te betoveren. Het schouwspel duurt enkele minuten, waarna de dieren samen met de man terug in de toren verdwijnen. Op de daken staat hier en daar een geit of een toom kippen etensresten te verorberen. Magdy vertelt over het gebruik van varkens in de afvalverwerking. Als niet-moslims mogen de zabbaleen deze beesten immers als enige in Caïro kweken. De varkens staan in voor het eerste deel van het sorteerproces. Alle organische afval wordt door de beesten opgevreten, waarna de recycleerbare materialen worden gesorteerd. Onder president Mubarak zijn alle varkens echter koelbloedig afgemaakt. Er heerste toen varkensgriep, en daar werd buitensporig op gereageerd. Egypte was het enige land ter wereld waarin de overheid overging op de massale slachting van varkens. De varkenshoeders werden een schadevergoeding betaald die slechts een tiende bedroeg van de marktprijs van een volwassen varken. Magdy vermoedt dat dit een reactie was op het groeiend protest van de zabbaleen tegen de contracten die de overheid had gesloten met buitenlandse afvalverwerkingsbedrijven. Hoe dan ook hebben zowel de slachting, als de contracten een serieuze impact gehad op het leven van de zabbaleen. Het zijn twee klappen waarvan de gemeenschap nog steeds niet volledig is hersteld.

Onze gids leidt ons langs de trappenhal terug naar beneden. Op het gelijkvloers zien we waar de zakken met de plastieken scherven naartoe worden gebracht. Twee kinderen, die Simon aanmanen om een foto van hen te trekken, zijn bezig de glasscherven in een grote groene machine te proppen. Het plastiek wordt erin gesmolten en komt er in de vorm van lange witte draden terug uit. Die draden worden afgekoeld en versneden tot kleine witte bolletjes. Hier eindigt het recyclageproces. De bolletjes worden per ton verkocht aan fabrikanten van plastieken eindproducten. Deze kleine plastieken bolletjes zijn de graankorrels van de familie van Magdy. Elke familie heeft hier zo zijn eigen specialiteit. Sommige halen het afval op in de stad, anderen houden varkens en sorteren, weer anderen zijn gespecialiseerd in het verwerken van plastieken flesjes, blikjes of karton. De zabbaleen zouden meer dan 80 procent van het afval recycleren; wat onvoorstelbaar veel is vergeleken met de 20 tot 25 procent die de meeste Westerse afvalverwerkingsbedrijven maar halen.

Even later lopen we keuvelend langs de straten. De gezichten schijnen ons vriendelijker toe – uitnodigender. We voelen ons al een stuk minder als indringers. We zijn te gast bij Magdy, en die lijkt gekend in de straatjes van Manshiyat Naser. Twee jongemannen die zakken van een pick-up aan het laden zijn sporen Simon aan een foto te nemen van hen. Als mensen Magdy begroeten, knikken ze nu ook naar ons. Een enkeling geeft ons een hand, en heet ons in gebroken Engels welkom in de wijk. Het begint me voor het eerst te dagen hoe goed deze mensen aan elkaar hangen. We lopen richting de steile rotswand die van overal in de buurt zichtbaar boven de huizen uit torent. Daar liggen de kerken die de zabbaleen zelf uit de rots hebben gekapt. Eigenlijk waren we in eerste instantie niet echt geïnteresseerd geweest in de kerken, maar Magdy’s enthousiasme had ons overhaalt. De kerken schijnen erg belangrijk voor hem, en bij uitbreiding voor alle zabbaleen.

Wanneer we een asfaltweg opdraaien zien we de ijzeren toegangshekken tot het klooster van Sint-Simon. Geen wonder dat de naam Simon hier zo populair is. Magdy begroet de bewaker, die languit op een plastieken stoel zit te genieten van de avondzon. Onderweg naar de eerste kerk vertelt onze gids het verhaal van Sint-Simon. In de 10e eeuw van Christus had de toenmalige kalief van de Fatimiden een religieuze discussie met de Koptische paus Abraham en de Jood Yaqub ibn Killis. Yaqub zou Abraham gewezen hebben op een passage uit de Bijbel, waarin gesuggereerd wordt dat, als iemands geloof nog maar zo groot zou zijn als een mosterdzaadje, hij bergen zou kunnen verzetten. Als Abrahams geloof het juiste zou zijn, dan moest hij dit mirakel ten uitvoering brengen, besloot de kalief. Zo niet, zouden hij en alle andere Kopten worden gedood. Abraham vroeg drie dagen respijt en sloot zichzelf en een groep monniken op in een kerk om te vasten. Op de laatste dag verscheen Maria aan hem en noopte hem om Simon op te zoeken, de man die zijn eigen rechteroog had verwijderd, omwille van een andere Bijbelpassage. Simon gaf Abraham instructies om het mirakel uit te voeren en liet de kalief en zijn mannen verzamelen aan de voet van de Mokattamberg. De berg werd opgehoffen, wat Mokattam zijn huidige platte uitzicht bezorgde, en achteraf was Sint-Simon spoorloos verdwenen, wat het mirakel compleet maakte. We merken dat Magdy het verhaal heel serieus neemt. Hij neemt het woord mirakel erg veel in de mond, en niet alleen als het gaat om het verre verleden. Ook de bouw van de kerken zelf, die is aangevangen in 1976 nadat een brand de wijk had verwoest, is doorspekt van wonderen. We beginnen te begrijpen wat er zo miraculeus is aan het klooster wanneer we bij de eerste kerk aankomen. Onder de berg is een gigantische aula gehouwen waar zo’n 20.000 mensen kunnen plaatsnemen. We zijn allebei enorm onder de indruk van de omvang van de kerk, maar Simon vloekt godslasterend. De batterij van zijn camera is plat. Beginnersfout. Magdy verstaat het gelukkig niet. Hij vertelt onverstoord verder: In de rots boven het altaar zullen we een beeldhouwwerk van Maria zien. Geen enkele beeldhouwer heeft dit gemaakt. Na de laatste dynamiet-ontploffing was het spontaan verschenen. Eenmaal alle trappen afgedaald zien we inderdaad de beeltenis van Maria, in een stijl die verdacht veel lijkt op de andere beelden. Niettemin zijn we onder de indruk. Na wat rondgestaar vertrekken we naar de tweede kerk. Deze is kleiner, maar is volledig overdekt. Simon vervloekt de batterij van zijn camera een tweede keer. Magdy wijst er nogmaals op dat de bouw van de eerste kerk pas in 1976 in begonnen. Ze hebben dit alles gebouwd in een mum van tijd, vaak tegen de wil van de Egyptische autoriteiten in. Alleen dat al is volgens hem een wonder. De laatste kerk heet “de grot”. Het is dan ook eerder een heiligdom dan een kerk. Onze schoenen moeten af. Magdy toont tekenen van brand op de rots en wijst daarna naar een schilderij van Jezus. Het glas dat het schilderij moet beschermen is gebarsten. De kerk is ooit volledig uitgebrand. Enkel het schilderij overleefde, volledig ongehavend. Het lijkt me nogal sterk, maar ik kijk niet meer op van de vele mirakels en legendes die Magdy ons vertelt.

Terwijl we naar de uitgang kuieren zie ik een kraampje waar je tatoeages met een christelijk thema kan laten zetten. Ik vraag aan Magdy of hij één heeft. Hij toont me het kruis op de binnenkant van zijn pols. In een sneltempo loodst hij ons daarna voor de laatste keer door de straatjes van vuilnis. Onderweg overhandigen we hem het afgesproken bedrag voor zijn gidswerk. Hij propt het zonder naar te kijken in zijn zakken. Er wordt verder niet veel gezegd. Ook nadat Magdy voor ons een taxi heeft geregeld en ons heeft uitgezwaaid blijft het nog lang stil. Ik denk dat het tot ons allebei doordringt dat de zabbaleen een enorm sterke sociale cohesie bezitten, die voornamelijk voortkomt uit hun geloof. De enclave met als heilig centrum het klooster, het levend houden van een lange geschiedenis, de vele uiterlijke tekenen van geloofsbelijdenis, het actief creëren van nieuwe legendes, … Het zijn allemaal middelen in de harde overlevingsstrijd van een minderheidsgroep die voortdurend heeft te kampen met stigmatisering en intolerantie.

tekst: Arne Carpentier

foto’s: Simon Denys-Ketels

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!