De vier vragen van Kant: 3+1 Wat is de mens? [Pinksterboodschap 2019]

vrijdag 7 juni 2019 16:20

Voor een spreekbeurt, in een reeks onder de diepzinnige maar toch ook enigszins dubbelzinnige titel ‘zin op zondag’, moest ik spreken over ‘mijn denken en inspiratiebronnen’ aan de hand van de vier vragen van Kant, te weten wat kan ik kennen, wat moet ik doen, wat mag ik hopen, wat is de mens. Hier nu eindelijk mijn antwoord op de vierde vraag, Pinksteren leek me een geschikt moment …

 (Opgedragen aan 600 dames in Aalst, die mijn antwoorden op de vier vragen veel te lang en moeilijk vonden)

De vraag naar de aard van de mens, is oeroud, onuitputtelijk en urgent tegelijk. Maar eerst een correctie. De vierde vraag is niet wie is de mens (zoals de mensen die mij uitnodigden naar de Krook het formuleerden), maar wat is de mens. Ik heb het gecheckt. In het Deutsch. Was ist der Mensch? Dat is niet onbelangrijk. Bijvoorbeeld: wie ben ik? Euh, niet simpel. Wat ben ik? Doodsimpel. Een sprekend zoogdier. Voel je het verschil? Dus vanaf nu, beste ‘zin op zondag’, wat is de mens, niet wie is de mens. Heeft ook geen zin. Wie is die mens – wel. Of wie ben ik? Beter niet doen, maar het is grammaticaal een juiste vraag. Maar met wie is de mens? is er iets niet in de haak: je veronderstelt de subjectiviteit, die je nog moet bewijzen. Het is een soort van petitio principii, een cirkelredenering, die de subjectiviteit van de mens al vooronderstelt die nog moet worden gedefinieerd, zoals je een punt niet kunt omschrijven door zijn puntigheid al te veronderstellen. Wat vraagt naar wat is het. De ‘watheid’, de definitie. Volgens Aristoteles doet de filosofie niets anders dan vragen naar die watheid, wat is het: De tragedie, wat is dat? De polis, wat is dat? Geluk, wat is dat? …  we weten het niet zo goed zegt Aristoteles en we denken het toch allemaal te weten.

Nog wat puntjes op de i. die vier vragen van Kant zijn er dus (zoals ik al zei aan het begin van deze reeks) eigenlijk drie plus een, want de vier scholastieke velden van de filosofie zijn er maar drie: het ware, het goede en het schone. De drie vragen van Kant komen aan bod in zijn drie kritieken en in zijn Schriften zur Anthropologie heeft hij een begin gemaakt van een antwoord op de allesomvattende vraag: wat is de mens.

De discussie over de vraag naar de mens is ook een discussie over mensbeelden, en dus ook een politieke strijd: het mensbeeld van het neoliberalisme, als individualistisch, concurrerende egoïst die rationeel altijd voor zijn eigenbelang kiest,  tegenover een mensbeeld dat het sociale, de empathie, het gemeenschappelijke centraal stelt: zonder gemeenschap en wederzijdsheid is de mens niets (hij zou niet eens kunnen lopen of spreken). De vraag naar de mens is dus niet alleen oeroud, onuitputtelijk en urgent, maar ook nog eens fundamenteel politiek. Dus, ik kan hier alleen maar snel in vele richtingen wijzen.

Nu, wie goed heeft opgelet zal gemerkt hebben dat in mijn voorbemerkingen de vraag al beantwoord voor we zijn begonnen: wat is de mens? Een sprekend zoogdier. Dat is volgens mij het beste antwoord tot nog toe, maar er zijn zovele antwoorden en ze zijn stuk voor stuk een commentaar waard. Dus.. wat is de mens?  

Zoon politikon! Nog altijd een formidabele definitie van de mens (ook alweer van Aristoteles [in de Politica] – filosofie, zou je met een knipoog naar wat gezegd wordt over de Duitsers, is een voetbalspel met woorden waarbij aan het eind van het tornooi Aristo uiteindelijk altijd wint), ook al omdat ze onvertaalbaar is, en dus altijd moet geïnterpreteerd worden: sociaal dier, politiek dier, stadsdier, het zijn allemaal goede vertalingen. En daarenboven, wijst Aristoteles al in de richting van het sprekend zoogdier (als beste definitie). Hij zegt dat we ethico-politieke dieren zijn omdat we spreken. Dieren kunnen slechts aangenaam of onaangenaam communiceren met hun kreten, wij kunnen zeggen wat goed is en wat slecht. Prachtig toch. Een soort genesis in een (1, ja één mag niet meer van de correctoren, knap vervelend) zin. De mens, zou men kunnen zeggen, moet de vraag naar wat de mens is altijd weer beantwoorden en erover redetwisten, juist omdat hij een politiek dier is.

Een zo mogelijk nog mooiere omschrijving, helaas ook van Aristoteles (in de Poetica), maar op een meer antropologische manier opgenomen door de Duits-joodse filosoof Walter Benjamin: de mens is een mimetische diersoort. Wij zijn wat we zijn, door nabootsingen, uitbeeldingen, representaties, presentaties, weergaven, etc (zie daarover ‘Een mimetische diersoort’ in De Oorsprongen, deel 1 van Het boek der verbazing)

Maar er zijn er nog hele mooie. Marx: de mens is een arbeidend wezen, zichzelf producerend wezen. Gehlen: de mens is niet vastgelegd dier, Nietzsche: de mens is een ziek dier, Mcluhan: de mens is een mediaal dier. Donna Haraway: de mens is altijd al een cyborg.

Die vraag naar wat de mens is, is oeroud, onuitputtelijk en urgent tegelijk, zei ik. Oeroud: nog ouder dan Aristoteles. Het raadsel van de sfinx. Je weet wel: ’s morgens loopt het op vier benen, ’s middags op twee, en ’s avonds op drie. Wat is het? De mens. Flauw misschien maar niet zo onnozel als je het goed interpreteert: de mens is in aanvang een zoogdier, en dus een viervoeter, hij ontwikkelt zich tot verticaliteit, die de horizon opent, de mens is een openheid, een niet vastgelegd dier dat zich door cultuur, door taal losmaakt van de natuur, van dat zoogdier zijn. En tenslotte, de mens heeft altijd extensies, de mens is een technologisch dier, van de knuppel tot het ruimtetuig, van de silex tot de artificiële intelligentie (zie daarover ‘het raadsel van de sfinx’ ook in De oorsprongen).

Maar die vraag naar het wezen van de mens is naast oeroud ook hyperactueel. We leven in het Antropoceen. Geologen vonden het nodig om een nieuwe naam te geven aan ons tijdperk: het Antropoceen, dat is het tijdperk waarin de menselijke soort invloed heeft op alles, niet alleen op het massaal uitsterven van dieren en klimaatwijziging maar tot in de geologische lagen van de aarde. Dus nadenken over de mens is urgent.

De mens is een technologisch wezen, een cyborg vanaf het begin. De technologische vector, de pijl die zich onherroepelijk doorzet. Het machinistisch filium, noemde Deleuze dat, en Lyotard sprak over een zwarte hypothese: de technologie is erop uit om de dood van de zon en als het moet ook de dood van de mens te overleven. Nu, die hypothese is en blijft spannend, ook en vooral omdat het zo dystopisch wordt. De mens is de bij voor de bloemen van de technologie. Als de bijen vergaan moet de technologie zich staande zien te houden. De technowetenschap als de wording van een soort machinale God, de Artificiële Intelligentie, maar dan als een soort van netwerkgod. In Amerika is er een hele beweging rond ontstaan: het transhumanisme. Helaas zal deze technologische wereld niet zozeer een paradijs zijn, maar een hel zoals in de dystopien van de cyberpunk. Blade Runner. The Matrix.

Spleen van het antropoceen. De diepe melancholie van ons tijdperk: de zekerheid van klimaatcatastrofes en de mogelijkheid van ineenstorting. Wellicht beleven we het einde van het Antropoceen al voor de geologen hebben beslist wanneer het nu juist begonnen is.

Maar, er is ook goed nieuws, Aristoteles definieerde de mens ook als een lachend wezen, hij beweerde dat de mens de enige diersoort is die lacht. Dat is een interessante definitie. Of althans een interessante differentia specifica, een soortmakend verschil. En dus een soort van definitie. Als we even aannemen dat het waar is, en Aristoteles heeft nooit helemaal ongelijk (behalve als het over slaven ging, en dan nog, hij beschreef gewoon de bestaande maatschappij, maar dat potje laten we gedekt) – als we even aannemen dat het waar is, dan zit daar toch iets ongelofelijk moois in: de mens kan afstand nemen, kan relativeren, onderuit halen, de humor zien van alles. Narcistische triomf volgens Freud. Zeker ook waar. Wie kan lachen met de wereld, heeft een soort van superioriteit over die wereld. Maar pas wie kan lachen om zichzelf, heeft de vrijheid bereikt, of althans een narcistische salto mortale gemaakt. Dat zou wel eens het geheim kunnen zijn van de joodse humor, de zelfspot als ultieme triomf over de wereld door de afstandname van zichzelf.

De mens is een frivole aap – dat  was mijn bescheiden postmoderne bijdrage aan die vele definities van de mens (in ‘Over frivoliteit’ in Archeologie van de kick): de mens doet van alles alleen uit frivolitieit, om te voelen hoe het voelt om het te doen, en dat heeft ook iets fataals: wat kan gemaakt worden, zal gemaakt worden, de wet die Gunther Anders formuleerde in zijn momunentale boek Die Antiquiertheit des Menschen. Men zou die titel kunnen vertalen als: ‘het voorbijgestreefd zijn van de mens …’ en die frivole aap blijft maar apenstreken uithalen, zoals superman Elon musk die een raket de ruimte instuurt om zijn auto te promoten, de grootste ejaculatie uit de geschiedenis.

We zullen veel humor nodig hebben om het Antropoceen, het geologisch tijdperk van de mens,  die vermaledijde invasieve techno-exoot, door te komen. De homo sapiens is de meest onwijze soort sinds het ontstaan van de aarde wellicht.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!