De valkuilen van de vermaatschappelijking van de zorg

De valkuilen van de vermaatschappelijking van de zorg

dinsdag 8 april 2014 20:22

Op de website van de Vlaams Overheid vinden we volgende definitie van vermaatschappelijking van de zorg:

Vemaatschappelijking (sic) van de zorg verwijst naar het streven om mensen met beperkingen, chronisch zieken, kwetsbare ouderen, jongeren met gedrags- en emotionele problemen, mensen die in armoede leven, …., een eigen zinvolle plek in de samenleving te laten innemen, hen daarbij waar nodig te ondersteunen en de zorg zoveel mogelijk geïntegreerd in de samenleving te laten verlopen.

Dit is uiteraard een heel mooi principe, waarbij vertrokken wordt vanuit de sterkte van de persoon, aangevuld door diens thuisomgeving en netwerk, en waar de overheid waar nodig bijspringt. Dit heeft inhoudelijk alles qua actueel modieuze principes uit de sociale en welzijnssector. De persoon die zorg nodig heeft, laat zich niet zomaar gaan, maar toont zelfredzaamheid, door voort te bouwen op eigen sterktes. Familieleden, buren, vrienden en kennissen gaan een maatschappelijk engagement gaan om de persoon in kwestie te begeleiden, op te vangen en te verzorgen. In laatste instantie, als het echt moet, komt er ook nog een overheid aan te passen, steeds volgens de regels van de billijkheid. Wie kan hier iets tegen hebben?

Vermaatschappelijking van de zorg is niet toevallig gelanceerd onder Jo Vandeurzen, minister van Welzijn, die ondanks hard werk en enkele goede initiatieven toch steeds botste op de limieten van de begrijpbaarheid van de Vlaamse administratie enerzijds, en de eindigheid van de Vlaamse schatkist anderzijds. Zo kwam de maximumfactuur en de nieuwe gebruikersbijdrage in de gezinszorg er uiteindelijk niet wegens gebrek aan middelen, nadat het gedurende drie jaar aangekondigd en steeds verschoven was, wat uiteraard niet de fout van Vandeurzen was.

Maar goed, niet toevallig Vandeurzen dus, want het is zijn CD&V die de vermaatschappelijking van de zorg, die nu al door de meeste partijen met het oog op de verkiezingen wordt gepropageerd, in Vlaanderen introduceerde. In Nederland heeft men de zorgsamenleving al omgetoverd tot een participatiesamenleving, waarbij iedereen geacht wordt eerst het eigen menselijk vermogen aan te spreken alvorens beroep te doen op deze van de overheid, in Vlaanderen kiest men voor een iets zachtere term. Naar analogie met het Nederlandse voorbeeld zou maatschappelijke zorgsamenleving de lading dekken, en opnieuw, dat klinkt bijzonder goed.

Maar we zouden onszelf verloochenen, moesten we hier niet onze voorzichtige twijfels hebben. Want in de praktijk zien we dat deze vermaatschappelijking van de zorg gepaard gaat met een ander fenomeen, dat van de privatisering. Terwijl de zelfredzaamheid van de zorgbehoevenden wordt aangesproken, moeten overheden, door besparingen, massaal hun zorginstellingen en thuiszorgdiensten afstoten. Wanneer lokale sociale dienstverlening in het gedrang komt, is het logisch dat de marktgerichte diensten worden afgebouwd. Maar vreemd genoeg, hoewel dit nog niet kan gestaafd worden met cijfers, wordt hier, zeker in de sectoren gezinszorg en poetsdienst een partij beter van: de verzuilde vzw.

Het ideaalbeeld dient dus als volgt te worden gecorrigeerd: De zorgbehoevende heeft al minder keuze qua aanbod, want er is een speler met lokale binding verdwenen, iets wat, zeker bij senioren een rol van betekenis speelt bij de keuze van de dienstverlener. Er ligt weliswaar een markt open voor de verzuilde vzw’s, maar deze kunnen niet alle cliënten op een evenwaardige manier helpen, al was het maar omdat ook hier de middelen en het personeel beperkt is. Van dat oogpunt is het interessant om zelfredzaamheid als maatschappelijke deugd te propageren. Alleen is dit nefast, zoals alle onverwijlde decentralisaties richting burger zelf, voor de meest kwetsbaren.

Want wie minder kan rekenen op geïnstitutionaliseerde of private dienstverlening, moet dus langer beroep doen op de eigen kracht en het eigen netwerk. Dit gaat voorbij aan het gegeven dat senioren en zorgbehoevenden meer en meer geïsoleerd staan, zelfs al hebben ze een hele resem bloedverwanten om in theorie op terug te vallen. Het grote probleem hiermee is dat ook zij een eigen leven opbouwen, en er ook van hen meer en meer wordt verwacht om sneller, beter, langer en intensiever te presteren. Zelfredzaamheid en kwetsbaarheid fungeren nu eenmaal vaak als communicerende vaten.

Vermaatschappelijking van de zorg en privatisering worden ook vaak als voorbeelden van efficiëntie en verantwoord beheer van publieke middelen gezien. Toch zien we dat een decentralisatie van de zorg, en het uit handen geven aan vzw’s en echt private dienstverleners net niet zorgt voor een efficiëntere overheid. Ten eerste gaan overheden nog steeds vanuit een zeker wantrouwen over de schouder meekijken. Hierdoor gaan ze complexe wetten en regels schrijven, vooral gericht op erkenningseisen en kwaliteit. Ten tweede gaan ze zelf nog een regierol opeisen, om door middel van inspectie, overleg en bemiddeling deze kwaliteit te garanderen. Hierdoor ontstaan nieuwe controleorganen, zowel centraal als lokaal. Omdat ze de expertise echter zelf kwijt zijn, moeten ze te raden gaan bij externe experten. We zien dus administratieve verzwaring en veel input van tijd en middelen voor een minimum aan output. Uit een onderzoek van de universiteit Utrecht bleek dat de regeldruk na de privatisering van de zorginstellingen met maar liefst 230 procent was toegenomen. Men kan zich afvragen of het logisch is dat men privatiseert, als er toch een grote dosis wantrouwen heerst.

Het staat ook haaks op een andere dominante visie, deze van arbeid als statussymbool en als morele plicht. Om onze welvaart te redden moeten we allemaal harder werken, langer werken en steeds meer tandjes bijzetten om bij te dragen aan de samenleving. Tegelijkertijd komen bepaalde hulpmiddelen, zoals bijvoorbeeld tijdskrediet of ouderschapsverlof, in het vizier, omdat deze de competitiviteit van onze economie zouden aantasten, en er te veel gebruik van wordt gemaakt, wat negatief is voor zowel werkgever als overheid. Vermaatschappelijking van de zorg vraagt echter net een groot engagement van de burger. Tijd maken voor zieke en zorgbehoevende ouders, familieleden of vrienden is sowieso al zwaar. Het aantal psychische klachten bij mantelzorgers is reeds in stijgende lijn, omdat er veel van hen wordt verwacht, zonder dat ze hiervoor financiële erkenning krijgen, en de ondersteuning die vaak wordt beloofd, blijkt ook vaak onvoldoende om de draagkracht van de mantelzorger te vergroten. Als naast dit emotioneel zwaar begeleidingsproces ook nog eens het verwachtingsspook van de arbeid opduikt, dan moet men al haast een keuze maken tussen bijdragen door middel van arbeid of door middel van vermaatschappelijkte zorg. Een combinatie van een doorgedreven vermaatschappelijking van de zorg en werk vereist een andere organisatie van ons arbeidsmodel, met kortere werkweken en een gegarandeerd inkomen voor de mantelzorger.

En, zoals reeds gezegd, is er nog een derde bedenking. De zuilen winnen hierdoor terug aan belang. Misschien moet het wel gezegd worden dat deze vzw’s, zoals Landelijke thuiszorg, Familiehulp of Solidariteit voor het gezin, vaak een dienstverlening aanbieden die aanleunt bij deze van de overheid, en dat het in deze geenszins gaat over het feit dat zuilorganisaties geen goede zorg zouden aanbieden. Vaak zijn ze vanwege hun schaalgrootte net efficiënter georganiseerd. Alleen kan dit in het slechtste geval opnieuw leiden tot meer zelfbediening. We zagen reeds bij de erkenning van de instellingen voor collectieve autonome dagopvang dat 84% van de erkenning ging naar ‘katholieke’ organisaties (42 op 50), terwijl 100 % van de ‘socialistische’ werden geweigerd. Het zal hier naar alle waarschijnlijkheid om een toevallige samenloop van omstandigheden gaan, maar het roept toch wel een aantal vragen op.

Dit is geen pleidooi om vermaatschappelijking van de zorg af te schieten, noch om te zeggen dat private organisaties niet dezelfde kwaliteit kunnen bieden als publieke instellingen. Alleen ligt het gevaar in een doorgedreven invoering, waardoor de deïnstitutionalisering van de zorg leidt tot een verhoging van de kwetsbaarheid, een vermindering van de kwaliteit en vanuit een besparingslogica. Zoals zo vaak ligt de oplossing in het midden, waarbij publieke en private initiatieven elkaar aanvullen, en waarbij mensen (en hun directe omgeving) die het eigenlijk niet zelven kunnen redden, toch niet aan hun lot worden overgelaten. Besparingen leiden inderdaad vaak tot discussies over de kerntaken. Laat het garanderen van een kwaliteitsvolle zorg nu ontegensprekelijk een van deze taken zijn. Daarom is het broodnodig om dit mooie model steeds met de nodige voorzichtige twijfels te benaderen, want goede zorg zou de zorg van elke politicus moeten zijn.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!