Bron: Flickr
Opinie - Alain Laigneaux

De ontwikkelingssamenwerking doorgelicht

woensdag 5 juni 2019 03:42

De verkiezingen en de regeringswissel zijn een geschikt moment om de verschillende domeinen van het openbare leven te analyseren en te evalueren. Nochtans is tijdens de verkiezingscampagne van mei 2019 de problematiek van de ontwikkelingssamenwerking bijna volledig onbesproken gebleven, zowel in het politieke debat als in de meeste verkiezingsprogramma’s. Dit verzuim is des te ergerlijker daar de sector grondig hervormd werd in de loop van de legislatuur 2014-2019, onder toezicht van Alexander De Croo, minister van Ontwikkelingssamenwerking in de zgn. “Zweedse” coalitie. Een uiteenlopende groep mensen uit de sector heeft heel recent in La Revue Nouvelle[1] een belangrijk dossier gepubliceerd dat de belangrijkste krachtlijnen van de gerealiseerde hervormingen tegen het licht houdt.

Internationale context

De context van de hervorming kan niet los worden gezien van de evoluerende paradigma’s van de ontwikkelingssamenwerking zoals die door de OESO, de Wereldbank en o.m. ook de Europese Unie werden vooropgesteld. Deze instellingen, en dan voornamelijk de Commissie voor Ontwikkelingssamenwerking (DAC/CAD) van de OESO, hebben duidelijker het accent gelegd op efficiëntie en op de specifiek economische en procedurele dimensies van de ontwikkelingssamenwerking, door deze sector steeds meer aan de regels en de normen van het privé management te onderwerpen.

In België zorgde de ‘Hervorming Moreels’ in 1995 voor een eerste impuls in de zoektocht naar grotere efficiëntie in de sector van de ontwikkelingshulp. Maar door de volgende regeringen werd die hervorming diepgaand omgebogen, vooral sinds de machtsovername door de Zweedse coalitie.

Ontwikkelingshulp teruggeschroefd en geheroriënteerd

Door de officiële ontwikkelingshulp (ODA) als quasi ‘sullig en waardeloos’ af te doen en allerlei hervormingen in een nieuwe richting te sturen kiest de minister van Ontwikkelingssamenwerking duidelijk kamp: dat van de privésector, waarvoor hij grote verwachtingen koestert, vooral wanneer hij hoopt nieuwe financiële middelen aan te trekken in het kader van de gemengde financiering openbaar-privé (blending). Deze keuze bevestigt een tendens die al in 2010 werd ingezet: de onafgebroken daling van de financiële middelen voor ontwikkelingshulp vanwege de overheid en de aanwending ervan ten voordele van Belgische politieke, economische of geostrategische belangen (met name de preventie van migratiestromen).

Zo is sinds 2010 het bedrag van de Belgische ontwikkelingshulp duidelijk teruggelopen, met 23% in absolute cijfers, en relatief gezien met 30%. En daar komt nog bij dat in dit verminderde bedrag ook het deel van de zgn. ‘spookhulp’ begrepen is, hulp dus die niet rechtstreeks bijdraagt tot de ontwikkeling van de zuidelijke landen, maar uiteindelijk in België besteed wordt (zoals bijvoorbeeld bij het onthaal van asielzoekers). Het benadrukken van die keuze tijdens de jongste legislatuur is des te paradoxaler daar de minister tegelijk besliste de inspanningen van België te concentreren op de “kwetsbare staten” uit Afrika, staten dus die duidelijk de minste buitenlandse privé-investeringen aantrekken.

Uit het onderzoek van de becijferde gegevens blijkt dus dat de Belgische ontwikkelingshulp verzwakt is, zowel kwantitatief als kwalitatief, door de hervormingen van deze regering in het kader van de bezuinigingspolitiek.

Twee sectoren van cruciaal belang voor de eigenlijke inzet van ontwikkelingssamenwerking zijn bijzonder door de hervormingen getroffen.

Hervorming van de gouvernementele samenwerking

In 2018 nam Enabel, het Belgische ontwikkelingsagentschap, de plaats in van de Belgische Technische Coöperatie. Deze naamsverandering was het sluitstuk van een hervorming van de gouvernementele ontwikkelingssamenwerking die totaal geen remedie had aangereikt voor de kwalen die 20 jaar stormachtig samenwonen van administratie en agentschap hadden opgesierd. Normaal had uit deze verandering een grotere autonomie van het agentschap moeten voortkomen. Maar tot op heden is dat bedrieglijke schijn gebleken.

De bemoeienissen van de politiek en de administratie met de werking van het agentschap waren talrijk, zowel in de beleidsorganen als, nog directer, bij de uitwerking van de programma’s. Het naleven van een evenwichtig partnerschap tussen België en de landen waaraan het hulp verleent is afgenomen. Deze afwijking is tot stand gekomen ten bate van een bijna-markt van de ontwikkelingssamenwerking, sterk gepolariseerd door de perspectieven van Belgische of buitenlandse privé-investeerders, en ook als min of meer ongewild gevolg van de prioriteiten van de Belgische buitenlandpolitiek (met name de korte- termijn-doelstellingen inzake migratie).

De plaats van de ontwikkelingssamenwerking specifiek aan regeringszijde – bilateraal rechtstreeks – in het geheel van de ODA is gemarginaliseerd (ze stelt slechts 10% voor). Bovendien maken de tegenwerkingen de zending van het agentschap als openbare dienst iedere dag een beetje kwetsbaarder. In dit intern Belgische spelletje op het niveau van de instellingen – aanpassing van de begroting en uitbalancering van de belangen – zijn de partners uit het Zuiden de grote verliezers. De omstreden opschorting, in 2015, van het Belgisch Fonds voor Voedselzekerheid (BFVZ), dat kwetsbare bevolkingsgroepen ondersteunde, is een voorbeeld daarvan. Natuurlijk is de Verklaring van Parijs, die in 2005 het partnerschap centraal plaatste in een visie op de toekomst, een theoretische referentie gebleven. Maar je moet noodgedwongen de incoherentie vaststellen tussen de principes die men hoog in het vaandel voert en een praktijk die er zich steeds verder van verwijdert.

Hervorming van de niet-gouvernementele ontwikkelingshulp

Naast de afname en onvoorspelbaarheid van subsidies heeft niet-gouvernementele (indirecte) samenwerking ook een golf van gedwongen veranderingen ondergaan. Herziening van ngo-goedkeuringen op basis van beperkte managementcriteria, kieskeurige en vergelijkbare bureaucratisering, zware overlegprocedures opgelegd tussen niet-gouvernementele actoren uitsluitend op basis van hun geografische locatie, vermenigvuldiging van methodologische hulpmiddelen geïnspireerd door de gewoonte van het bedrijfsleven…

Als de striktheid in het management niet twijfelachtig is, is dit misbruik van administratieve intimidatie geleid tot willekeurige vereenvoudigingen, de verstikking van kleine structuren en een verlies van professionals op het gebied van gevoel voor werk. Naar verluidt rationeel, wordt deze striktheid grotendeels gedicteerd door een marktlogica onverschillig voor de criteria van een gemotiveerde ondersteuning aan de partners in de Zuid volgens de behoeften die voortvloeien uit hun werkelijke situatie.

Een artikel van het dossier behandelt een specifiek aspect van de ontwikkelingssamenwerking dat grotendeels maar niet uitsluitend tot het werkterrein van de ngo’s behoort: de ontwikkelingseducatie. Dit gebied van activiteit spreekt boekdelen betreffende de manier waarop men zich de betekenis van ‘samenwerken’ voorstelt. De ontwikkelingseducatie betrekt er de civiele maatschappij bij – en met name de jongeren – en vereist eveneens een gedeelde kritische visie op ontwikkeling in een wereld waar zuid en noordflank onlosmakelijk verbonden zijn. De Belgische ontwikkelingssamenwerking had in 2017 van een Europees netwerk nog felicitaties gekregen voor de buitengewone leerkansen van haar ontwikkeling educatie aan uiteenlopende groepen in de samenleving werden geboden. Jammer genoeg is in deze gunstige beoordeling een situatie belicht die al het tot het verleden behoord. De gevolgen van het nieuwe Belgische ontwikkelingsbeleid komt steeds duidelijker aan het licht : drastische budgettaire inkrimpingen, ja zelfs regelrechte afschaffing van kwaliteitsprogramma’s, zoals bijvoorbeeld de Infocyclus, een programma dat gedurende jaren een ruim publiek had trachten te informeren over en te sensibiliseren voor de ontwikkelingsproblematiek.

Ontwikkelingssamenwerking: efficiëntie en zin

Om dit dossier af te sluiten, nog enkele vaststellingen die aanzetten tot verder nadenken. In de loop van deze legislatuur is er een drift in de praktijken geweest – een verarming en een diversificatie van samenwerkingsinstrumenten – die voortdurend gerechtvaardigd werd door een argument van rationaliteit en geobjectiveerd in wetgevingsmaatregelen die kennelijk geen politieke kleur hadden.

Op het moment van de SDG’s, stonden inderdaad op de agenda een versterking van de kaders van de internationale solidariteit en een vernieuwing van de ontwikkelingspraktijken op basis van een echt partnerschap met de staten van het Zuiden. Maar onder de mom van de zoektocht naar efficiëntie, heeft België een onambitieuze politieke keuze gemaakt: mee te gaan met de stroom (to go with the flow), zich te conformeren aan de bestuurlijke rationaliteit van de private sector en de omringende “economisme”.

Deze drift werd ondersteund door zogenaamde “neutrale” wetgevende accommodaties. In 2019, zou het zelfs moeten toegewijd zijn door een herziening van de wet over de ontwikkelingssamenwerking. Deze zou het verleden hebben afgeschaft en, in nieuw jargon, een politieke en strategische reorganisatie van de samenwerking geïnspireerd door de neoliberale ideologie zou hebben gebouwd. Zonder einde van de wetgevende macht, het wetsvoorstel zou worden aangenomen met zeer weinig tijd voor discussie en onderhandelingen. Het lukte niet vanwege de ontwrichting van de ‘Zweedse’ coalitie. Niettemin, de jongste evoluties van onze ontwikkelingssamenwerking dagen ons uit: ze zijn niet verrassend omdat ze afkomstig zijn van een coalitie die zo ideologisch is gemarkeerd, maar ze moedigen waakzaamheid aan voor de nabije toekomst.

Ten slotte, confronteren ze, meer dan ooit, de burgers, de professionals en de politici met de vraag van de betekenis en de aard van ontwikkelingssamenwerking die we willen zien gebeuren in het zuiden… en in het noorden. De inleiding van reflectie over dit onderwerp is het sluiten van het dossier en het openstellen voor een echte uitdaging voor de volgende legislatuur.

 

Notes:

[1] La Revue Nouvelle, n°03/2019, april 2019, prijs: 12 €, in elke goede boekhandel of op www.revuenouvelle.be

 

take down
the paywall
steun ons nu!