De leer van mijn vader

De leer van mijn vader

donderdag 21 mei 2020 11:05
Spread the love

In Het Boek der Openingen(nog onuitgegeven)  schreef ik jaren geleden fragmenten over de leer van mijn vader die ik voor het derde deel van Het boek der Verbazing heb samen gezet en afgewerkt en hier naar aanleiding van het feit dat hij dit jaar 25 jaar dood is, op zijn geboortedag aan de openbaarheid prijsgeef. Hij zou vandaag [21 mei 2020] 93 geworden zijn. Dat zat er helaas niet in. Hij heeft niet meer dan 68 gehaald. Maar voor mij is hij onsterfelijk, of althans van onsterfelijke waarde, want hij heeft me het belangrijkste geleerd. Hier dus: een ode aan mijn vader.)

De beroemde bokser van kort na de oorlog, Karel Seys, vocht met open armen. Zonder dekking danste hij de ring rond. Als een kat ontweek hij alle slagen, maar deelde er ook flink wat uit. Zo vertelde mijn vader ons als kind ettelijke malen, met onverholen bewondering, met overtuiging, en ontroerd nog na al die jaren. Hij scheen werkelijk te geloven dat dit de enige juiste manier was om in de ring te staan. En ik, merk ik nu, heb het ook altijd opgevat alsof het de enige juiste manier was om in het leven te staan. Dit beeld, deze misvatting, zal mijn hele leven blijven bepalen. En alles in de war sturen.

Na een gevecht van die bokskampioen, stopt de bus vol supporters uit Koolskamp en omgeving op de terugweg. Ze zijn met Rik Vriese en de andere vrienden – Robbe Cooghe was er waarschijnlijk ook bij – gezellig aan het drinken. Een andere compagnie aan een andere tafel begint hen lastig te vallen door tegen hun stoelen te schoppen en zo. Mijn vader spreekt met de anderen af dat ze elk hun mannetje pakken. Hij zal de grootste voor zijn rekening nemen. Zo gezegd zo gedaan. Zodra de vrienden hun mannetje willen grijpen, maken de belagers zich uit de voeten. Alleen mijn vader heeft de forse kerel bij zijn kraag. De man zegt: ‘dit is niet serieus: ik sta er alleen voor en jullie zijn met een hele bus’. Mijn vader, als man van eer, laat de kerel gaan…

Jaren later ziet mijn vader diezelfde man uit een bus stappen op de IJzerbedevaart. En snelt erop af. Of hij hem nog herkent? Ja, geeft de man toe, van dat café na de match van Karel Seys. Waarop mijn vader: ‘wel, gij hebt nu ne helen bus mee. Nog goesting om te vechten?’ Neen. De kerel droop af. Hij moet mijn vader in zijn binnenste gek verklaard hebben, en velen zouden met hem hetzelfde doen. Ik vind het nog altijd ontroerend en treffend, heel typerend. Mijn vader was én opvliegend én secondair. Op zijn Vlaams gezegd; wie in zijn rapen had gescheten, kon het wel schudden.

Hoe kan een zwarte bokskampioen, ik bedoel een bokskampioen die na de oorlog tot ‘de zwarten’ werd gerekend, hier bijna het sprookjesachtige symbool worden voor de eeuwige Samourai, de rechtvaardige ridder? Zo zijn verhalen: de waarheid erachter is nooit onschuldig. En de werkelijkheid is niet zwart of wit, maar grijs. Ridders en helden bestaan toch echt alleen maar in ridderromans, Cervantes had gelijk. Nu, niet Karel Seys, maar mijn vader was de held van mijn kindertijd. En ik denk dat hij dat uiteindelijk is gebleven. Ja.

Mijn vader leerde mij de rudimenten van rechtvaardigheid en strijdbaarheid. Hoe je een grote bullebak die je lastig valt op de speelplaats velt door hem met de vuist bovenaan tussen de ogen op zijn neus te slaan (niet te hard, want dan heeft hij een gebroken neus), met onmiddellijke uitschakeling en twee blauwe ogen als gevolg (wat dan dient als afschrikking voor andere bullebakken). Dat je nooit vecht met iemand die jonger of kleiner is. Dat je nooit meedoet aan pesterijen. Hoe je altijd de zwakke verdedigt en tussen twee vechtende partijen in gaat staan, als die ongelijk zijn.

Hoef ik te zeggen dat ik als kind al die dingen blindelings deed? Met overgave. In feite tot op de dag van heden ben ik een opvliegende vechtjas met een ridderlijke moraal gebleven. Daarin lijk ik op mijn vader als twee druppels water. Vooral dat opvliegende (ik ben veel minder secondair). Maar goed. Over mijn woede-uitbarstingen zal ik het een andere keer hebben. Laat ik volstaan met te zeggen dat ik er zuinig mee probeer te zijn.

Wat mijn vader mij vooral geleerd heeft, is het respect voor maar ook en vooral het legitieme verzet tegen gezag. Dat was vooral aan de hand van zijn legerverhalen. Ik zou ze moeten kunnen reconstrueren, maar dat lijkt op het eerste gezicht niet simpel. Anamnese van de oorlogs- en legerverhalen van mijn vader, iets voor het al lang voorgenomen Boek van mijn vader. Telkens we aandrongen bij hem om weer eens een verhaal te vertellen over zijn leven, begon hij met een mengeling van tegenzin en captatio benevolentiae altijd met ‘ach, ik zou een boek kunnen schrijven van mijn leven…’ Toen ik hem jaren later bezocht en we vaak terugkwamen op die heerlijke avonden rond tafel, heb ik hem beloofd om dat boek te schrijven. Maar ik had niet de discipline of de durf om de gezelligheid te doorbreken door onze conversatie op te nemen. Om een lang verhaal kort te maken, dat boek is er tot nog toe helaas niet van gekomen en die verhalen zijn intussen vervaagd tot bijna verschoten foto’s. Niet meer dan flarden.

Er waren verscheidene verhalen waarin hij opkwam tegen onrechtvaardige bevelen, ook als het hem straf of cachot kon opleveren. Zo leerde hij ons ook dat we vanuit het grootste respect voor onze leraren ons nooit door hen mochten laten slaan of anderszins laten vernederen. ‘Als je in je hart weet en in alle eerlijkheid denkt dat je gelijk hebt, dan moet je voor niemand plooien, niet voor de leraar, niet voor de generaal, zelfs niet voor de koning.’ Zo zei hij dat. Bij de koning kwam zijn gemoed vol. Keer op keer. (Mijn vadertje, hij was niet alleen rechtvaardig, hij was ook gauw ontroerd. Een zeer emotioneel man, die zijn gevoelens moeilijk kon uiten, maar tegelijk des avonds glas na glas meer tranen plengde.) Tot we het begrepen hadden. Ik heb het begrepen, denk ik. ‘Maar omgekeerd, als je in je hart weet dat je ongelijk hebt, moet je je ook tegenover de minste excuseren’. Dat is nog veel moeilijker.

Dat hij mij daarmee de wapens in handen gaf voor mijn al dan niet legitieme verzet tegen zijn eigen gezag – wat heeft hem dat pijn gedaan! – dwingt tot op heden mijn grootste respect af. Daarom wellicht is mijn relatie met hem later zo innig geworden. Daarom ook kon ik al bij leven niet aan zijn dood denken, zonder dat mij de tranen onmiddellijk in de ogen sprongen. Dat is nu hij al zovele jaren dood is, niet anders. Ook na een kwarteeuw zijn mijn tranen nog niet opgedroogd.

Mijn vader was voor mij als kind bijna echt een soort van ridder. Hij werd ook vroeg geveld. Spreuken die me aan zijn exorbitante riddermoraal doen denken, dragen, bijna tegen beter weten in, automatisch mijn fundamentele goedkeuring weg. Wie niets te verliezen heeft, is een vrij mens en vrije mensen moeten voor niemand plooien. Behalve voor zichzelf, hun eigen eer, hun eerlijkheid, hun geweten, hun medeleven, hun verantwoordelijkheidsbesef en rechtvaardigheidsgevoel.  Dat maakt ze strijdbaar. ‘Any day is a good day to die. It’s the rule of the Samurai’.

    If you can’t join them, beat them. Toen ik die slogan bedacht voor een nooit gerealiseerd T-shirt project, wilde ik per hoge uitzondering zelf wel zo’n T-shirt dragen onder mijn hemd, als verborgen wapenspreuk van een oude zenmonnik of an not so teenage mutant ninja turtle in het tijdperk van het transcendentaal kapitalisme. Dan besef ik nu pas, dat dit alleen maar een schalkse hippe update van de leer van mijn vader was.

Eer en eerlijkheid, waren heel belangrijk voor ons vader. Eer staat niet hoog in aanzien bij verlichte geesten. Het doet denken aan vendetta’s, aan Albanezen en eremoorden en meer van die akelige en achterlijke dingen. Nochtans: eer is de basis van alles. Het is de basis van de eerlijkheid. Zonder eer geen eerlijkheid. En dat is geen woordspel, het in alle talen zo: No honesty without honour. Geen moraliteit zonder mores. Ergo: geen moraliteit zonder eer. Hij die zijn eer verliest, kan geen beloften doen, geen eden afleggen, zijn woord niet geven. Hij/zij is zonder morele grond. Het ergste wat je van iemand kan zeggen, is dat hij eerloos is. Eer is een, zo niet de fundamentele waarde. Alleen rechtvaardigheid gaat erboven. Maar alleen per uitzondering omdat eer de basis is voor eerlijkheid en eerlijkheid de basis voor rechtvaardigheid. Want het echte argument voor rechtvaardigheid is dat eerlijke mensen eerlijk moeten toegeven dat onrecht oneerlijk is en dat rechtvaardigheid de enige eerlijke oplossing is. Het heeft voorrang op alle andere principes (want conventies hebben geen enkele waarde). Lieg als het nodig is om mensen niet te kwetsen bijvoorbeeld, maar geef nooit je eer op. Want je woord van eer is de basis van de eerlijkheid tegenover jezelf. Elke dag is een goede dag om te sterven. Als je dat beseft, ben je onoverwinnelijk. Dat is de essentie van wat ik geleerd heb van mijn vader en dat blijf ik geloven. En in dat geloof wil ik leven en sterven.

 

 

Creative Commons

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!