De community ruimte is een vrije online ruimte (blog) waar vrijwilligers en organisaties hun opinies kunnen publiceren. De standpunten vermeld in deze community reflecteren niet noodzakelijk de redactionele lijn van DeWereldMorgen.be. De verantwoordelijkheid over de inhoud ligt bij de auteur.

Op hertenjacht in Oost-België. Een waar verhaal uit mijn jagersdagboek.

woensdag 21 september 2022 12:59
Spread the love

[041022. Nu het eerste wildbraad beschikbaar komt in de winkels, gaf ik dit stukje een nieuwe titel.]

Er was een tijd dat een kleine jongen genaamd Stef zeer graag indianenverhalen las. Hij wilde zelf zoveel mogelijk indiaan worden. Zijn eerste prentenboek in die zin las zijn moeder hem voor, hij bekeek de prenten. Belgische stripverhalen voedden die smaak, die passie doorheen de jaren. Karl May, Bessy (en baasje Andy Cayoon), Buddy Longway… Op een dag toen hij zowat dertig was, viel zijn oog op een advertentie in de lokale Leuvense krant. Hij besloot de Jachtcursus van het IJO te gaan volgen. Tijdens de derde avond viel de stroom uit. Bij kaarslicht vertelde een ervaren jonge jager over zijn fantastische avonturen beleefd tijdens de jachtstage op de Koninklijke Jachten van Hertogenwald in de Hoge Venen. Daar moesten elk jaar een honderdtal Herten en een partij Everzwijnen omgelegd worden om de populatie binnen de perken en gezond te houden, in de schier eindeloze eikenbossen, ten zuidoosten van het stadje Eupen. De beste tien kandidaat jagers werden elk jaar toegelaten, bijna kosteloos. Als dienst aan de Jagerij vanwege Eaux et Fôrets en de Koninklijke familie. Wat een droom!

Overgemotiveerd vulde de dertigjarige jongeman zijn schriftelijk examen echter fout in. De droom vervloog. Toch voelde hij zich zozeer op zijn plaats in dit wereldje, dat hij solliciteerde toen er een vacature vrijkwam om als enige werknemer de nieuwe vereniging De Vlaamse Jager te dienen. Na twee jaar uitdagende arbeid en samenwerking met de bevoegde ministeries, leek zich een nieuwe kans voor te doen. Hij drukte zijn hartenwens schriftelijk uit bij de bevoegde ambtenaar. In de zomer viel de langverwachte uitnodiging als Invité aux chasses royales de Hertogenwald in de bus, met in rode diepdruk het Koninklijke logo met de Jachthoorn en het eikenblad.

 

Voorafgaand diende elke kandidaat schietproeven af te leggen in de buurt van het grote bos, in Membach. Als wapen koos hij de minst dure maar betrouwbare buks van Tsjechische makelij in het standaardkaliber gebruikt in Europese landschappen op grofwild, de Brno 7 x 64 mm. De proef verliep wonderwel, de jachtwachters floten en lachten als de kogels midden in de kringen op de bladen met wildafbeeldingen terecht kwamen op 50, 80 en 150 meter.

Omdat ik niet over een wagen beschikte, het gaat inderdaad om een autobiografisch verhaal, huurde ik een kleine auto bij Hertz in Leuven. De jager moest telkens vergezeld van de gids diep het bos inrijden, en wanneer een stuk zou worden omgelegd, werd het op de motorkap gelegd om het heilige vlees naar de koelkamer van het boswachtershuis van Hestreux te voeren. Soms lijken de dingen in een mensenleven te moeten verlopen op een bepaalde manier. In het Duits zegt men dan: “Es hat geklapt!”

 

Na enkele outings met het karabijn, gehuld in de stille diepgroene loden mantel, waarbij de jachtwachter, le Garde, en ik geregeld doornat werden, en waarbij we wel herten te zien kregen, maar nooit tot schot kwamen, kon ik op 15 september een eerste schot lossen in de natuur, op jacht. Wij hadden de hele avond op diverse plaatsen niets gezien. De Sorties vinden plaats van een uur voor zonsopgang in de herfstmorgen, tot twee uur erna. En in de avond trek je er op uit van twee uur voor zonsondergang tot een uur erna. De hoofdgids, de heer Buisseret, die nog in Afrika had gewerkt, besloot een laatste poging te doen; hij wist waar er wel meer wild zat op winderige dagen. We troffen een rotte wilde zwijnen aan op een heuvelachtig terrein onder grote beuken en eiken. Zij hadden ons niet gehoord, gezien of geroken. Het moment dat ik de trekker de eerste keer moest overhalen, was heel bijzonder. Je beschikt over uitzonderlijke kracht en macht, maar je stelt je ook kwetsbaar op. Je eer als jager en schutter is in het geding. Wanneer je een dier “ziek” zou schieten zou een team een nazoek moeten verrichten met een speciaal getrainde hond. Die mensen met hun Zweethonden kwamen dan kosteloos van honderdvijftig kilometer verder. Je kunt ook scheef bekeken worden, wanneer jouw kogel op een verkeerde plaats terechtkomt en het wild laat lijden. Je draagt heel wat verantwoordelijkheid.

 

Maar met de vaderlijke hulp van de garde chasse en met het karabijn gesteund op een zelfgeconstrueerde driepoot voor de stabiliteit, zat het schot precies goed. Het zwarte kleine zwijn viel ter plekke om. Na de obligate pauze, die het dier toelaat in vrede de laatste adem uit te blazen, gingen wij ter plaatse, op een meter of 65. Ik vervoerde met de hulp van de professional trots als een pauw mijn eerste jachtbuit en gebruikte mijn recht van voorkoop als Genodigde. Ik zou het wildbraad laten versnijden en wekenlang vrienden en vriendinnen uitnodigen op een bij de herfst passende wildschotel.

 

In totaal ben ik met een van de vijf wildschutten in wisselende beurtrol zestien keer er op uit gegaan. Zes keer konden wij het grofwild op geschikte manier dicht genoeg en ongemerkt benaderen. Met zes kogels van het merk Brenneke Torpedo Ideal Geschoss die elk een klein fortuin kostten en van een zilveren punt waren voorzien, legde ik zes stukken wild om. Het respect van de ervaren jachtgidsen die moesten toegeven dat ik deze sport, dit vak, deze kunde goed onder de knie had, en dat ik niet te flauw was om ook de karwei van het ontwijden, het verwijderen van de ingewanden, op mij te nemen, of er toch telkens aan te beginnen, deed mij diep deugd. Misschien had ik dit soort ervaring en prestatie wel nodig om mijzelf te overtuigen dat ik een man was. Binair, in hedendaagse termen.

 

Op 21 september ging de tocht in de vroege morgen onder begeleiding van gids Bebronne. We kregen in het eerste licht een halfwas everzwijn in het vizier die tussen de russen, de biezen, foerageerde. Mijn schot zat goed. De kamer was geraakt, de holte waar het hart zit. Na het roken van een zware aromatische sigaret van Amerikaanse makelij met Turkse tabak, konden wij het dier ophalen.

 

 

Een uur later vonden wij na opnieuw erop uit te trekken, een vrouwelijke ree in een open wildweide. De afstand was groter, 110 meter. Ik was nog wat geëmotioneerd van de vorige actie, maar kreeg het wapen en het bevingscirkeltje voldoende onder controle. Bang! We konden met twee dieren naar “huis”.

 

De mooie oranje pels van dit beest heb ik zelf gevild en bij experten laten looien. Ik herinner mij hoe ik die middag in het stadje een fles sterke drank haalde om in de avond in de jachthut ons succes te vieren, zoals de traditie het wil. Ik speelde op de recorder in de wagen het Keizersconcerto van Beethoven voor piano, het triomfalistische van die muziek klonk gepast. Op mijn jachthoorn blies ik bij het tableau van de gejaagde dieren die netjes werden op het gazon gelegde en waren opgesierd met hun ‘laatste bete”, een takje dat de laatste maaltijd symboliseert, het eerbetoon. Voor elke soort de geëigende melodie, volgens de Duitse traditie. Het viel mij op dat niemand van de andere jagers noch de jachtwachters, deze kunst verstonden, en dus de dieren niet met gepast jachtceremonieel konden uitzwaaien. Dat ik de laatste jaren bij de Jachthoorngezellen van Meerdaalwoud mij die kunst elke donderdagavond had eigen gemaakt, kwam dus goed en mooi uit. De aanwezigen waren zichtbaar tevreden dat dit ritueel volgens de regels van de kunst nu toch werd verricht.

 

In de avond was het geluk mij en jachtwachter Thys toeschietelijk. Na een uurtje bersen, dit is met volle aandacht van alle zintuigen jagend sluipen, door de knieën gebogen stappen, zagen wij in een grote brandgang tussen de grote kerstsparren een mannelijk hert. Het bleek in de veldkijker, een 10 x 40 die ik sinds mijn vijftiende voor de studie van vogels gebruikte,  een drie- of vierjarig stuk dat kon vrijgegeven worden voor afschot: het dunne gewei zonder veel enden wees op een minder levenskrachtig mannetje.

 

Ik kon de buks op een houten muurtje steun geven en dit was welkom want nog nooit had ik van zo ver op een stuk aangelegd: 185 meter, zo zou blijken. Mijn geduld werd op de proef gesteld, het dier stond niet goed. Je wil een schot afgeven dat dadelijk dodelijk is. Zou het dier met me spotten en wegwandelen? Ik had een goed voorgevoel. Het eerste mannelijke hert in mijn jachtcarrière zou mij niet ontsnappen. Ik doodde de tijd met ademhalingsoefeningen die ik jaren voordien op therapie had geleerd. Eindelijk kwam het hert breed. Ik hield het vizierkruis zo goed mogelijk gericht en haalde de trekker over.

 

Na de inslag stoof het grote dier, het zou 125 kilogram blijken te wegen, vooruit omhoog weg. Dat is normaal. Dat is zelfs een teken dat de kamer is getroffen. Nu moesten wij verplicht vier uur wachten. Thys en ik trokken ons terug in de jachthut. Ik at een paar boterhammen met boter en bosbessenjam. Ik was er gerust op. De jachtwachter was erg nerveus. Op die afstand zou de volle kracht van de kogel nodig zijn. Sommige jagers werkten met zwaardere kalibers, zoals de .330, die op Elanden in Scandinavië worden gebruikt, of In Afrika op gevaarlijke dieren, zoals in het verhaal Trofee van Gaea Schoeters , de schrijfster die ik een kwarteeuw later zou leren kennen en graag advies mocht geven bij het schrijven van de intussen veelgelauwerde roman.

 

Met de witte R4 van Buisseret konden wij tenslotte naar de plek rijden onder een zwarte en op sommige plaatsen diepblauwe nachtlucht, onder een driekwart maan. Wij hadden met lint de Anschuss aangeduid. Buisseret ging met zijn getrainde Dackel de sparren in. Na twintig meter stelde hij ons, die voorzichtig volgden, een speciaal wapen schietensklaar, gerust. Hij riep: “Ik ruik hem!” Jagen is volop leven met alle zintuigen, in de bewuste nabijheid van de dood.

 

Het hert was spoedig gestorven na mijn raak schot. Het lag 65 meter diep in het bos. Wij sleepten het eruit en de hoofdgids nam het vuile werkje van het ontweiden op zich. Ik stapte enige passen opzij de stille en naar dennen geurende nacht in om even alleen te zijn. Ik keek omhoog en deed een dankgebed. Ik knielde en legde mijn handpalm op de aarde, op het gras in dit zompige gebied in het Oosten van ons gastvrije landje waar ons grootste Natuurgebied ligt. Iedereen die de tijden kent en de vereiste manieren, kan er de prachtige wilde dieren bewonderen.

 

1994 werd op die dag een van mijn mooiste, meest markante jaren. De trofee van sober hertengewei heb ik in opeenvolgende woningen altijd in mijn kamers opgehangen. Het bijzondere voorwerp, deze hoogst authentieke souvenir geeft me dagelijks op mystieke wijze inspiratie, troost, zelfbewustzijn en kracht.

 

De Foto’s komen van Flickr maar zijn zo gekozen dat ze goed de realiteit en de sfeer van 21 september 1994 in Hertogenwald oproepen.

 

Slotbedenking

Onder druk van hartstocht lost de geest zijn geheimen

De wereld zoals wij die kennen, kan soms snel verdwijnen en door iets anders vervangen worden. Wie had er een jaar geleden verwacht dat er weer oorlog zou heersen op dit continent? Persoonlijk heb ik autarkie altijd betekenisvol gevonden, ik wilde niet alleen maar afhankelijk zijn van de wereld van het comfort en de consumptie. Daarom leerde ik paard rijden, heb ik geleerd een konijn te villen en de huid af te stropen, en heb ik met vuurwapens leren omgaan. Aan de wereld van de jacht, die wellicht door de toenemende verstedelijking en digitalisering van het bestaan voor meer en meer mensen iets onbekends is, hangen heel diepzinnige zaken vast. Een zaak is dat je als jager veel meer dan de meeste werknemers en consumenten, jezelf de kans geeft in contact te komen met dat eeuwig belangrijke fenomeen, de dood. Dus ook met je eigen menselijke sterfelijkheid. Dat is een eerlijke positie, mij dunkt. De wereld van handel en media drukken dat fenomeen al te vaak uit het gezichtsveld, waardoor mensen kansen worden ontnomen op gezonde, harmonieuze manier op de eigen dood af te gaan. Een tweede aspect dat het jagen op wilde dieren meebrengt, en dat ik zeer waardevol heb bevonden, en in een veertigtal stukken in jachtbladen heb mogen toelichten, is dat je tijdens de jacht een soort “crisis” te weeg brengt, waar je veel uit kan leren. Belangrijke zaken als zelfkennis en diep inzicht in jouw functioneren in het leven, tijdens jouw existentie.

In het interview in De Standaard Letteren van 21 mei 2022 met de schrijfster Sarah Hall, die gelauwerd werd om haar nieuwste roman Burntcoat/Het atelier, en die in 2015 De komst van de wolven schreef, vond ik woorden voor dit fenomeen. Hall: “Negatieve ervaringen hebben niet altijd een louter negatief effect op ons. Integendeel, ze kunnen zelfs iets tot bloei brengen”. “Er zijn kansen, opnieuw en opnieuw. Je bent nooit volledig gedefinieerd als het een of het ander.” “Literatuur is voor mij een manier om nieuwe rituelen te maken. Burntcoat is zo goed als goddeloos, maar beschrijft een alternatief. Ondanks de secularisatie kan je een zinvol bestaan leiden, hier en nu, bijvoorbeeld oor bij te dragen aan maatschappelijke verandering. Die optimistische drijfkracht wou ik vatten.” Als kind zwierf ik vaak door het wilde landschap, waardoor ik vooral de stem van mijn gedachten ontwikkelde. Ik wil dat de lezers in mijn werk wonen.” Een van mijn hoofdfiguren, Edith ,heeft veerkracht die gevoed is door catastrofes. Wanneer Katrien Steyaert Hall vraagt, “Burntcoat suggereert dat trauma’s potentieel intens verhelderend zijn?”, is het antwoord het volgende: “Dat was wat ik beoogde, inderdaad. Voor de lezers van nu, maar ook voor mijn dochter en de komende generaties. Voor mij is dit een sleutelzin: “Onder druk van catastrofes en hartstocht lost de geest ook zijn geheimen. Ook een intense liefde [zoals deze die ik als wandelaar, observator en jager ervaar voor de dieren- SHS] kan iets onthullen over onze innerlijke chaos en over alles wat mogelijk is als we minder controle hebben, meer in contact zijn met onze wilde, dierlijke aard.”

 

Stef Hublou Solfrian

Senior Publicist. Destijds freelance redacteur voor Tertio en De Vlaamse Jager & opiniemaker via Knack en De Standaard, Liberales en Apache. Sociaal-economisch Historicus met belangstelling voor Krijgsgeschiedenis. Gewezen hulpverlener via diverse organisaties en hospitalen. Gewezen leraar Geschiedenis & Godsdienst. Lesgever kansarme kinderen via Auxilia. Essayist voor De Kovel, monastiek tijdschrift. Ridder in de Kroonorde voor bewezen diensten in de sfeer van kunst en wetenschap als veelzijdig persoon met ruime maatschappelijke interesse en inzet in het vrijwilligerswerk.

 

Opmerkingen van lezers

– Rudiger W, beheerder van de Facebookpagina Belgica

Mooi geschreven. Ik heb ooit een drijfjacht meegemaakt als trekker. Door bossen, maisvelden.. spannend!

– Paul V, voormalig schepen voor Groen in Antwerpen, kenner van de fauna en flora.

Alleen al die titels onderaan blazen me al weg. Zag recent nog een pracht van een ree, die ik zelfs nog kon fotograferen ook. En van vrij dichtbij. Het is al zo ver gekomen dat ik dan automatisch aan jou denk. En me afvraag of er nu een ree voor mij staat of een stuk vlees

SHS. Intussen heb ik nog een slotbedenking toegevoegd, Paul. Vergis je niet, het gaat om het vlees maar ook om iets veel diepzinnigers.

Paul V. Ik begrijp je. Maar soms overstijg je de gewone mens, Stefaan. Onbereikbaar hoog.

 

Smalree in haar habitat

Creative Commons

take down
the paywall
steun ons nu!