De internationale aanvallers van de index genieten zelf van indexering

De internationale aanvallers van de index genieten zelf van indexering

donderdag 4 augustus 2011 13:36

Via onze zomerblog wist u reeds dat een stelsel van automatische indexering van het loon voor het IMF de meest logische zaak is van de wereld. Tenminste wanneer het gaat om zijn management director, vroeger DSK en sinds kort Christine Lagarde. Niet wanneer het gaat om een veralgemeende toepassing voor gewone werknemers.

En hoe zit dat met de andere internationale orakels die zo gebeten lijken op ons indexeringsmechanisme, zoals de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling of de Europese Commissie? Daar is het niet anders.

Hierbij wat de werknemersdelegatie bij de OESO ons doorgaf voor de OESO-staf:

‘De jaarlijkse aanpassing van de lonen van de OESO-medewerkers valt onder de bevoegdheid van het Coordinating Committee on Remuneration (CCR, een gemeenschappelijke instelling van de OESO, de NAVO, de Raad van Europa en een aantal Europese organisaties (zoals de Europese Ruimtevaartorganisatie). Het CCR heeft een drieledige structuur:
– De werkgevers worden vertegenwoordigd door het Committee of Representatives of the Secretaries General (CRSG);
– De regeringen worden vertegenwoordigd door de nationale afgevaardigden;
– De werknemers worden vertegenwoordigd door het Committee of Staff Representatives (CRP), samengesteld uit afgevaardigden van personeelsverenigingen van elke organisatie.

Elk jaar brengt het CCR aanbevelingen uit over de aanpassing van zowel de lonen als andere vormen van vergoeding (vooral de expatvergoedingen) en de pensioenen.

Het CCR bekijkt de lonen vanuit het standpunt van de index:
– Het loon wordt vooreerst vastgelegd door middel van een gemeenschappelijke index (OESO, NAVO,…), samengesteld uit een korf die de evoluties volgt van de lonen uit de overheidssector van een landengroep: Frankrijk (gewicht in de index: 19,8), België (8,8), Duitsland (18,9), Italië (12,1), Luxemburg (5,9), Nederland (9,1), Spanje (8,7), Verenigd Koninkrijk (16,7).
– Vervolgens wordt het loon aangepast in functie van de inflatie in het desbetreffende land. In een van de clausules van de regels van het Comité wordt een ‘uitzonderlijke aanpassing’ toegestaan als de stijging van de levensduurte meer dan 5% bedraagt over 12 maanden, wat het geval was in het Verenigd Koninkrijk tussen juli 2009 en juli 2010.

Met dit systeem zijn de lonen van het OESO-personeel voor 2010 gestegen met 2%, voor 2009 met 2% in januari en 1% in augustus, voor 2008 met 1%, voor 2007 met 2,4% in januari en 0,7% in december en voor 2006 met 2%. Over de laatste tien jaar (2001-2010) zijn de lonen jaarlijks gemiddeld met 2,5% gestegen (in werkelijkheid iets minder aangezien de stijging in 2007 en 2009 (zie hierboven) gedeeltelijk werd uitgesteld tijdens het jaar.’

En bij de Europese commissie? Dat kan je haarfijn nakijken in een bijzonder interessant overzicht, door Europees onderzoekscentrum Eurofound, van de stelsels van automatische indexering in Europa.  Daarin figureren alle landen die van de Europese Commissie en nadien de Europese Raad, de vraag hebben gekregen hun stelsel van automatische indexering te herzien (Malta, Cyprus, België, Spanje).  Maar de onderzoekers voegen aan het lijstje droogjesweg ook de Europese ambtenaren toe. We citeren:

‘De lonen van de werknemers en de ambtenaren van de Europese instellingen zijn onderworpen aan een gecombineerde vorm van loonindexering. Dit werd op 1 mei 2004 vastgelegd door de 
‘Staff Regulations of EU officials and other employees’.

De Europese Raad besliste op basis van Eurostatgegevens om de lonen van de EU-werknemers jaarlijks aan te passen. Deze aanpassing houdt zowel rekening met de gemiddelde loonevoluties voor de nationale ambtenaren in een steekproef van acht lidstaten, namelijk België, Frankrijk, Duitsland, Italië, Luxemburg, Nederland, Spanje en het Verenigd Koninkrijk, als met de levensduurte in het werkland. Aangezien deze maatregel wordt toegepast met terugwerkende kracht, zijn de loonevoluties in de nationale overheidsdiensten van één jaar terug van toepassing op de EU-personeelsleden.

De bedoeling van deze aanpassing is in de eerste plaats nagaan of de loonevoluties op EU-niveau een weerspiegeling zijn van de nationale loonevoluties. De aanpassing houdt in de tweede plaats ook rekening met de geografische verschillen tussen Brussel en elke andere werkplek in een Europese instelling op het vlak van de levensduurte, en met de verschillen in de tijd. De aanpassing baseert zich op een ‘correctiecoëfficiënt’ die de verschillen in koopkracht weerspiegelt tussen Brussel en de werkplek, met Brussel als referentiestad. De indicator volgt echter niet per se de algemene evolutie van de consumptieprijzen in een bepaald land aangezien hij rekening houdt met het consumptiepatroon van de EU-werknemers op hun werkplek. De consumptiepatronen worden opgesteld op basis van een enquête, namelijk de ‘Family Budget Survey’ (FBS) die elke vijf of zeven jaar wordt gevoerd bij de personeelsleden van de Europese instellingen buiten Brussel.

Ten gevolge van deze aanpassingsprocedure kan het loon voor een identieke functie binnen een Europese instelling sterk verschillen doorheen Europa. Zo krijgt een medewerker die actief is in een Europese instelling in Bulgarije slechts 62% van het loon dat voor dezelfde functie in Brussel wordt betaald, terwijl een bediende uit Denemarken 138% ontvangt van dit loon, conform de ‘Council Regulation of 21 December 2009′ over de lonen en de pensioenen van ambtenaren en andere personeelsleden van de EU.’

Je zou van al die topambtenaren van de OESO en de Europese commissie dan ook iets meer schroom verwachten wanneer ze onze indexering op de korrel nemen. Kennelijk gunnen ze het gewone werkvolk niet de eigen voorrechten.

Marc Leemans, nationaal secretaris

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!