De C-curve van de Heilige Anna

De C-curve van de Heilige Anna

dinsdag 15 januari 2019 20:50

In mijn zoektocht naar een wat grondigere argumentatie als waarom de Sint Annakerk te Gent best zo snel mogelijk wordt omgetoverd in een warenhuis, opdat het al te pathetisch en nietszeggende protest ophoudt te bestaan, stuitte ik – vraag me niet meer hoe – op een toch wel zeer interessant proefschrift uit 2014 genaamd: De kerk in het midden houden? Houdingen van de diocesane clerus van de bisdommen Gent en Brugge tijdens de Tweede Wereldoorlog, door Pieterjan De Coninck. Het proefschrift (UGent) handelt, wat had je verwacht, over: Houdingen van de diocesane clerus van de bisdommen Gent en Brugge tijdens de Tweede Wereldoorlog. Om vele redenen is dit een uiterst interessant proefschrift. Een daarvan is het vermelden erin van de C-curve van de in Zuid-Afrika geboren maar nu in de VS residerende historicus Jonathan Judaken (°1968).

 De C-curve is een typologie van elf houdingen die we kunnen aannemen en die allemaal beginnen met de letter c. De C-curve geeft een schaal weer met wat meer nuance dan de traditionele 3-delige opdeling voor/tegen/neutraal, en ziet er als volgt uit:
1   Commitment (zowel georganiseerd verzet als actieve oppositie)
2   Connivance (verzet oogluikend toelaten, de autoriteiten tegenwerken via verborgen of gecodeerde berichten)
3   Circumspection (behoedzaamheid tegenover de Duitse bezetter en zijn instellingen)
4   Cohabitation (in het frans vaak attentisme, een afwachtende houding tegenover de bezetter)
5   Concessions (toegevingen doen om te kunnen overleven)
6   Complaince (aanvaarden en berusten in Duitse regels en voorschriften)
7   Compromise (instemmen met sommige ideologische aspecten)
8   Complicity (actief deelnemen aan Duitse initiatieven en projecten)
9   Conviction (overtuigd zijn van het nationaalsocialisme) 
10 Collaboration (samenwerken met de Duitse bezetter (zoals bv. het Vichy-regime in Frankrijk)) 
11 Collaborationism (toewijding aan het fascisme en de nazi-ideologie).

“Judaken gebruikte dit conceptueel kader voor zijn onderzoek[1] naar de houding van Franse intellectuelen tijdens de Duitse bezetting (WO II). Die was immers zelden zwart-wit. Volgens Judaken situeerden de meeste Franse intellectuelen en bij uitbreiding zelfs de meerderheid van de Franse bevolking zich ongeveer in het midden van de c-curve. Hij merkt ook op dat een houding geen statisch gegeven is en onder invloed van keuzes en omgevingsfactoren (tijd, plaats, …) doorheen de bezetting kon wijzigen.”[2]

Het verrassende aan deze typologie is dat we ze eveneens kunnen gebruiken voor tal van andere situaties waarin verwacht wordt, of waarin het nodig is een houding aan te nemen tegenover iets wat op ons afkomt. Los dus van de gegeven periode tegenover de toenmalige bezetter. Zo kunnen we vandaag een legio aan politieke voorkeuren invullen en onze houding daaraan toetsen, maar – niet te onderschatten – ook de grotere vraagtekens in het leven van alledag kunnen hiermee geëvalueerd en geduid worden. Zoals daar zijn: bij welke bakker zal ik mijn brood halen en moet de Sint-Annakerk nu omgetoverd worden tot een warenhuis?
Toegegeven, bij die eerste vraag lijkt dat nogal ingewikkeld te worden, maar over de laatste kan ik vrij kort zijn. Ja, de Sint-Annakerk wordt best zo snel mogelijk omgetoverd tot een warenhuis.

Mijn houding, waar ik eerlijk gezegd wel een beetje van verschoot omdat ze niet direct in het midden ligt en ik mijzelf toch eerder als een gematigd persoon zie, valt onder het instemmen met ‘sommige ideologische aspecten’ ervan en heet compromise. Waaronder echter niet zomaar mag worden verstaan dat ik ze allemaal goedkeur. Die ideologische aspecten voor alle duidelijkheid. Bovendien ontbreekt m.i. minstens nog een 12e houding die wat meer dimensie aan de nogal lineaire C-curve van Judaken kan geven en die best verstaan wordt onder de noemer (à la Gantoise): ‘het kan mij geen kloten schelen’. Of dit te vertalen is naar een c-woord is mij nog niet duidelijk. Culottes, misschien. Maar ik zeg maar iets.

Welke ideologische aspecten wel duidelijk zijn, zeg ik hier: (de volgorde heeft geen belang)
Ik vind dat de Sint-Annakerk van Gent best zo snel mogelijk wordt omgetoverd tot een warenhuis:
– omdat de kerk altijd al de kant van het geld gekozen heeft.
– omdat de gemeenschap niet hoeft op te draaien voor de kosten die een geloof met zich meebrengt, zelf al zou dit (en in navolging hiervan: samen met al haar artefacten) behoren tot het culturele erfgoed.
– omdat objecten gemaakt door mensen geen eeuwig leven beschoren zijn.
– omdat mensen nu eenmaal hun voedsel ergens moeten halen (en een functionele kerk doorgaans geen eten verkoopt).
– omdat kerken in de loop van de geschiedenis vaak meer waren dan enkel die heilige gebedshuizen waarvan sommigen (nu) menen of geloven dat ze dat zijn.

Nu zal ik trachten mijn stellingen te funderen.

1) De kerk heeft altijd al de kant van het geld gekozen. Dit is een vrij eenvoudig aan te tonen feit. Zeker wanneer het de Rooms-Katholieke Kerk betreft. Herinner u in de eerste plaats de reden waarom in 16e eeuw – in onze contreien dan – de zgn. godsdienstoorlogen hebben plaatsgehad. (Ik vereenvoudig hier even de geschiedenis om geen bibliotheek vol te schrijven en in het volste besef dat er her en der wel wat meer godsdienstoorlogen hebben plaatsgevonden waarvan, afhankelijk van plaats en tijd, zowel joden, islamieten, katharen, god weet wat nog allemaal en opnieuw, altijd weer opnieuw die joden, het slachtoffer waren.) Die 16e eeuwse godsdienstoorlog was namelijk een theologische strijd. Toch draaide die (althans initieel) ook rond de kwestie van het geld. De stellingen waartegen Maarten Luther immers fulmineerde stelden de handel in aflaten aan de kaak. Een handel waardoor rijken de vergiffenis van hun zonden konden afkopen van de paus. Luther vond het onrechtvaardig dat rijken zo geen boetedoening moesten doen wanneer ze te biecht kwamen.

Tussen haakjes. Enige analogie met hedendaagse afkooppraktijken berust louter op toeval en het is natuurlijk allemaal maar geschiedenis en lang geleden en het kan evengoed zijn dat de daaropvolgende oorlogen gewoon een gevolg waren van diezelfde Luther om de bijbel (of toch het Nieuwe Testament) te gaan vertalen in die barbaarse taal die het Duits ongetwijfeld is. Hoe dan ook beide handelingen waren een kaakslag tegenover de almacht van de paus en best wat slacht- en moordpartijen waard.

Wanneer kort daarna ook Calvijn zich tot de reformatie bekeert is het hek helemaal van de dam en het schisma in de Katholieke Kerk tussen het protestantisme en het katholicisme compleet. Die laatste reageert dan middels het Concilie van Trente tot de contrareformatie. Goed goed, er is wat onenigheid omtrent de benaming, als zou de contrareformatie in werkelijkheid de echte reformatie zijn, maar aan taalspelletjes gaan we hier niet doen. De contrareformatie als antwoord van de Rooms-katholieke kerk wordt een periode die zich kunstzinnig uit in een nooit geziene pracht en praal van het is al goud wat blinkt en het kan niet groot genoeg zijn en zal uitlopen in wat we nu de barok noemen. Iets wereldser zal de beweging zich uiten door een nooit geziene jacht op andersgezinden, dit uiteraard met een beetje hulp van onze vrienden van de inquisitie.

Maar zoals ik reeds zei, dat is allemaal geschiedenis. In meer recente tijden zijn twee boeken verschenen i.v.m. de kerk en het geld. Beiden zijn ze getiteld ‘Het geld van de kerk’. Het eerste dateert van 2002 en is geschreven door G. Delbeke. Het tweede dateert van 2010 en is geschreven door Raf Sauviller.

Delbeke tracht een open en objectief beeld te geven over het geldbeheer en het gebruik ervan in de katholieke kerk in België, samen met haar organisatie, de structuur, het personeel, de gebouwen en de boekhouding. Kortom een duidelijk beeld van de inkomsten en uitgaven, de financiële middelen, de eigendomsrechten en de relatie met de verschillende overheden (gemeentelijk, provinciaal, federaal), etc. Hij stelt ook de vraag of er niet te veel kerkgebouwen zijn en wat er moet gebeuren met het groeiend aantal leegstaande kerken..

Dit boek is niet geschreven vanuit een defensieve of offensieve stelling. Het wil het publieke debat voeden met correcte en geactualiseerde informatie. Zo vult het een leemte in het Vlaamse landschap, zodat heel wat misverstanden over het geld van de kerk kunnen worden uitgeklaard. Het leest vlot en voor buitenstaanders is er een verklarende lijst van begrippen voorzien. Toch blijft er een probleem. De auteur stelt de inbreng van staatsgelden in het kerksysteem niet ter discussie, wellicht omdat hij de historisch gegroeide toestanden als vanzelfsprekend beschouwt. En dat is voor vele mensen toch wel een moeilijk punt, zeker in een wereld die steeds meer seculier wordt. Het boek zou aan rijkdom gewonnen hebben, indien Delbeke bv. in een slothoofdstuk op dat probleem zou zijn ingegaan. De vergelijking met de andere landen is daarvoor een goede, maar helaas niet uitgewerkte aanzet. [Willy Deckers]”[3]

Het beeld kan hierbij ontstaan dat de kerk het niet breed heeft en dat ze eerder tegen wil en dank bij de staat moet aankloppen om haar werking te kunnen blijven voortzetten. Los van het feit of deze werking dan werkelijk zo’n gemeenschappelijk doel dient, wordt het gebrek aan geld bij de kerk door Sauviller (2010) dan weer ferm tegengesproken. Hij traceert de rijkdom van de kerk naar de verschillende bisschoppelijke paleizen, kerkelijke vzw’s, religieuze orden, educatieve instellingen en dies meer. En zo blijkt er – maar misschien mag dat in België geen wonder heten – nog een deel zwart geld in rond te gaan ook. Zij het dan weer in mindere mate dan bij haar grote broer het Vaticaan.

Dit gezegd zijnde acht ik het vandaag een misplaatste vorm van ideologische identificatie met een machtsinstelling om op te komen voor het behoud van een kerk.

In het verlengde daarvan vind ik ook dat:
2) De gemeenschap niet hoeft op te draaien voor de kosten die een geloof met zich meebrengt, zelf al zou dit (en in navolging hiervan: samen met al haar artefacten) behoren tot het culturele erfgoed. Dit is een gewaagde stelling, daar ben ik mij van bewust, maar ik wil ze zo laten staan om een en ander duidelijk te stellen. Toegegeven, misschien meer voor mijzelf dan voor iemands anders. Momenteel wordt de kerk letterlijk en figuurlijk financieel open gehouden door de gemeenschap (zie ook hoger). Lonen, pensioenen, onderhoud en restauratie van gebouwen, het komt allemaal van vadertje staat, niettegenstaande een duidelijke ontkerkelijking de afgelopen decennia. Een ontkerkelijking die nu eens niet te verklaren is vanuit migratie of beter: vanuit de diversifiëring van de bevolking. Maar dan nog. Zelfs met een overgrote katholieke bevolking zou je in een democratische rechtsstaat toch een strikte scheiding mogen verwachten tussen kerk en staat. Tenzij men bijvoorbeeld, zoals in enkele ons omringende landen, de mensen toelaat via hun belastingaangifte te kunnen aangeven aan welke kerk of geloofsovertuiging ze al dan niet belastinggeld willen doneren. Een idee dat elk decennium wel ergens eens ter sprake komt in dit Belgenland maar vooralsnog de ingang naar het parlement niet gevonden heeft. Zelfs niet via al die liberale denktanks die hier tegenwoordig rondrijden. Dat getuigt m.i. toch van een hoog gehalte aan collaborationisme met het katholieke geloof. Tenminste, als je het mij vraagt.

Tussen haakjes: in werkelijkheid heeft de kerk (lees: het bisdom) in ons voorbeeldgeval (St.-Anna) reeds door de verkoop of de overdracht van het gebouw aan de Stad Gent, toegestaan dat het gebouw een andere functie zou krijgen. Of toch minstens rekening gehouden met de mogelijkheid ervan. Want wat de stad nu doet (het verkopen van een kerkgebouw) is niet meer dan het doorschuiven van een hete aardappel. Maar opnieuw, dat is mijn idee erover.

Misschien moeten de protesten in deze zich beter rechtstreeks tot het bisdom of de kerkfabriek richten? Ik zeg maar iets. Dat geldt trouwens voor nogal wat ‘problemen’ in deze maatschappij. Telkens richt men zich tot de politiek en politici in het bijzonder, alsof zij het antwoord weten en of zij alles kunnen oplossen, en vervolgens is men misnoegd omdat het de verkeerde kant op gaat. Tja.

In ons verhaal maakt het stadsbestuur zich sterk dat de koper van het gebouw ook zal instaan voor de verdere restauratie ervan. Hoe dat uiteindelijk allemaal gegarandeerd kan worden zal iets moeilijker zijn, maar het is niet onmogelijk. Dat geloof ik, omdat het niet de eerste keer is dat een kerkgebouw een andere bestemming krijgt. Of de toekomstige eigenaar echter ook steeds even grootmoedig zal omspringen met dat delicate erfgoed is vingerdik kijken. Zelfs met een hele batterij ambtenaren achter de hand. Maar het is een beetje zoals vandaag in elke kerk doorgaans een zeer broos evenwicht bestaat tussen enerzijds het dagelijkse gebruik en anderzijds de culturele waarde van het gebouw én – niet onbelangrijk – de artefacten of kunstwerken die er zich in bevinden.

Belangrijk in dit alles is de vraag: wat is dat culturele erfgoed? En waarom zouden we het willen bewaren? Bij de classificering ervan gebruikt men vaak een volgende omschrijving: ‘omwille van het algemeen belang, wegens historische, wetenschappelijke en artistieke waarde als zeldzaam’ bestempelde object besluit men x of y te beschermen. Beschermen interpreteer ik als: te vrijwaren van mogelijke schade of te herstellen wanneer er schade is.
Daar is niets mis mee, maar dat brengt wel wat problemen met zich mee.
Dat wil ik aanduiden met een testcase.

Het Lam Gods.
Momenteel wordt het beroemde altaarstuk van de gebr. Van Eyck, het Lam Gods, gerestaureerd door een team restauratoren die verbonden zijn aan het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium. De restauratie zelf vindt plaats in het Museum voor Schone Kunsten te Gent en de kostprijs van deze restauratie wordt voor een groot deel gefinancierd door de gemeenschap. Normaal zou je denken.

Ik wil dit tegenspreken. De exclusiviteit welke vandaag aan een kunstwerk wordt toegeschreven vindt m.i. haar oorsprong in een 19e eeuws marktconform denken die ten tijde van het creëren van het werk niet bestond. Dat men bij aanvang een uniek schilderij liet maken wil ik niet tegenspreken, maar of dit zo uniek is zoals wij dit nu vandaag zien is totaal iets anders. Bovendien past het schilderij binnen een cultus. Zijnde een dagdagelijkse (om niet te zeggen: banale) verering van een bepaalde godheid die gepaard gaat met de beoefening van rituelen en andere godsdienstige hocus pocus die, zoals ook de geschiedenis ons steeds weer leert, beoefend wordt om de mensen te onderwerpen en desnoods een kopje kleiner te maken. Maar ik dwaal af.

Een bewijs voor het ontbreken van de uniciteit van het kunstwerk zoals we dat vandaag zien, zijn bijvoorbeeld de rijkelijke overschilderingen die men heeft aangetroffen op het schilderij zelf en waarvoor tussen haakjes ook nog bijkomende financiële middelen zijn vrijgemaakt. Overschilderingen die dat ‘unieke’ beeld toch aardig hebben aangepast en waarvan men volgens de kerk, zijnde de enige en enigste eigenaar van het werk sinds haar ontstaan – op een paar akkefietjes na die uitvoerig in de geschiedenis zijn gedocumenteerd – geen enkele nota of rekening heeft teruggevonden of zegt te bezitten. Juist.

Nu duiden deze overschilderingen, los van de waan van de huidige restauratoren dat ze het beeld in haar oorspronkelijke toestand willen vrijwaren, m.i. minstens op twee zaken.
1. dat verf heeft geen eeuwig bestaan heeft
2. de wens om het schilderij aan te passen aan de toenmalige wensen/eisen.
Twee zaken die duidelijk losstaan van haar uniciteit. Of beter, zaken die haar uniciteit opheffen.

Tussen haakjes. De geschiedenis van dat werk zelf is trouwens even verhelderend als ontstellend voor wie meent dat een eigenaar zijn/haar patrimonium steeds ‘als een goede huisvader’ beheert, en laten we ook niet vergeten dat de restauratie van het werk ditmaal versneld van start diende te gaan vanwege de jarenlange aangehouden desastreuze presentatiemethode in de kathedraal. Maar ik wil niet muggenziften.

Nu doen we het beter! Ongetwijfeld. Vandaag wordt ons cultureel erfgoed beheerd door mensen die het goed menen en het goed doen. Dat zie je ook aan de cijfers. Of aan de lange wachtrij van gegadigde kandidaten die hopen op een betoelaging voor de reeds jaren ophanden zijnde en hoogdringende restauratie.
Enig sarcasme zal je in deze laatste alinea niet ontgaan. Terecht.
Ondanks een blijvend succes voor zoiets als Open Monumenten Dag, spreken de cijfers die goede bedoelingen tegen. Ik zou zelfs gewag kunnen maken van een commitment tegen het behoud van het culturele erfgoed vanuit de overheidsinstanties zelf. Tenzij het is om de blaam te poetsen natuurlijk. Waarbij dan via verborgen of gecodeerde berichten, denk aan: connivance, zeer selectief te werk gegaan wordt en waarin het verzet tegen het behoud van het culturele erfgoed dan onder de vorm van een oogluikende ambtenarij wordt uitgevoerd. Het wordt ingewikkeld. Maar het bestaat. Daarvoor ben ik hier. Om te zeggen dat juist in de vermeende objectiviteit een selectiviteit zit die werkt langs twee (of zelfs meerdere) kanten.

Op 3) omdat objecten gemaakt door mensen geen eeuwig leven beschoren zijn, heb ik hierboven reeds deels geantwoord. Maar ik wil het verder uitdiepen.
Het getuigt volgens mij van heel veel eigenwaan om te geloven dat dingen een eeuwigheid meegaan. Niet alleen de materiële dingen. Oswald Spengler toonde met de Ondergang van het Avondland (1918-1922) reeds aan dat culturen en samenlevingen, net als mensen, opgroeien, volwassen worden en – jawel – sterven. We kunnen dat jammer vinden, het maakt het er niet minder waar om. De vooruitgangsidee van de ‘maakbare’ Europese cultuur even opzij zetten is een gewaagde sprong. Zeker in tijden zoals vandaag. Maar we kunnen er uit leren wat wel haalbaar is en wat bijvoorbeeld niet wenselijk is. En, als ik mag kiezen tussen een kerkgebouw behouden of, ik zeg maar iets: mensenrechten, nou dan weet ik het wel. Maar misschien is deze vergelijking wat bij de haren getrokken. Misschien vind je Spengler te actief deelnemend (complicit) aan de eertijds Duitse initiatieven en projecten, misschien zelfs te overtuigd van het nationaalsocialisme (conviction)? Dat zegt m.i. dan weer meer over het eigen denken. Voor Spengler was de rede/rationaliteit de grootste verwezenlijking van de westerse samenleving. En hoewel hij evengoed haar einde voorspelde moeten we misschien gewoon nog verder durven denken? ‘To boldly go where no man has ever gone before’. Want, misschien is het anti-verlichtingsdenken van het hedendaags populair tot extreem rechtse politieke speelveld, waar ook ter wereld, wel een wensbeeld om niet verder te hoeven. Om niet verder te denken. Dat alles reeds gezegd en gedacht is wat er te zeggen en gedacht kan worden. Een vrijbrief dus om, zoals dat ook gaat met het totalitarisme, het denken monddood te maken. Omdat het past in hun eng nationalistisch kraam en omdat de vrijheid ophoudt wanneer het denken – tout court – ophoudt.

Kunnen we dus de mogelijkheid voorstellen dat de (westerse) cultuur zoals Spengler dat bedoelde, niet aan haar einde is, maar bijvoorbeeld gewoon een andere weg inslaat? Een weg waar verlichte ideeën nu eens voor echt waargemaakt worden?
Het esprit vrijmaken zeg maar. En, geloof het of niet, dat begint o.a. bij het afwerpen van dat juk van het geloof.

Trouwens, als al het andere in deze wereld middels de wet van vraag en aanbod zou bestaan, waarom zou de kerk, en dan bedoel ik dit veelzijdig: zowel het gebouw in kwestie, haar attributen, haar kunstvoorwerpen en de instelling op zich, daarvan uitgesloten zijn?

4) omdat mensen nu eenmaal hun voedsel ergens moeten halen (en een functionele kerk doorgaans geen eten biedt). Dit spreekt voor zich, toch zou het interessant zijn om te weten hoe de spreidingsgraad van kerken zich verhoudt ten opzichte van bakkers? (Dit is een uitnodiging voor zij die zich geroepen voelen.)

5) omdat kerken in de loop der geschiedenis vaak meer waren dan enkel die heilige gebedshuizen waarvan sommigen (nu) menen of geloven dat ze dat zijn. Ik kan mij voorstellen dat de lezer na zes pagina’s fulmineren tegen kerkgebouwen het wel gehad heeft. Toch meen ik het beste als laatste te hebben overgehouden.

Er bestaan mooie prenten en schilderijen van kerkinterieurs waarop te zien is wat er allemaal in die gebouwen gebeurd. Toegegeven, een schilderij is niet per definitie een historisch feit. Maar ik geef de voorbeelden toch maar mee al was het maar opdat de tegenstanders zich dan kunnen inbeelden wat er nog allemaal mogelijk is.. Van de vier voorbeelden die ik hier geef (en ik heb niet echt moeite gedaan om te zoeken), zijn er drie van Nederlandse afkomst en dus meer dan waarschijnlijk met een protestantse invloed tot stand gebracht. Slechts één voorbeeld is van een onmiskenbaar Belgische tenor.



Koeien in de Kerk . Geschilderd door Pieter Gerardus van Os (1776-1839). Dit schilderij verbeeldt het verhaal van schuilende koeien in de Oostzijderkerk te Zaandam (Noord-Holland) in februari 1825, ten gevolge van watersnood. In 1916 werd de Zaanstreek opnieuw door hevige watersnood geteisterd en ook toen namen de gedupeerde inwoners samen met het vee hun toevlucht tot de kerkgebouwen. Het is een mooi voorbeeld van hoe kerken in uitzonderlijke situaties een uitzonderlijke functie kunnen krijgen. Zoals vandaag ook wel kerken gebruikt worden als toevluchtsoord voor vluchtelingen, armen,..
Maar dit zijn uitzonderlijke situaties.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 




 

 

 

 

 

 

 

Kerkinterieur: de Nieuwe Kerk te Amsterdam. Tekening van J. Stolker (naar P.J. Saenredam) d.d. ca. 1760[5]. Een mooie prent waarop helemaal achteraan wel een priester op het preekgestoelte staat, maar waar vooraan precies weinig gehoor aan gegeven wordt. Merk ook de aanwezigheid van honden in de kerk en zelfs iets wat op graffiti lijkt op het basement van de bundelpijler rechts.

 




 

 

 

 

 

 
Interieur van de Oude Kerk te Amsterdam (1659), Emanuel De Witte[6].
Hier wordt de kerk duidelijk afgebeeld als ontmoetingsplaats. Er is weinig tot geen devotie aanwezig. Eerder animositeit. Het hondje links staat op het punt het op een lopen te zetten, mogelijk naar zijn soortgenoot aan de rechter zijde. Misschien blaft het wel, want wat weerhoudt het hondje dat te doen? Twee heren op de voorgrond zijn in bespreking en op de achtergrond dreigt een kind een stokslag te krijgen van een volwassen man. Het leven zoals het is.

 




 

 

 

 

 

Middeleeuws tafereel in een kerk(?), 1833, door Gustaf Wappers[7]
Met een prent van G. Wappers wil ik afsluiten. Biddende figuren op de achtergrond en een nors ogende geestelijke op de voorgrond. Of wat dacht je dat pastoors en geestelijken zoal doen en gedaan hebben in het verleden met hun schapen? Goed goed, Vangheluwe zal zijn ‘koorknaapje’ niet op het altaar of in de biechtstoel hebben aangerand, maar wie zegt dat? Of hoe men met de mantel der liefde de meest gore putjes bedekt houdt. Om maar te zeggen dat veel dingen mogelijk zijn in een kerk. Dus waarom niet winkelen?

[1] J. Judaken, “Intellectuals, culture, and the Vichy years: reappraisals and new perspectives”, in: Contemporary French Civilization, 31 (2007), 2, p. 84.

[2] Pieterjan De Coninck, De kerk in het midden houden? Houdingen van de diocesane clerus van de bisdommen Gent en Brugge tijdens de Tweede Wereldoorlog, proefschrift UGent voor het behalen van de mastertitel in Geschiedenis, academiejaar 2013-2014, p. 16

[3] Copyright (c) Vlabin-VBC20031231http://www.deleeswolf.be

 [4] https://onh.nl/verhaal/koeien-in-de-kerk

[5] https://www.boijmans.nl/collectie/kunstwerken/133821/kerkinterieur-de-nieuwe-kerk-te-amsterdam-naar-een-schilderij-van-pieter-saenredam

[6] https://www.hamburger-kunsthalle.de/sammlung-online/emanuel-de-witte/die-oude-kerk-amsterdam

[7] https://www.fine-arts-museum.be/nl/de-collectie/gustaf-wappers-middeleeuws-tafereel-in-een-kerk?artist=wappers-gustaf-1

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!