De Black Panthers en de Young Patriots

De Black Panthers en de Young Patriots

maandag 24 juli 2017 15:55



William ‘Preacherman’ Fesperman

Hoe een groep arme ‘blanken’ in Chicago zich verbond met de Black Panthers in de strijd tegen racisme en kapitalisme.

 In juli 1969 organiseerde de Black Panther Party (BPP) een grote meeting in Oakland die radicale groepen uit het hele land aantrok. Zij noemden de samenkomst Conference for a United Front Against Fascism.

 Op een zaterdagmiddag, tussen lezingen van vertegenwoordigers van de communistische partij, de vakbond van landarbeiders en de SDS (Students for a Democratic Society), betrad een man, die een grote broeksgesp met gekruiste pistolen droeg, het podium. Een donkere bril verborg zijn ogen en op zijn jas en baret prijkten zuidelijke vlaggen.

 ‘Wij komen voort uit een monster,’ zei hij met een zwaar zuiders accent. ‘En de kaken van het monster vermalen het vlees en spuwen het bloed van arme en verdrukte mensen, de zwarten in South Side; de bruinen in North side; en de roden en gelen; en ja, de witten –  witte verdrukte mensen.’

 De naam van de spreker was William ‘Preacherman’ Fesperman, en hij was lid van de Young Patriots Organization, een radicale groep die bestond uit jonge mannen van de armoedige North Side. Het doel was om arme witten te organiseren in het opkomen voor zichzelf, dit in solidariteit met de gekleurde gemeenschappen.

De organisatie bestond slechts enkele jaren, maar stond voor een radicale visie: de stemloze witten konden de ketenen van racisme afgooien en samen met zwarte en bruine mensen werken aan een nieuwe samenleving.

 Decennia later bieden de Young Patriots en hun ‘Rainbow Coalition’ nog steeds een opmerkelijk model voor linkse politiek.

‘Hillbilly Harlem’

The Young Patriots kwamen voort uit de Uptown buurt, een dichtbevolkte sloppenwijk vol arme witten die na de tweede wereldoorlog uit het landelijke zuiden waren gemigreerd. De meesten waren de kwijnende steenkoolindustrie in Appalachia ontvlucht en ze brachten hun cultuur mee: zuidelijke vlaggen versierden de bars, uit de biljartzalen klonk country muziek. Tegen het midden van de jaren 60 spraken de lokale dagbladen van ‘Hilbilly Harlem’ wanneer ze het over Uptown hadden en schilderden de buurt af als een hol van misdaad en verdorvenheid.

 Hy Thurman was een typische jonge bewoner van de verarmde buurt. Hij groeide op in Dayton, Tenessee. Zijn hele familie had als landarbeider gewerkt, overlevend met het plukken van bonen, maïs en aardbeien. Armoede vergezelde zijn jeugd. ‘Mijn moeder en oudste zus hadden dezelfde schoenmaat,’ herinnerde hij zich in een interview, ‘maar zij hadden maar één deftig paar schoenen. Mijn zus droeg ze om naar school te gaan en toen zij thuiskwam droeg mijn moeder ze om naar de stad te gaan.’

 Zijn oudere broer Rex vertrok naar Chicago toen Hy zo’n 14 jaar was. In 1967 volgde Hy zijn broer naar het noorden. ‘Wij dachten dat Chicago het beloofde land was,’ zei hij. ‘je kon er een nieuwe start maken. Maar algauw moest ik ondervinden dat dit niet klopte.’ Soms werkte hij als dagarbeider. Wanneer dat niet lukte verkocht hij zijn bloed om te overleven.

 Toen Hy in Uptown arriveerde was zijn broer lid geworden van de straatbende Goodfellows, die zich verbonden had aan de organisatie JOIN (Jobs or Income Now), een initiatief van de SDS dat opkwam voor huisvesting en sociale bijstand. De organisatie verzette zich tegen het beleid van burgemeester Richard J. Daley dat berustte op vriendjespolitiek en politiegeweld om de bewoners onder controle te houden en gentrificatie te stimuleren.

 Zich organiseren tegen brutaliteiten van de politie was de hoogste prioriteit voor de Goodfellows: de jongelui hadden constant te maken met aanhoudingen, controles en fysiek geweld van de plaatselijke agenten. De activisten van SDS drongen aan op behoedzaamheid maar hielpen toch de Goodfellows om een protestmars te organiseren naar het plaatselijk politiekantoor in augustus 1966. Ongeveer driehonderd buurtbewoners namen deel aan de manifestatie.

 Maar de politie sloeg snel terug met een razzia in het JOIN kantoor en in een sympathiserende kerk. Enkele dagen later doodde de politie een lid van de Goodfellows, hij werd in de rug geschoten terwijl hij wegliep van een gevecht.

 In de nasleep van de protestmars kwamen de toch al sudderende spanningen in JOIN tot het kookpunt. De middenklasse organisatoren van SDS werden als verstikkend ervaren en de Goodfellows richtten de Young Patriots Organization op: een beweging, verkondigden ze fier, door en voor ‘hilbillies’. Zij ontwierpen een elf-punten programma en kozen symbolen: de vlag van de zuidelijken aangevuld met black power buttons op hun revers.

 Weldra waarden de Thurmans en de andere Patriots rond in de bars en biljarthallen van Uptown om bendeleden te recruteren en hun doctrine van radicale hillbilly zelfbeschikking te verspreiden – een mengeling van Hank Williams en Frantz Fanon.

 De oorspronkelijke Rainbow Coalition

In de herfst van 1968 nodigde een Methodistische kerk de Young Patriots en Bob Lee van de Illinois BPP uit om te spreken over hun werk. Het publiek – hoofdzakelijk wit, progressief en middenklasse – was nieuwsgierig naar de Panthers maar reageerde met onverholen vijandigheid op de Patriots. Lee wist niet wat hij zag: witte mensen die witte armen aanvielen. Hij nam het op voor de Patriots. Daarna stelde hij voor dat beide groepen zouden samenwerken.

 Het was een grootse onderneming. Toen, net als vandaag, was Chicago scherp verdeeld door etnische breuklijnen. Voor hij het idee van een bondgenootschap naar voor bracht bij Fred Hampton, de voorzitter van de Illinois Panthers, bracht Lee drie weken door in Uptown om de Patriots en hun buren te leren kennen.

 Maar Hampton was heel enthousiast over Lee’s voorstel en noemde het nieuwe verbond de ‘Rainbow Coalition’. Hij aanvaardde zelfs dat de Patriots de confederatievlag gebruikten. Volgens Thurman had Hampton gezegd: ‘Als we dat kunnen gebruiken om ons te organiseren, als wij er mensen mee kunnen raken, dan moeten we het doen.’

 Vanuit deze aanvankelijk samenwerking, breidde de Rainbow Coalition uit met het opnemen van de Young Lords, een radicale Puerto Ricaanse groep. Rekruterend in jeugdbendes probeerde de coalitie zich te organiseren op basis van solidariteit ten aanzien van onderwerpen als politiegeweld en armoede. Ze betoogden eensgezind in Grant Park tegen het gentrificatieprogramma van burgemeester Daley, tegen armoede en politiegeweld. Ze bezetten gebouwen om betere gezondheidszorg en huisvesting te eisen voor hun gemeenschappen.

 Ook de Young Patriots breidden uit, ze wierven nieuwe leden – waaronder ‘Preacherman’ Fesperman die met zijn retorisch talent de boodschap van de Patriots in bredere kring verspreidde – en legden contacten met de autochtone Amerikaanse gemeenschap in Uptown. Ze begonnen met het aanbieden van gratis ontbijt en openden een buurtziekenhuis. Zo brachten ze de lessen van de Panthers aan de Rainbow Coalition in de praktijk: over het voorzien van basisdienstverlening in lang verwaarloosde buurten.

 Daley’s bestuur herkende een gevaar wanneer het er één zag. Het ondernam snel stappen om het opbloeiend verbond de kop in te drukken. De politie doekte het gratis ontbijt programma van de Patriots op en oefende druk uit op de verhuurder om het ziekenhuis te sluiten. Agenten werkten samen met de FBI om te infiltreren en de aangroeiende coalitie te ontwrichten.

 En dan, de zwaarste klap van allemaal. Op 4 december, vijf maanden na de conferentie in Oakland, doodde een afdeling van de politie die optrad als een speciale eenheid van de openbare aanklager, Hampton in een nachtelijke bestorming van zijn woning.

Zijn dood vernietigde de beweging en joeg angst door Chicago.

Thurman en de andere Patriots doken onder. ‘Niemand wist wat er aan de gang was,’ zei hij bij een beschrijving van de uitzinnige sfeer na de moord. ‘Je wist niet of je de volgende op de lijst was.’

 De moord op Hampton versterkte ook de spanningen binnen de groep, die al uit elkaar begon te vallen. Fesperman en de Panther leiding wilden dat de Patriots op nationaal niveau begonnen te organiseren, maar de Patriots stonden erop om voorlopig nog op het lokaal niveau te blijven.

 In 1970 scheurde Fesperman zich af en richtte de Patriot Party op, met hoofdkwartier in New York en een handvol landelijke afdelingen. Maar Fesperman kreeg te maken met repressie: de politie viel de kantoren in New York en de Oostelijke kust binnen.

 In Chicago beschuldigde de politie de Young Patriots ervan een bomaanslag te plannen en hield de leidende figuren aan. Ze sloten ook medestanders op die behoorden tot kerken en andere communities. Zij die niet gearresteerd werden verdwenen uit het zicht en velen trokken weg, wat het einde betekende voor het streven van de Patriots.

 De naam Rainbow Coalition bleef bestaan, of toch zeker de inhoud ervan. In 1983 maakte Harold Washington van het model gebruik om de Daley machine te verslaan en de eerste donkere burgemeester van de stad te worden. Jesse Jackson gebruikte de naam en de aanpak voor de organisatie die voortkwam uit zijn revolutionaire presidentiële campagne van 1984 en hem leidde naar zijn kandidatuur in 1988. David Axelrod baseerde zich op wat hij leerde tijdens H. Washington’s herverkiezingscampagne van 1987, om Barack Obama te laten verkiezen als president.

 Mainstream democraten als Axelrod pikten wel de strategie op, maar lieten de oproep tot klassensolidariteit vallen. Zij promoveerden een politiek die stond voor politieke deelname van verschillende etnische groepen maar met weinig essentieel nut – t.t.z. niets van radicale verandering.

Een andere weg

Sinds de presidentiële verkiezing van november 2016 heeft er een strijd gewoed over ‘ras’ en klasse die even bits was als misleidend. De Young Patriots en hun kameraden bieden een andere weg.

 ‘De Rainbow Coalition ging over identiteitspolitiek,’ zei Jakobi Williams, auteur van From the Bullet to the Ballot: The Illinois Chapter of the Black Panther Party and Racial Coalition Politics in Chicago. “De mensen werd niet gevraagd hun identiteit op te geven, maar om hun identiteit te gebruiken op een manier die tot samenwerking leidt tegen armoede of om het even welk onderwerp dat zij belangrijk vonden.’

 Ondanks het korte bestaan toonden de Young Patriots en de Rainbow Coalition dat lagere klasse bewegingen belangrijke verschillen (zelfs confederatievlaggen) kunnen overbruggen om samen te werken rond onderwerpen als armoede, corruptie en politiegeweld. De felle tegenstand die zij ondergingen van de elites, zowel progressief als conservatief, onderstrepen de kracht van hun radicaal project.

 Enkele jaren geleden herstartte Hy Thurman twee afdelingen van de Young Patriots in Alabama. Hij trok ondertussen een groep aanhangers van de jonge generatie aan. Een etnisch gemengde groep van tieners en twintigers zocht contact en steunde zijn project, na het leren van zijn geschiedenis. Thurman zocht samenwerking met Chuck Armsbury, een voormalig lid van de Patriot Party die in de landelijke Washington State woont. Hun doel: de organisatie nieuw leven in te blazen als tegengif voor de intense wanhoop in de witte gemeenschappen van armen en arbeiders.

 Het is een zware opgave. Maar van één ding kunnen we zeker zijn: Fred Hampton en ‘Preacherman’ Fesperman zouden trots zijn.

 Vertaling van het artikel van Michael McCanne:

https://jacobinmag.com/2017/05/black-panthers-young-patriots-fred-hampton

Black Panther bob Lee organiseert Young Patriots: https://www.youtube.com/watch?v=js7SIWw7yEE

Michael Jordan brengt Fred Hampton speech: https://www.youtube.com/watch?v=MnCK8wBAiKw

 

right on …

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!