De beleidsnota armoedebestrijding: Tussen droom en daad

De beleidsnota armoedebestrijding: Tussen droom en daad

dinsdag 28 oktober 2014 19:04

De theorie & de praktijk

Met de komst van
de beleidsnota’s is er eindelijk een volwaardige gelegenheid om
gefundeerde en eerlijke bemerkingen te geven op het beleid dat de
regering Bourgeois de komende jaren wil voeren. Beroepsmatig en
dwangmatig ging mijn eigen interesse eerst en vooral uit naar de
beleidsnota armoedebestrijding van minister Homans. Deze begon met een
vage, ietwat obligatoire omgevingsanalyse, waar twee passages weliswaar
de aandacht trokken.

Ten eerste wordt de theorie van de
bandbreedte aangehaald. De theorie van de bandbreedte is een theorie die
op punt werd gesteld door Eldar Shafir, psycholoog aan de prestigieuze
Universiteit van Princeton, en Sendhil Mullainathan, econoom aan de
Universiteit van Harvard. Samen publiceerden zij een boek waarin werd
gesteld dat armoede letterlijk de bandbreedte (en het IQ) van mensen
aantast. De zogenaamde “domme beslissingen” zijn dus een gevolg van
armoede, en geen oorzaak. Ook de aanklacht van de ongelijke
vermogensverdeling is bijzonder te noemen, gezien het feit dat op
federaal niveau, waar dezelfde partijen aan de macht zijn vermogens
verhoudingsgewijs onaangeraakt blijven en ook de partij van Homans de
ongelijke vermogensverdeling niet als prioritair te bestrijden ziet.

Wat
het lokale beleid en haar actoren betreft, zal het OCMW op termijn
volledig verdwijnen in de gemeentelijke structuren. Dit hoeft niet
negatief te zijn. De gegarandeerde focus op armoede die een aparte
gemeentelijke entiteit in theorie met zich meebracht, was in de praktijk
al makkelijk te omzeilen door het beperken van de middelen. Een deel
van de opgebouwde expertise zal wel verdwijnen. Vraag is hoe de
geïntegreerde sociale dienst zich van haar taak zal kunnen kwijten in
een gewijzigde bestuurlijke context. De VVSG pleit bijvoorbeeld voor het
verzelfstandigen van het ‘sociale luik’ binnen de gemeente in een
extern verzelfstandigd agentschap. Vraag is hoe nuttig dit zou zijn,
aangezien het mogelijks zou leiden tot een status quo, waarbij er veel
moeite wordt gedaan om op hetzelfde punt te eindigen.

Het
fundamentele vraagstuk is of een integratie van de sociale diensten van
het OCMW in de gemeente de lokale armoedebestrijding efficiënter zullen
maken. Een integratie brengt namelijk, zeker het eerste jaar, een focus
op de interne structuren op gang, waardoor de dienstverlening niet zal
verbeteren en waarschijnlijk zelfs even zal verslechteren. Daarvoor zou
een schaalvergroting tussen OCMW’s onderling wel een oplossing voor
kunnen bieden. Maar dit is politiek en organisatorisch onhaalbaar. Het
is dus niet duidelijk waarom de Vlaamse regering denkt dat een
integratie voor een beter armoedebeleid zou zorgen, los van het
verminderen van het ambtenarenkorps en de wirwar aan mandaten.

Maatregelen gewikt en gewogen

Het
moet eerst en vooral opgemerkt worden dat het positief is om
structureel en proactief te werk te gaan. Er moet inderdaad voor gezorgd
worden dat het geld dat verloren gaat aan structuren, overleg en
overlegstructuren tot een minimum beperkt blijft. De projectmatige
aanpak van de strijd tegen armoede heeft zijn verdiensten, maar de vraag
is in welke mate we niet collectief investeren in druppeltjes op een
gigantische hete plaat. Wanneer men bijvoorbeeld een geïntegreerde
aanpak vraagt, met een verplicht aantal actoren en inspraak van de
doelgroep, heeft dit in de praktijk vaak tot gevolgd dat er een moeizaam
functionerend overleg komt, waarbij het uiteindelijke doel uit het oog
wordt verloren.

De sleutel ligt, zo wordt hier ook aangegeven,
sowieso bij de automatische rechtentoekenning, de meest directe ingang
voor het bestrijden van onderbescherming. Als iedereen die recht op iets
heeft, het automatisch krijgt dan is dit vanuit de principes van
efficiëntie, maximale bescherming maar even goed rechtvaardigheid het
ideale scenario. Onderbescherming is echter geen bewijs van een
ineffectief beleid, maar wel van een te complex systeem van uitkeringen
en toekenningen, met voorwaarden en controlemechanismen. Een
administratieve vereenvoudigde insteek als alternatief voor de
automatische rechtentoekenning is dan ook niet voldoende om de meest
kwetsbaren alsnog betere te beschermen. En dat geldt al helemaal voor
het proactief informeren over sociale rechten d.m.v. de
interbestuurlijke producten- en dienstencatalogus (IPDC), aangezien er
in de omgevingsanalyse zelf wordt aangetoond dat de digitale kloof een
realiteit is bij laagopgeleiden en de meest kwetsbaren.

Het
principe van de armoedetoets is ok, maar de vraag is hoe consequent of
vrijblijvend deze wordt toegepast. Ten eerste kan men zich vragen
stellen over hoe bepaalde aangekondigde besparingen van de regering
Bourgeois de armoedetoets zouden doorstaan. Ten tweede kan men zich
vragen stellen over de effecten van het federale beleid op de armoede en
hoe deze de mazen van de armoedetoets ontglippen. Ten slotte zou men
ook moeten nadenken over een kansarmoedetoets, waarbij men inzake
regelgeving en maatregelen ook rekening houdt met hun begrijpbaarheid en
laagdrempeligheid. Decreten en besluiten zijn onleesbaar voor de modale
leek, sociale voorzieningen en toekenningen vaak gekoppeld aan een
karrevracht voorwaarden, procedures en controlemechanismen. Wie de
onderbescherming wil aanpakken, pakt eerst en vooral de overregulering
aan.

Het luik over gezonde voeding wijkt eigenlijk af van de rest
van de beleidsnota, omdat er hier wel concreet wordt ingegaan hoe men de
wollige intenties wil verwezenlijken. Het is zeer positief dat men de
gebrekkige toegang tot gezonde voeding wil compenseren door
voedseloverschotten en voedselverlies aan te pakken. Dat wordt
aangegeven dat dit niet per se gratis moet, is logisch. De toegang tot
gezonde voeding moet zo ver mogelijk van een aalmoezensysteem worden
weggehouden. Emancipatorische kanalen als sociale kruidenierszaken of
sociale restaurants lijken hiervoor het meest geschikt te zijn.

De
focus op kinderarmoede en gezinnen is ook logisch. Ook de vorige
regering zette hier op in. Het is wel degelijk een succesvolle
strategische keuze, aangezien men onmogelijk kinderen kan verwijten dat
ze in armoede moeten opgroeien. Het is ook positief dat wordt aangegeven
dat het vroeg aanpakken van kinderarmoede op termijn geld uitspaart.
Maar dat geldt evenzeer voor investeren in ‘gewone’ armoede, zeker als
we zouden kijken naar bijvoorbeeld de gezondheidskosten. Deze stelling
is al veel minder populair bij het brede publiek. De intentie om mensen
en gezinnen eigen keuzes te laten maken, hen hiervoor tijd en ruimte te
geven en dit los van context, baadt opnieuw in een vage wolligheid. Het
strookt overigens niet met de visie van de Vlaamse en federale regering
op activering en het rechten-plichtendiscours.

Het laatste stuk
gaat, ietwat zelfgericht, over het eigen beleid en de beleids- en
overlegstructuren. Dooddoeners als ‘geïntegreerd’, ‘efficiënt’,
‘horizontaal’, ‘verticaal’, ‘interdisciplinair’, ‘gedeelde
verantwoordelijkheid’ en ‘breed gedragen, gezamenlijke visie’ passeren
de revue. Het wijst op het feit dat ondanks de wil om het structureel
aan te pakken, de structuren in de weg blijven staan. En dus is er een
overlegstructuur nodig om te netwerken en af te stemmen tussen het
Europese niveau, de regelgeving en beleidsprioriteiten, het federale,
met hun eigen focus, het Vlaamse en het lokale. Kort samengevat, wie een
efficiënte armoedebestrijding is, moet vooral samenzitten om daar voor
te zorgen. En zo zijn we terug naar af dankzij het opbod aan niveaus en
actoren.

Goede intenties, maar welke invulling?

De
beleidsnota armoedebestrijding 2014-2019 van Liesbeth Homans kan
inderdaad als ‘sociaal maar niet socialistisch’ worden omschreven. Heel
wat van de aangekondigde maatregelen zijn positief en ook in het
federale regeerakkoord stonden intenties die mensen in armoede
structureel vooruit zouden kunnen helpen. Alleen blijft alles heel vaag
en heel strategisch. Ook is het niet zelden inconsequent met bepaalde
aangekondigde maatregelen die regionaal of federaal zijn aangekondigd.
Uit deze beleidsnota komt een visie op armoede naar voor waar
zelfredzaamheid, maar op eigen tempo en conform eigen daadkracht, naar
voren wordt geschoven. De visie op pakweg activering, arbeid of sociale
fraudebestrijding gaat helemaal de tegenovergestelde richting uit. Vraag
is dus of de goede intenties ook een trouwe uitvoering zullen kennen.

Veel
zal ook afhangen van de invulling die men aan de verschillende
doelstellingen en acties zal geven. Te vaak worden open deuren ingetrapt
en wordt de specifieke invulling of uitgeslagen richting in het midden
gelaten, waardoor er nog steeds geen zicht is op wat het geplande beleid
precies inhoudt en hoe sociaal het armoedebeleid echt is. Er worden dus
wel degelijk kansen gemist om een echt ambitieus plan voor te leggen.
Dit ligt natuurlijk ook aan het feit dat nog heel wat belangrijke
instrumenten op federaal niveau liggen. De mogelijke afschaffing van de
tewerkstellingsmaatregel artikel 60§7 is echter een bewijs dat de
overgedragen instrumenten ook niet optimaal worden ingezet. Het betreft
hier nochtans een structurele maatregel, die in een moeilijke
arbeidscontext kansarmen echt vooruit kan helpen.

Tot slot nog een
kleine bedenking over het inschakelen van wetenschappelijk onderzoek.
Uit de omgevingsanalyse blijkt al dat er ook hier selectief wordt mee
omgegaan. De theorie van de bandbreedte bijvoorbeeld zou een radicaal
ander activeringsbeleid impliceren. De wetenschappelijke studie wordt
dus wel aangehaald, maar de eventuele gevolgen voor het te voeren beleid
volgen niet. Daarnaast is er ook meer en meer bewijs dat efficiënte
armoedebestrijding wel eens een kwestie zou kunnen zijn van het verlenen
van steun zonder bijkomende voorwaarden of controle, ook als deze
financieel van aard is. Dit lijkt ook genegeerd te worden, al ligt ook
hier, opnieuw, de sleutel op het federale niveau. En laat daar de eerste
berichten allesbehalve hoopgevend te zijn.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!