CORONAIRE WEZENSKENMERKEN

vrijdag 31 juli 2020 09:09
Spread the love

‘We maken er in de gegeven omstandigheden het beste van.’ – ‘Er zijn ergere zaken.’ – ‘We doen wat van ons verwacht wordt.’ – Men went aan alles.’ – ‘We houden ons sterk.’ Vanop de afstand die we bewaren gonst het van dit soort rationaliserende gemeenplaatsen. Daarnaast heeft zich een mondiale newspeak en woordenschat ontwikkeld waarin de meest ordinaire vindsels. Ik krijg ze niet uitgesproken, nog minder geschreven. In onze vals positief ingestelde samenleving worden we geacht te blijven lachen. Met deze maal een economische tunnel waaraan maar geen einde komt. Wij, oudjes [soms outjes], hebben al wat generaties beleidsmakers zien passeren sinds een eerste minister ‘licht aan het einde’ tot slogan van algemeen belang verhief. Het vooruitzicht had toen nog enige relevantie.
Vandaag lijkt de burger zich haast te vereenzelvigen met de politieke lijzigheid van het ogenblik. Er is groot en gerechtvaardigd protest zonder perspectief. Opeenvolgend ‘nooit meer oorlog’ zonder enig eensgezind plan van aanpak. Het komt en gaat. Volgens wetten van nieuwswaarde. ‘Hoe heet dat meisje uit Zweden ook weer? Even googlen’. We drijven.

Ons omgaan met de actuele wereldziekte past in die schuit. Het ene dramatische cijfer haast zich om de volgende negatieve voorspelling te verdringen. Het regent toegevoegde experten die elkaar tegenspreken maar elkaar overtreffen in nakende rampen en doembeelden. Terwijl ik mijn oenologisch mondgevoel toepas op het begrip ‘coronaprofilering’, blijf ik me erover verbazen hoe trefzeker de woordvoerders van nationale, provinciale, lokale veiligheidsraden zich tonen over hun beslissingen. Ze staan boven zichzelf. Hun wetenschap kent, net als de natuur en als infecties, weinig mededogen. Dit Weten [=waarheid] laat geen plaats voor, bijvoorbeeld, gerede twijfel of veerkracht. Dat laatste is jargon uit de menswetenschappen. Niet-wetenschap, dus. Frivoliteit van de geest. Aan kunst verwant.

We ondergaan. Met randschade. De [doods]angst en de overlevingsreflexen zitten er stevig in. Blij dat we [ik] nog in leven zijn [ben]. Op een golfbeweging van traan op dag één, lach op dag twee en foute verwachting op dag drie stevenen we af op een collectieve depressie of lokale volksopstanden. In of na het najaar. In juli en augustus lijkt het tallozen gestolen te kunnen worden. Ze zullen en zullen vakantie beleven. Er in alle opzichten eventjes tussenuit. Het na- en vooruitdenken op nul.

Het evenwicht tussen belonen en straffen is een uiterst complexe en delicate opvoedingsvaardigheid. In stijgende lijn krijgen we verbod, verstrenging en onze slechte rapporten gecommuniceerd. Goed voor ons welbevinden is het niet. Het is ook niet correct. Hebben we ons dan niet tot het [relatieve] uiterste ingespannen?

Vorige week barstte een uitermate stabiele vriend zonder aanleiding in tranen uit. ‘Ik raak uitgeput’ zei hij ‘ van het niet meer weten wat mag en niet mag, van alle tegenstrijdigheid aan informatie op zulke korte tijd.’ Niemand van ons kon [of mocht] troosten.
Zo worden we iedere dag meer elkaars vijand. We nemen elkaar waar als wandelende ziektekiemen. Men is [potentieel] besmet of besmetter. Tussenwegen zijn irrelevant. Het applaus en de solidariteit van maart-april liggen al ver achter ons. Vrijwel alle witte vlaggen liggen in de lappenmand of zijn letterlijk gestreken. De bevestiging dat we snel vergeten.

Hoe moet het intermenselijk nu verder? In meerdere opzichten leren we bij aan vermijdingsgedrag. Het aantal maal dat ik mensen in een bocht om me heen zie lopen is niet meer te tellen. Niezen durf ik niet. De sociale controle en zelfcontrole krijgen een behoorlijk negatieve grip.

Teveel iemand die blijft inzetten op het gezonde verstand, ben ik nog steeds geen fanatieke roeper om de meest onverbiddelijke mondmaskerplichten, zeker niet als men die – als nu – zo lokaal, arbitrair, gratuit, divers, inconsequent, subjectief, slecht onderbouwd oplegt. Waarom straat A wel en straat B niet, waarom gemeente C wel en gemeente D niet, mist grond, lijken me verdacht vaak met de vinger boven een stadskaart aangewezen. Churchill, Stalin en Roosevelt legden op die objectieve manier ook na-oorlogse landgrenzen vast en hun vereeuwigende foto’s. Meermaals zie ik subjectief als objectief verkocht worden, macht als bekommernis.

Mijn persoonlijke veiligheidsraad verplicht de experten en betrokken politici om met ingang van vrijdagavond 31.07 – 22.00u bij iedere persconferentie en interview een mondmasker te dragen en enkel nog boekdelen met hun ogen te spreken. De afstand tussen interviewer en geïnterviewde dient exact 2,33m te zijn. Microfoons worden op een kleine kraan met zwaaiarm bevestigd en na elke toelichting grondig ontsmet. Zeker bij het ventileren van louter eigen meningen. Het zijn superverspreiders [één van die vindsels – dan toch genoteerd]. Foto’s of afbeeldingen van het gelaat van betrokkenen zonder mondmasker zullen zonder uitzondering leiden tot onmiddellijk publicatieverbod. Dit voor alle nieuwsmedia. Bij overtreding volgt inning ter plaatse van de helft van de wedde. Wat in het rechtse Oostenrijk kan, kan hier zeker.

Het mondmasker egaliseert, anonimiseert. We tonen ons ware gelaat niet meer.
Momenteel zijn onze ogen wat ons nog aan ‘gelaat’ rest. Ondertussen kijken we elkaar ook zelden nog aan, tenzij negatief dwingend [‘Jij moet aan de overkant van de straat zijn, mijnheer’ – ‘Dit is een bushalte, mijnheer, wij dragen daar een mondmasker.’]. ‘Wij’ staat dan voor de goede gelovigen.

Wat mis ik het: een prettige gelaatsexpressie, mensen zien glimlachen, onze geliefden kunnen aanraken. De mimiek voegt noodzakelijke informatie toe aan het feitelijke, op zich vaak brutale of kille ‘woord’. Zo tonen we mededogen, ironie, twijfel, verdriet. Onze ogen zijn heus niet de enige spiegel van onze ziel en van de schoonheid ervan. Als men onze lichtjes in onze pupillen loskoppelt van ons rijk potentieel aan lichaamstaal, aan expressie, worden we hologig.

Onze handen behoren tot de grootste schuldigen, zijn gereduceerd tot kwalijke overbrengers. Vriendschap trachten te betuigen bij een overlijden staat synoniem voor het in gevaar brengen van een andere geliefde. Mijn sociale onhandigheid wordt eindelijk een letterlijke troef.
Peter Piot die – als zeventiger volledig zen – ons zonder verpinken uitlegt dat we het mogen vergeten elkaar in het nieuwe normaal nog ooit een hand te zullen geven. Voor gesloten tactiele wezens als ik is zo’n verdict niet minder dan een vuistslag.

Welke omgangsvorm hebben de experten, naast ‘in de fout gaan’, in gedachten? Welk mensbeeld? Welke genegenheid?

Zouden ze het aandurven de ellebogengroet te institutionaliseren? Ze zouden er de revolutionairen in ‘The Live of Brian’ mee naar de kroon steken. Dergelijke vorm van contact kan toch niemand ernstig nemen? Het is de verbanning van de wereldbevolking naar Absurdistan.

Zullen ze er straks op aandringen strelen en gestreeld worden [die handen – die handen], intimiteit, lichamelijk genieten, zoenen, tederheid, kinderlijk handjeklap bij wet te verbieden?
Handenvrij strelen. Ik heb het geprobeerd. Het lukt niet, ook niet als ik ze grondig boven en onder gewassen heb.

Waar bevindt zich het zoekende, voelende, verbindende, sociale wezen Mens in hun instructies? Dat wezen loopt zo al een beetje verloren in het universum en dreigt nu helemaal iedere vorm van hartelijk noorden kwijt te raken.Op welke open manier [me zoveel liever dan de verdoken versie] mogen onze jonge alverliefden elkaar nog zoeken en vinden? Wordt tongzoenen opnieuw een gevaar, een schande, iets voor de donkere achterkamer?
Dit alles, beste politiek verantwoordelijken, is een heel andere motor dan de draaiende homo economicus.

Onze dagelijkse samenleving van de lage landen heeft geen warmte op overschot. Wat een tegenwicht biedt ons onze Warmste Week, zeg. Op een vaak ontroerende manier exploreren we de immens bindende en steunende kracht van onze generositeit. Tegen alle droogstokken in, die hiermee uit de hoogte gretig hardop ‘goedkoop sentiment’ en ‘volksvertier’ associëren, zal ik deze levensvreugde niet zonder slag of stoot inleveren voor een gesteriliseerd, door angst geregeerd, [zelf]beveiligend bestaan.
De voorgeschreven gedragscodes voor voetballers die in de laatste vijf minuten een winnend doelpunt scoren, benieuwen me.
‘Het elkaar bespringen en op een hoopje liggen mogen die sporters voortaan wel vergeten.’ Door met hun vreugde geen blijf te weten gingen de spelers van bekerwinnaar Antwerp uit de besmette stad Antwerpen onlangs exemplarisch zwaar in de fout. Rode kaart of code?
Wat rest ons straks nog? Schaken met een grijpstok?

In de huidige communicatie lijkt het er op dat precies onze solidariteit  – amper twee maanden geleden nog onze gevestigde hoop – de ballast vormt. Een mindere nood die het herstel in de weg staat. Terwijl ikzelf onze zeldzame innigheid als een vitale kracht beschouw. Zou ik alleen staan in mijn grote bezorgdheid om de groeiende miskenning in de communicatie van deze kracht?
Wie, als ik, enige jaren op de teller heeft, herinnert zich als gisteren welke ravage Aids bij onze homosexuele medeburgers [men had het uiterst respectvol over de homogemeenschap, een soort kolonie] aangericht heeft. Ieder sexueel contact vormde een bedreiging. Het leidde ertoe dat een aantal prachtmensen hun lot en dat van anderen op de meest extraverte wijze, vanuit een vitalistische doodsdrift, gingen tarten. Destructie en zelfdestructie.

Het zijn niet enkel ‘hygiëne’, ‘wetenschap’, ‘aangepaste medicatie’ en ‘angst’ die Aids teruggedrongen hebben. Minstens even belangrijk was het aanhouden van vriendschap, van het ontwikkelen van een respectvolle, broze, open omgangscultuur. Intrinsieke positieve krachten.

Als we vandaag een Aids-dreiging meemaken op zoveel grotere schaal, ontbreekt voor mij de hoopgevende levensles die [o.m.] Aids ons heeft bijgebracht.

Voor de slechte en kwaadwillige lezer heb ik me met mijn woordenbraaksel [één van hun mogelijke definities] heel zeker gedoodverfd als een tegenstander van mondmaskers, maatregelen, wetenschap en wetenschappers, politieke kaste, vierverdieners, jaarlijkse vakantie en dertiende maand. Als een negationist van het belang van volksgezondheid.

De lezer met meer zin voor nuance en zelfrelativering zal in de auteur van dit pleidooi een hevige supporter vinden van alle noodzakelijke maatregelen – en dus onder meer van noodzakelijke mondmaskers – waarvoor op ruimere schaal dan Monaco en ons België – en ver weg van ieder politiek [tot persoonlijk] opbod – gefundeerde wetenschappelijke evidentie bestaat.
In een voetnoot blijf ik er als humanist op hopen dat er in onze levens meer mag zijn dan gezondheid als vertaald naar lijfsbehoud, vraag ik dat alle experts en beleidswerkers iedere dag in hun spiegel kijken en zich afvragen wat zin en betekenis geeft aan hun bestaan en op welke manier ze deze waarden in hun instructies een plaats kunnen geven. Een oproep om onze in bestaande wetten gegoten rechten op ontroering, omhelzen, liefhebben, uiten van vreugde, zoenen, geluk te vrijwaren en daartoe in de gegeven omstandigheden mee de mogelijkheden en voorwaarden te blijven ontwerpen. Ons welzijn en onze gezondheid hangen er van af.

Willi Huyghe

Creative Commons

Bronnen

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!