Communistische Partij van China 90 jaar
China, Communistische partij -

Communistische Partij van China 90 jaar

dinsdag 5 juli 2011 14:20

Van een marginaal groepje bij de clandestiene oprichting in Shanghai in 1921 tot een partij met 80 miljoen leden, en leidinggevende organisatie van het meest bevolkte en op dit ogenblik meest dynamische land ter wereld: hoe kon dit?

Hoe komt het dat de CPC er nog altijd succesvol staat, terwijl zusterpartijen in Oost-Europa allen de macht kwijtspeelden?
Een overzicht van de geschiedenis in vogelvlucht kan ons helpen een en ander te begrijpen.

De jonge CPC had de wind in de zeilen. De Guomindang of Nationalistische partij geleid door de vader des vaderlands Sun Yatsen moest in de jaren 1920 nog de macht veroveren in een land dat na de val van het keizerrijk in 1911 uiteengevallen was.

Sun Yatsen evolueerde naar links en ging samenwerken met de jonge Sovjet-Unie. De CPC paste als junior partner in dit plaatje. Maar het tij keerde, Sun overleed, Chang Kaishek volgde hem op als Guomindangleider, veroverde in 1926-27 grote delen van China, en begon met de steun van de grootgrondbezitters, opkomende ondernemers en maffia, en onder het oog van de welwillende kolonisatoren in de concessies, de communisten uit te moorden. Eerste pijnlijke les voor de CPC: zorg altijd dat je eigen partij stevig genoeg is wanneer je gaat samenwerken met anderen.

De CPC ging ondergronds. Enkele basissen in afgelegen bergstreken waren het resultaat. Ze begon een eigen ‘bandietenlegertje’ op te richten en de eerste onteigeningen van grootgrondbezitters door te voeren. Dilemma’s zorgden voor hevige interne politieke strijd: moest de partij voor de revolutie beroep doen op de immense boerenklasse of op de erg kleine arbeidersklasse, moest ze vechten voor het platteland of voor de steden?

Moest ze openlijk oorlog voeren met de Guomindangtroepen of een guerrilla beginnen? De CPC ging door diepe dalen: behalve richtingenstrijd was er infiltratie door agenten van de Guomindang; er ontstond wantrouwen en er volgden desastreuze interne afrekeningen.

Onder militaire druk van de Guomindang moesten basissen opgegeven worden, nieuwe werden veroverd; bij de vierde omsingelingscampagne van de voornaamste CPC-basis door de Guomindanglegers in 1935 was de totale uitroeiing nog slechts een kwestie van tijd.

Een wanhopige uitbraak van 100.000 man leidde tot een achtervolging dwars door China, waarbij de communisten op enkele maanden tijd meer dan de helft van hun troepen verloren. Op de rand van de totale ondergang krijgt Mao het roer in handen en zet zijn strategie door: op korte termijn een bewegingsoorlog die aan de overmacht van de Guomindang ontsnapt; verder een revolutie door de boeren via een langdurige guerrilla. Marxistische ketterij.

Het Rode Leger komt na een jaar aan in een veilige basis rond Yenan, een stadje in het verre noorden, waar een socialistische ministaat wordt uitgebouwd. De CPC heeft tegen alle verwachtingen in de Lange Mars overleefd.

Vanaf 1936 wordt duidelijk dat de Japanners heel China willen bezetten. Binnen de Guomindang is er grote onenigheid over de prioriteiten: de communisten uitroeien of zich verzetten tegen Japan. Mao speelt hierop in en de CPC sluit opnieuw een front met zijn aartsvijand Chang tegen de Japanners, deze keer met een eigen leger. Een voorbeeld van een voor de CPC voordelige frontvorming.

De volgende negen jaren organiseert de CPC een weerstandsoorlog tegen de Japanse bezetting, die de partij bij brede lagen van de bevolking, ook bij de middenklasse en intellectuelen, populair maakt. Mao werkt aan een betere organisatie voor een partij die gestaag groeit. Hij pleit voor de massalijn: de basis moet meer invloed hebben op een top die bureaucratisch kan worden.

Na de nederlaag van Japan volgen moeizame besprekingen over een coalitieregering. Bij het uitbreken van de Koude Oorlog valt Chang Kaishek opnieuw de communisten aan; de CPC wordt uit Yenan verjaagd en het lijkt erop dat de communisten dan toch vernietigd zullen worden. Het is echter maar schijn. De CPC slaagt erin een breed volksfront op te zetten en verslaat het verrotte Guomindangregime in 1949. De Volksrepubliek is geboren.

China zit op dat moment volledig aan de grond. De (her)opbouw moet van nul beginnen, aanvankelijk met Sovjetsteun en vervolgens met Sovjetblauwdrukken. Maar met een landhervorming en grondverdeling op zijn Chinees.

In 1949 komt een volksfront aan de macht, inclusief rijke boeren, kleine kapitalisten en middenstanders. In minder dan tien jaar realiseert de CPC een andere Marxistische primeur, een overgang naar het socialisme zonder gewelddadige revolutie, met gecollectiviseerde landbouw en alom staatseconomie. Kapitalisten en middenstanders worden uitgekocht en rijke boeren worden onder druk gezet om tot de collectieven van de arme boeren toe te treden. Dat alles gebeurt (veel) sneller dan verwacht.

Tijdens de Koreaanse oorlog rukte het Amerikaanse leger op tot aan de Chinees-Koreaanse grens en bedreigde Beijing met een kernbom. Op Taiwan werd Chang Kaishek bewapend voor de  herovering van China. Op het einde van de jaren 50 werd duidelijk dat China niet op bescherming van de Sovjet-Unie kon rekenen.

China moest zelf een machtige natie worden, en snel. Een Grote Sprong Voorwaarts was noodzakelijk om op het niveau van Groot-Brittannië –toen nog een machtig land- te komen. Het was een slecht voorbereid project waarbij de pas opgerichte communes uiterst snel zeer hoge landbouwrendementen wilden halen, grote infrastructuurwerken wilden uitvoeren, en een primitieve industrialisatie van het platteland hoopten te verwezenlijken.

Te veel, te snel, te slecht georganiseerd met te veel enthousiasme en te weinig ervaring: het werd een ramp. Toen de omvang daarvan duidelijk werd liep het prestige van de CPC en van Mao een flinke deuk op.

De eerste helft van de jaren 60 kwam het herstel van landbouw en industrie op gang, maar ook van kleinschalig kapitalisme op het platteland. Het was een periode van toenemende macht voor de bureaucratie en van een groeiende kloof tussen stad en platteland. Daarover was er verdeeldheid in de CPC.

Mao wilde meer doen voor de boeren en meer macht geven aan het gewone volk tegen de bureaucraten; en hij wilde geen kapitalisme, ook geen kleinschalig. Maar hij was in de minderheid binnen de CPC, Liu Shaoqi was een bureaucratische planner en Deng zag meer in vrij initiatief.

Tijdens de Culturele Revolutie roept Mao de jongeren en nadien de arbeiders die achter zijn standpunt staan, op om de st(r)aat te veroveren, tegen de partij- en overheidstructuren in. Het resultaat van die complexe gebeurtenissen is geenszins het beoogde ideaal van massademocratie: anarchie, vernedering of mishandeling van kaders en intellectuelen, dalend niveau van onderwijs en van wetenschappelijk onderzoek, vertraagde economische groei, en tien troebele jaren van intriges in de partijleiding.

Intussen waren de meningsverschillen met de Sovjet-Unie zelfs uitgelopen op een kortstondige grensoorlog. Er speelden nationalistische elementen mee, maar ook fundamentele: hoe zit het met de wereldrevolutie? En wat is de relatie tussen het volk en de partijleiding? Wat dat laatste betreft was de Culturele Revolutie ook een poging een antwoord te bieden op de bureaucratisering van de Sovjet-Unie.

Mao sterft in 1976 en laat wat de de periode 1949-76 betreft een palmares met zowel sterk positieve als zwaar negatieve aspecten na: een behoorlijke maar geen sensationele economische groei; uitbouw van veralgemeende sociale zekerheid, onderwijs en gezondheidszorg, maar op een laag niveau; bevrijding van de vrouw en culturele ontvoogding van de massa.

Daartegenover staan zijn economische mislukking van de Grote Sprong Voorwaarts en de diepe littekens van de Culturele Revolutie. Het vertrouwen van de bevolking in de CPC bereikt een dieptepunt.

In 1978 komt Deng Xiaoping terug als leider met een programma voor radicale hervormingen van het socialisme. China heeft dan tussen de Aziatische tijgers meer dan ooit een echte grote sprong voorwaarts nodig. Deng belooft dat hij die zal realiseren. Om het socialisme meer dynamiek te geven hadden zowel de sovjetbureaucratie als de maoïstische massamobilisatie gefaald.

Deng zou beroep doen op het eigenbelang van individuen. Binnen het kader van een door de CPC opgesteld ontwikkelingsplan en zolang het de algemene vooruitgang diende, mocht de markt spelen en mochten individuen voortaan voor eigen rekening werken en zich verrijken.

En ook buitenlands kapitaal en technologie waren welkom. Markt- of planeconomie zijn volgens Deng slechts werktuigen, geen essentiële kenmerken van een kapitalistisch of een socialistisch systeem. En een zekere hoeveelheid privé-initiatief of -kapitalisme is goed om een achterlijke economie zoals de Chinese sneller te ontwikkelen.

De nieuwe vorm van onorthodox combineren van markt en plan, privé en staat werd het ’socialisme op zijn Chinees’ gedoopt, of ook ‘de eerste fase van het socialisme’, die minstens honderd jaar zal duren.

Deng’s gok slaagt: Eerst wordt het platteland hervormd, vanaf 1985 de stedelijke nijverheid; vanaf 1988 zijn privé-bedrijven toegelaten; buitenlandse investeringen brengen nieuwe technologie binnen. De Chinese staatsgeleide markteconomie kent een nooit op die schaal geziene dynamiek; ze groeit met gemiddeld 10% per jaar en het land moderniseert snel op alle vlakken.

Met de te verwachten schaduwzijden: markt en privé leiden snel tot corruptie, machtsmisbruik, uitbuiting, sociale polarisatie en misdaad. Door de open grenzen wordt het land overspoeld met Westerse propaganda; jongeren en intellectuelen, maar ook veel partijkaders worden overtuigd dat kapitalisme superieur is aan socialisme.

Wanneer in 1988 een snelle inflatie de koopkracht begint uit te hollen, begint het volk te grommen. Begin juni 1989 dreigt de opstandige beweging op het Tiananmenplein het Chinese socialisme weg te spoelen zoals in diezelfde periode met het  Oost-Europese gebeurt. Een verdeelde partijleiding zet  uiteindelijk het leger in om de beweging te onderdrukken.

Opnieuw heeft de CPC aan de rand van de ondergang gestaan. De verdeeldheid is groot. China blijft quasi alleen over als socialistisch land in een wereld die de definitieve overwinning van het kapitalisme predikt.

Op welke weg moet China verder gaan? Terug naar het egalitarisme van Mao? Of de hervormingen versnellen, meer markt, meer privé en meer buitenlands kapitaal, maar met de uitwassen en valkuilen beter gecontroleerd en een herbevestiging van het socialistisch objectief?

Deng beslecht in 1992 de bittere strijd en duwt die tweede optie erdoor. De gok lukt opnieuw. Onder leiding van secretaris-generaal Jiang Zemin hervindt China zijn groeiritme en de Westerse boycot van 1989 wordt in 1991 opgeheven.

Buitenlands kapitaal stroomt binnen, de KMO sector wordt bijna volledig geprivatiseerd en de verouderde, grote staatsbedrijven worden gemoderniseerd en afgeslankt. Dit alles ondanks sporadisch verzet tegen de gang van zaken door linkse groepen binnen de CPC.

In het meer welvarende en modernere China waarin naast boeren en arbeiders een groeiende middenklasse ontstaat, formuleert Jiang Zemin rond 2000 een nieuwe strategische rol voor de CPC: de theorie van de Drie Vertegenwoordigingen: de CPC moet

1. De modernisering van China realiseren (technologie, enz.).

2. De vooruitstrevende krachten ondersteunen (inclusief de succesvolle ondernemers).

3. De belangen van het volk verdedigen.

In het kader van de Drie Vertegenwoordigingen mogen voortaan zelfs kapitalisten die het communisme goedgezind zijn toetreden tot de CPC (wat meteen voorkomt dat ze een eigen partij gaan eisen). Opnieuw is er binnen de CPC protest van een kleine maar luidruchtige linkse strekking.

De groei rond 2000 is snel en komt de grote meerderheid ten goede. Maar de polarisering neemt even snel toe, vooral tussen stad en platteland, maar ook tussen eenvoudige werker en nieuwe miljardair.

Bij het begin van de 21ste eeuw vermenigvuldigt zich het aantal sociale incidenten. Door boeren wier landbouwinkomen door de hoge belastingen daalt, boerenmigranten die naar de stad trekken en er als gastarbeiders uitgebuit worden, werkloze arbeiders die afgedankt zijn door afgeslankte of failliete staatsbedrijven, boeren van wie het land onteigend is of stadsbewoners die hun huis verliezen omwille van ontwikkelingsprojecten, algemeen ongenoegen over het afbrokkelen van de sociale zekerheid, over de kost van onderwijs en gezondheidszorg en over de corruptie.

De CPC reageert onder leiding van een  nieuwe secretaris-generaal sinds 2002, Hu Jintao. Hu verzoent links en rechts rond het concept van ‘wetenschappelijke en harmonieuze ontwikkeling’. Met harmonieuze ontwikkeling stelt de CPC dat iedere sociale groep zijn billijk deel moet krijgen.

Anno 2003 betekent dat meer aandacht voor het lot van boeren, binnenlandse migranten, werklozen en werkenden in het algemeen, meer geld voor sociale zekerheid, gezondheidszorg en onderwijs, meer strijd tegen corruptie en fiscale fraude. Op al deze gebieden is sindsdien een inhaalbeweging bezig.

Wetenschappelijke ontwikkeling is een antwoord op een aantal uitdagingen waarvoor China staat: milieubescherming, strijd tegen de klimaatsverandering (die voor China met zijn fragiele landbouw zeer onheilspellend is, onder meer door watergebrek), de ontwikkeling van een eigen technologie van hoog niveau en van een sterk hoger onderwijs.

Daarbij is een grote rol weggelegd voor experten op alle vlakken; het ‘management’ van de Chinese staat is vandaag efficiënter dan dat bij ons. Zowel harmonisch als wetenschappelijk is het streven van de CPC naar meer participatieve democratie, het betrekken van de bevolking bij de belangrijke beslissingen zowel in de maatschappij als in de partij.

Ook internationaal staat de CPC voor grote uitdagingen. Deng Xiaoping pleitte ervoor dat China zich low profile zou opstellen en alles op zijn economische ontwikkeling zetten. Sinds de toetreding van China tot de Wereldhandelsorganisatie in 2002 is de opkomst van het land echter zo snel dat het willens nillens een belangrijke internationale speler geworden is.

De VS en de EU willen deze opkomst afremmen. De economische spanningen nemen toe, maar ook de politieke en militaire.

Anderzijds is de verstrengeling van de Chinese economie met de kapitalistische economie in de buitenwereld intussen zo sterk dat beide partijen belang hebben bij het succes van de andere. Het antwoord van de CPC op die uitdagingen is dubbel: China herbevestigt dat het op vreedzame wijze een welvarende natie wil worden, zonder onderdrukking of uitbuiting van anderen; en China weigert te denken in termen van wereldhegemonie, het streeft naar een multipolaire wereld met gelijkheid en democratie tussen de staten; wantrouwig tegenover het Europese neo-kolonialisme en het Amerikaanse hegemonisme wijst China resoluut elke inmenging in de binnenlandse zaken van een ander land af, voor welke reden of voorwendsel dan ook.

De huidige partijleiding lijkt geslaagd in het bouwen van een werkbaar compromis tussen de linkse en rechtse strekkingen in de CPC . Zowel oproepen om terug te keren naar de tijd van Mao als pleidooien voor een volledig kapitalisme zijn marginaal.

In de aanloop van het vijfjaarlijkse partijcongres in 2012 zien we de ideologische tegenstellingen toch weer opduiken. Sommigen benadrukken de noodzaak om de inkomenskloof te verkleinen, de interne migranten beter te behandelen, de sociale zekerheid beter uit te bouwen en het binnenlands verbuik aan te moedigen door de bevolking meer koopkracht te geven. 

Anderen hebben het over de noodzaak voor een meer efficiente werking van de economie, het afschaffen van de monopolies van de staatsbedrijven, het aanpakken van de erge corruptie in de staatseconomie en de overheid en het steunen van de privé-ondernemingen die tewerkstelling verzekeren.

Ook rond het thema ‘democratie’ vinden we uiteenlopende meningen over aspecten zoals open verkiezingen, censuur op de media of  behandeling van dissidenten. De CPC-leiding laat vandaag dit soort discussies over de toekomst van het socialisme niet alleen toe, maar stimuleert ze in die mate dat ze constructief zijn (dit sluit echte dissidenten uit), wat de besluitvorming alleen kan ten goede komen.  

Tot besluit van dit kort historisch overzicht kunnen we terugkeren naar onze beginvraag: ‘Wat is het geheim van het succes van de CPC’? De CPC heeft geen foutloos parcours gereden, verre van. Toch is ze uiteindelijk steeds weer op een positief groeitraject terechtgekomen.

Wat opvalt in vergelijking met Oost-Europa is de originaliteit en de flexibiliteit van de CPC. Doorheen haar geschiedenis heeft de CPC voortdurend naar strategieën gezocht die een antwoord boden op de concrete problemen van China, zonder zich vast te klampen aan dogma’s van het orthodoxe marxisme.

Originaliteit begint met Mao die de arbeidersrevolutie met de boeren maakte en gaat verder naar het andere uiterste met Jiang Zemin die de nieuwe kapitalisten in de CPC opnam.

Flexibiliteit zien we al in de onwaarschijnlijke eenheidsfronten van de revolutie, maar ook vandaag nog in de succesvolle Chinese reactie op de internationale financiële crisis van 2008, die even dreigde om via de instortende exportsector ook de Chinese economie mee te sleuren.

Het creatief en flexibel toepassen niet van dogma’s maar van de geest van het marxisme-leninisme is wellicht de grootste sterkte die de CPC in haar 90 jaar geschiedenis  – dikwijls met bloed en tranen – verworven heeft en haar grootste troef om China verder tot een welvarend land met een ‘socialisme op zijn Chinees’ uit te bouwen.

(artikel gepubliceerd op chinasquare.be)

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!