Burgerschap in het onderwijs

vrijdag 3 april 2015 20:16

Vandaag worden
studenten met allerlei cursussen, handboeken, examens en stages
klaargestoomd voor een professionele richting die ze later,
afhankelijk van heel wat factoren, misschien
zullen inslaan. Dat is niet slecht, integendeel. Kennis wordt
aangereikt, vaardigheden worden bijgebracht en referentiekaders
worden verbreed. Wel is het vreemd en jammer dat er in
het Vlaams onderwijs nog steeds geen vak bestaat waarmee jongeren
specifiek voorbereid worden op datgene wat ze later niet
misschien, maar daarentegen zeker zullen
worden: volwassen burgers in een democratische samenleving.

De
kerntaak van ons basis- en secundair onderwijs bestaat in het
verschaffen van een algemene vorming. Het idee daarbij is dat jonge
mensen doorheen hun schoolcarrière de noodzakelijke tools aangereikt
krijgen om zich te ontplooien en om voldoende gewapend aan de start
van hun volwassen leven te verschijnen. Aangenomen wordt dat een
combinatie van vakken zoals geschiedenis, aardrijkskunde, Nederlands,
biologie, economie, enzovoort er uiteindelijk toe leidt dat jongeren
in staat zijn om een deugdelijk mens- en maatschappijbeeld te
ontwikkelen, om zelfstandig keuzes te maken en om zinvol te
functioneren in de samenleving. Vervolgens worden jongeren in het
hoger onderwijs – maar ook reeds in de
derde graad van het technisch en beroepssecundair onderwijs –
nadrukkelijker voorbereid op de professionele richting die ze willen
inslaan. Het voorbereiden op een toekomstige loopbaan wordt op dat
moment zelfs een cruciale taak van het onderwijs. In die context gaan
er trouwens regelmatig stemmen op om het onderwijs nóg beter aan te passen
aan de noden van de arbeidsmarkt, zodat bekwame werknemers op maat
afgeleverd worden. Toch blijft
de algemeen vormende functie van het onderwijs globaal genomen het
belangrijkst. We verwachten dat het onderwijs jonge mensen mee
vormt zodat ze klaar zijn om
hun rol als geïnformeerde, kritische en verantwoordelijke burgers in
de samenleving op te nemen. Maar wat betekent het precies om zo’n
burger te zijn?

Burgerschap:
twee ladingen

Het
antwoord op deze vraag hangt af van de manier waarop we het
concept burgerschap invullen. In een goed functionerende democratie dekt het concept tenminste twee ladingen.
Ten eerste impliceert burgerschap dat men een behoorlijke notie heeft van de politieke instellingen. Mensen begrijpen met andere
woorden hoe de democratie werkt, op welke beginselen ze steunt, welke individuele rechten en plichten daarbij van toepassing zijn, hoe het ideologische spectrum eruit ziet en welke politieke
keuzemogelijkheden er bestaan. Dit soort informatie kan via traditionele kennisoverdracht in het onderwijs
verworven worden. De lesgever
vertelt, de leerlingen of studenten verwerken en slaan op.
Ten tweede verwijst burgerschap echter naar het vermogen en de
bereidheid om deel te hebben aan de gemeenschap en om een actieve
bijdrage te leveren aan de samenleving. Hierbij gaat het dus niet
zozeer om kennis, maar wel om vaardigheden en een bepaalde
attitude. We denken in dit verband aan het vormen van een eigen
mening over maatschappelijke thema’s, het opbouwen van een
argumentatie, het communiceren van een visie en het luisteren naar
andere opvattingen. Essentieel in dit verhaal is ook het vertalen van
een intellectueel standpunt naar het concrete handelen in de
praktijk, wat voor veel mensen heel wat moeilijker blijkt.
Burgerschap hangt dus zeker niet alleen samen met enkele rechten en
plichten en met basiskennis over de democratie, maar heeft ook alles
te maken met betrokkenheid en engagement. Het stimuleren en
bevorderen van dit soort actief burgerschap wordt door de
Europese Commissie omschreven als een van de absolute
hoofddoelstellingen van het onderwijs.1
In verschillende lidstaten werd trouwens reeds een verplicht,
afzonderlijk vak over burgerschap opgenomen in het leerplan.

VOET
in Vlaanderen

Ook
in het Vlaams secundair onderwijs wordt aandacht besteed aan
burgerschapseducatie, zij het dan iets implicieter. Het ontwikkelen
van actief burgerschap wordt er niet gekoppeld aan een afzonderlijk
vak, maar komt aan bod via een aantal vakoverschrijdende eindtermen
(de zogenoemde VOET). Zulke vakoverschrijdende eindtermen werden
destijds ingevoerd om een soort van vangnet te creëren voor
waardevolle en maatschappelijk relevante ‘inhouden’ die onvoldoende
terug te vinden zijn in de afzonderlijke vakken.2
Zo werden er in totaal een honderdtal VOET opgesteld, gaande van het
hygiënisch omgaan met voedsel, tot en met het aanvoelen van de waarde van
natuurbeleving. Het is binnen dit lijstje dat ook
interessante eindtermen met betrekking tot actief burgerschap aan bod
komen. Een kleine greep: ‘De leerlingen geven aan hoe zij kunnen
deelnemen aan besluitvorming in en
opbouw van de samenleving’, ‘De leerlingen passen inspraak,
participatie en besluitvorming toe in reële schoolse situaties’, ‘De
leerlingen zetten zich actief en opbouwend in voor de eigen rechten
en die van anderen’, ‘De leerlingen illustreren hoe een democratisch
beleid het algemeen belang nastreeft en rekening houdt met ideeën,
standpunten en belangen van verschillende betrokkenen’. Of nog: ‘De
leerlingen gaan constructief om met verschillen tussen mensen en
levensopvattingen.’3

Interessant
is dat aan deze VOET een inspanningsverplichting gekoppeld
werd. Dit houdt in dat van scholen verwacht wordt dat zij een
inspanning leveren om de vakoverschrijdende eindtermen en
ontwikkelingsdoelen na te streven. Deze VOET zijn dus, in tegenstelling tot de reguliere eindtermen, niet
gekoppeld aan een te behalen resultaat. Daarnaast is het zo dat de
scholen heel wat autonomie verleend wordt om te bepalen op welke
manier, hoe vaak, in welke graden, in welke lessen en door wie er
precies rond de VOET gewerkt wordt. Uiteraard twijfelen we niet aan
de goede wil van de Vlaamse scholen en evenmin aan de kwaliteit van
het onderwijs dat zij verstrekken, maar misschien verdient een belangrijk
thema als burgerschap (dat dus blijkbaar onvoldoende aan bod komt in
de reguliere vakken) wel wat meer structuur, coördinatie en
verankering. Is het trouwens ook niet mogelijk – en geheel
begrijpelijk – dat het lerarenkorps het al meer dan druk genoeg
heeft met de eigen vakspecifieke opdracht en dat een hele boterham
als burgerschapseducatie er dus om praktische redenen wel eens durft
bij in te schieten en slechts minimaal behandeld wordt?

Meer
LEF?

Dikwijls
wordt aangenomen dat burgerschap en aanverwante thema’s uitvoerig aan
bod komen in de huidige levensbeschouwelijke vakken, zoals godsdienst
en niet-confessionele zedenleer. Het kan inderdaad kloppen dat die
lessen vaak een gelegenheid vormen om maatschappelijke thema’s en
actuele kwesties aan te kaarten, ja, zelfs om eens duchtig van
gedachten te wisselen over allerlei zaken die met burgerschap te
maken hebben en die in andere lessen niet of nauwelijks besproken
worden. Maar ten eerste hebben de levensbeschouwelijke vakken hun
eigen programma, dat helemaal niet noodzakelijk rond burgerschap
hoeft te draaien. Ten tweede zitten leerlingen er strikt gescheiden
van hun leeftijdsgenoten met een andere levensbeschouwelijke
achtergrond of opvatting. Dat is natuurlijk niet bevorderlijk
voor pakweg de interculturele dialoog, waarvan het belang nauwelijks overschat kan worden in de huidige samenleving. Het zou dan ook bijzonder jammer en nalatig
zijn indien we een groot deel van de verantwoordelijkheid met
betrekking tot burgerschapseducatie afwentelen op de leerkrachten
levensbeschouwing.

Om
het bestaande hiaat op te vullen pleiten mensen zoals Patrick
Loobuyck voor de invoering van een nieuw, onafhankelijk en voor
iedereen verplicht vak in het basis- en secundair onderwijs. Loobuycks
voorstel draagt de titel ‘Meer
LEF in het onderwijs
‘,
waarbij ‘LEF’ verwijst naar Levensbeschouwing, Ethiek en Filosofie.4
In zo’n vak ‘LEF’ zou het ontwikkelen van een algemene levensbeschouwelijke
geletterdheid gecombineerd worden met filosofie, morele vorming en
burgerschapseducatie. Het spreekt voor zich dat hiermee een
mooi kader geschapen zou worden voor de ontwikkeling van,
bijvoorbeeld, interculturele vaardigheden. Zo’n vak zou een
vrijplaats kunnen betekenen voor de dialoog, het meningsverschil, de
diversiteit en het wederzijds begrip. Tevens zou er meer ruimte
gecreëerd worden voor alle andere elementen die met actief
burgerschap te maken hebben, zoals democratische vorming en het
stimuleren van een kritische houding, betrokkenheid en engagement.
Het idee is dan ook interessant. Alleen lijkt het vanuit een bepaald perspectief misschien iets logischer om LEF te kaderen in een
algemeen vak Burgerschap, dan om burgerschapseducatie te kaderen in
een algemeen vak LEF, al is dat mogelijk slechts een semantische
discussie.

Wat
met de huidige levensbeschouwelijke vakken?

Een
belangrijke vraag is welke plaats de huidige ‘geëngageerde’ of
‘gekleurde’ levensbeschouwelijke vakken in dat verhaal zouden
innemen. Stemmen gaan namelijk op om deze nadrukkelijk facultatief en
supplementair te maken of zelfs regelrecht te doen verdwijnen ten
voordele van een neutraal en algemeen vak zoals LEF of Burgerschap.
Dat hoeft echter niet noodzakelijk zo te zijn. Sommigen beweren dat
het vreemd is dat de overheid in een seculiere staat geëngageerd
levensbeschouwelijk onderricht financiert, subsidieert of
faciliteert. Anderen stellen dan weer dat het integreren van deze
geëngageerde levensbeschouwelijke vakken het juist mogelijk
maakt om iets beter toe te zien op de kwaliteit van het
levensbeschouwelijk onderricht dat aan jonge mensen in onze
samenleving verstrekt wordt. Jongeren worden dan immers niet zomaar
overgeleverd aan niet-gekwalificeerde, onbekwame ‘leraars’ en
schabouwelijke kennis. Waarop nog anderen dan weer antwoorden dat het
toch totaal absurd is om kinderen een gekleurde levensbeschouwelijke
opvoeding te geven op school, daar het namelijk kinderen
betreft die helemaal nog geen levensbeschouwing hebben of hoeven te
hebben en die men neutraal onderwijs dient te verstrekken zodat ze
later, op volwassen leeftijd, zelf kunnen bepalen in welke
levensbeschouwing ze zich verdiepen. Maar voorstanders van de
geëngageerde levensbeschouwelijke vakken werpen dan weer tegen dat
neutraliteit en algemeenheid een verarming betekenen in vergelijking
met een doorleefd en op persoonlijke ervaring gebaseerd verhaal, dat
namelijk veel meer zou prikkelen en inspireren.

Veel
belangrijker dan dit gevoelig debat over het bestaansrecht van de
geëngageerde levensbeschouwelijke vakken, is echter
de consequente invoering van meer ruimte voor algemene, expliciete
burgerschapseducatie in ons onderwijs. Beide thema’s dienen dus
helemaal niet zo nodig aan elkaar gekoppeld te worden om effectief
over te kunnen gaan tot, bijvoorbeeld, de inrichting van een vak
zoals Burgerschap of LEF.

Hogescholen
en universiteiten

Ook
van hogescholen en universiteiten mag vanzelfsprekend verwacht worden
dat ze een betekenisvolle en expliciete bijdrage leveren aan het
ontwikkelen van een democratische houding, verantwoordelijkheidszin
en maatschappelijk engagement bij hun studenten. Het hoger onderwijs
is namelijk bij uitstek een omgeving waar jongvolwassenen uitgroeien
tot burgers die met beide benen in de samenleving staan. Het zou
daarom zonde zijn dat studenten er wel allerlei complexe kennis en
professionele vaardigheden onder de knie krijgen, maar dat zij niet
gestimuleerd worden om op basis van kritische zin en
initiatief een positieve invloed uit te oefenen op hun
maatschappelijke omgeving. Ook in het hoger onderwijs dient met
andere woorden een structureel kader te bestaan waarin studenten
aangespoord worden tot betrokkenheid, dialoog, het vormen van een
eigen mening en het vertalen van ideeën en standpunten naar de
concrete maatschappelijke praktijk. Ongetwijfeld vallen er in dit
opzicht heel wat toepassingen en projecten te bedenken. De
pluralistische en interdisciplinaire context waarin hogescholen en
universiteiten zich bevinden, biedt in dit opzicht enorme kansen en
maakt de onderneming alleen maar rijker, boeiender en relevanter.

Tijd
dus om de ontwikkeling van actief burgerschap een volwaardige plaats
in ons onderwijs te geven. Het samenleven kan er enkel wel bij varen.

Noten:

1 Europese
Commissie – Euridyce, 2012, p. 7.

2 Vlaams
Ministerie van Onderwijs en Vorming – Agentschap voor
Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming (AKOV), 2009, p. 4.

3 Idem,
p. 19-20.

4 Loobuyck,
2014.

Bronnenlijst:

Europese
Commissie – Euridyce, 2012. Citizenship Education in Europe.
[online] Beschikbaar op:
http://eacea.ec.europa.eu/education/eurydice/documents/thematic_reports/139EN.pdf
[geraadpleegd
op 28 maart 2015].

Loobuyck,
P., 2014. Meer LEF in het onderwijs. Levensbeschouwing, Ethiek en
Filosofie voor iedereen.
Brussel,
VUBPRESS.

Vlaams
Ministerie van Onderwijs en Vorming – Agentschap voor
Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming (AKOV), 2009. VOET @ 2010.
Nieuwe vakoverschrijdende eindtermen voor het secundair onderwijs
.
[online] Beschikbaar op:
http://www.ond.vlaanderen.be/curriculum/publicaties/voet/voet2010.pdf [geraadpleegd
op 30 maart 2015].

Afbeelding: gevonden [online] op http://blogs.educationscotland.gov.uk/globalcitizenship/2014/09/18/development-officer-posts-community-resilience-and-learning-for-sustainability/ [geraadpleegd
op 30 maart 2015].

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!